Terug naar Ecclesianet.nl

Dr. Rudolf Kögel, een Duitse vriend van Mr. G. Groen van Prinsterer (II)

Ds. L.J. Geluk, Rotterdam

Ernst von Bylandt en zijn vrienden ondervonden het dus als een groot gemis dat in Den Haag geen dienst in de Duitse taal kon worden bijgewoond, noch in de Lutherse noch in de Hervormde gemeente. Zij legden zich niet bij deze situatie neer. Gelet op het aantal mensen dat uit een van de Duitse landen afkomstig was, moest het de inspanning waard zijn kerkdiensten in hun eigen taal te beleggen. Maar, een kerkdienst veronderstelt een gemeente, ambtsdragers, een predikant en ook een kerkgebouw. De graaf Von Bylandt richtte zich aanvankelijk op twee doelen. Op 14 januari 1856 lag ter bespreking een ontwerp-brief op tafel, gericht aan koning Willem III die uitliep op het dringende verzoek of Zijne Majesteit hun de helpende hand wilde reiken, zodat onder garantie van de Koning wederom Duitse kerkdiensten in het leven werden geroepen, teneinde “het kerkelijk leven van de in de residentie woonachtige Duitsers daardoor te bevorderen en daarmee tevens de - wegens het ontbreken van een prediking in het Duits en de deelname aan de heilige sacramenten - om zich heen grijpende invloed van de Roomse kerk op de protestantse Duitsers in deze residentie af te wenden“. Min of meer lag in het verzoekschrift de gedachte opgesloten dat in de bestaande Lutherse gemeente weer diensten in de Duitse taal zouden worden gehouden.
Het andere doel was: een begin maken met het beleggen van kerkdiensten. De vraag deed zich voor: waar? Men wilde de kerkenraad van de Lutherse gemeente niet voor het hoofd stoten, want deze actie ging geheel buiten deze gemeente en haar kerkenraad om. Maar men wilde evenmin de kerkenraad van de Hervormde gemeente te na komen. Het voorlopige comité werd het eens: men zou aan de kerkenraad van de Remonstrantse gemeente verzoeken haar kerkgebouw te mogen gebruiken. Dit werd toegestaan. En zo werd op zondag 27 januari 1856 na jaren weer een kerkdienst gehouden in de Duitse taal. Voorganger was ds. Ostertag, die voor de Innere Mission (gevestigd in Stuttgart) in Rotterdam werkzaam was onder landgenoten die voor kortere of langere tijd in de Maasstad en haar omgeving verbleven in verband met hun werkzaamheden. Hij preekte over Mattheüs 6:33, “Maar tracht eerst naar het rijk Gods en zijne gerechtigheid, zo zal u dit alles toegevoegd worden“ (naar de vertaling van Luther). Er waren voor deze dienst vele uitnodigingen uitgegaan, zelfs een naar koningin Sophia, een geboren prinses uit het koningshuis van Württemberg. Het was niet vergeefs geweest dat deze eerste dienst in de Duitse taal onder de aandacht van velen was gebracht. Er waren ongeveer 600 kerkgangers en onder hen bevonden zich enkelen uit de hoge adel, zoals de hertog van Saksen-Weimar, met zijn vrouw en zoon, de Pruisische gezant Graaf Von Königsmarck met zijn gezin en de gezant van Hannover, Baron Von Steinberg. In de opbrengst van de collecte was de “hoogheid“ van een aantal kerkgangers niet merkbaar. Slechts 37,50 gulden werd ingezameld. Ook al is dit bedrag een veelvoud van de koopkracht die de Nederlandse gulden bezat voor deze ophield te bestaan, het bedrag was gering. De predikant ontving 10 en de organist 4 gulden. De huur van de kerk bedroeg 15 gulden. Wat nog overbleef was nodig voor de huur van de gezangboeken (!) en ter vergoeding van reiskosten.
De leden van het “provisorisch comité“ lieten zich evenwel niet ontmoedigen. Zij gingen door, ook al was het niet heel gemakkelijk predikanten te vinden die in de gelegenheid én bereid waren diensten te leiden. Enkele weekdiensten werden gehouden, maar op zondagavond 20 april was de Nieuwe kerk aan het Spui beschikbaar gesteld. Voorganger was ds. Brandt uit Amsterdam, die van de kansel wel een zonderling zicht op de gemeente had: alle verhuurde zitplaatsen mochten niet gebruikt worden. Daarom stonden de kerkgangers opgepropt in de paden! Nee, de Haagse Hervormde kerkenraad was bepaald niet gastvrij voor de Duitssprekende broeders en zusters. Een verzoek om regelmatig een kerk te mogen gebruiken, werd niet eens beantwoord.
Wat moest de graaf Von Bylandt met zijn medestanders nu? Zij richtten zich tot de Vrijmetselaars. En die waren guller dan de Haagse Hervormde kerkenraad. Het verenigingsgebouw, de loge aan de Fluwelen Burgwal, gesticht in 1734, werd voor de Duitse diensten beschikbaar gesteld. Dáár werd vanaf 27 april 1856 gekerkt. Voorganger was toen cand. August Köhler uit Erlangen. Op 15 juni werd daar ook de Heilige Doop bediend aan het kindje van ene familie Rinck- Müller, Johanna Ottilie Amalie. Men bezat inmiddels 200 kerkboeken en een baronesse Van Tuijll schonk een klein serafineorgel.
Was er misschien iets te regelen met de overheid, zodat aan het gezantschap van Pruisen een predikant verbonden zou worden? Die poging leverde niets op. Het antwoord op het verzoekschrift aan de koning, dat na 5 maanden werd ontvangen, bood ook geen enkel perspectief. Het viel ook tegen dat in de zomer van dat jaar geen Duitse predikanten het zeebad van Scheveningen bezochten. Men ging door, ondanks gebrek aan medewerking. De heer Abraham Capadose wist gedaan te krijgen dat de Duitse predikant uit Parijs, ds. Fisch, in augustus een dienst leidde. En op 14 september ging dr. H.F. Kohlbrugge voor, in de loge! In de ochtenddienst preekt hij in het Duits, in de avonddienst in het Nederlands. Dr. K. Groot vertelt hierover - in een niet uitgegeven handschrift - dat dr. Kohlbrugge logeerde ten huize van de familie Von Bylandt en dat het in de avonddienst in de grote zaal van de vrijmetselaarsloge, die 800 personen kon bevatten, zó vol was, “dat geen man tijdens het zingen en het gebed de hoed van zijn hoofd kon afnemen“1).
Een week later preekte dr. Kohbrugge voor de tweede keer in de Hervormde Kerk van Vianen, waar hij op 29 juni van dat jaar de avonddienst had geleid. Dat was de eerste maal dat hij preekte in een gemeente van de Nederlandse Hervormde Kerk! Maar de loge van Den Haag had hem niet afgeschrikt, want hij kwam daar weer terug. Op 23 november 1856 bediende hij het Goddelijk Woord daar opnieuw.
Naar aanleiding van deze diensten berichtte de Elberfelder Zeitung dat dr. Kohlbrugge drie beroepen naar een gemeente in Nederland had gekregen. Maar dat was uit de lucht gegrepen. Er is, zo vertelt dr. Groot ook, wel sprake van geweest dat dr. Kohlbrugge naar de nieuwe gemeente in Den Haag zou worden beroepen. Maar daar is toch niets van gekomen.
Dit zal een teleurstelling zijn geweest voor de graaf Von Bylandt, van wie dr. Groot mededeelt dat deze Kohlbrugge “zeer genegen“ was. Hij zal als vader van zeven opgroeiende kinderen verlangend hebben uitgezien naar een eigen predikant bij wie hij met zijn gezin kon kerken en bij wie hij en zijn vrouw ook met vertrouwen de kinderen ter catechisatie konden laten gaan.

1) Met dank aan ds. J.K. Vlasblom te Ter Aar, die mij enkele gegevens uit dit handschrift mededeelde.