Terug naar Ecclesianet.nl

Soren Kierkegaard (III, slot)

Dr. H. Klink, Hoornaar

We zagen in het vorige artikel dat Kierkegaard in zijn studentenjaren en in zijn verkeringstijd toegroeide naar een leven, waarin hij verantwoordelijkheid dragen kon. Zowel zijn zich bezig houden met Socrates en Plato als zijn verkering en verloving met Regine Olsen hebben ertoe bijgedragen dat er een goede toekomst voor hem openging. Daar kwam bij dat hij hoopte op een universitaire betrekking.
In zijn proefschrift en uit dagboekaantekeningen merkt men dat er licht in zijn leven begon te komen. Mede door het lezen van Hamann, zo beweerde ik, heeft hij Socrates anders gelezen dan Hegel, is hij zich bewust geworden van het gevaar van de revolutiegeest, keerde hij zich af van de ideologische wijsgeer Fichte en van de dweperige denkers die zich vooral in Duitsland voordeden. En zo zien we voor ons een zeer veelbelovende, geniale jongeman die zich bewust wordt van het feit dat hij niet als een “fladderaar“ kan gaan leven, niet onbetrokken tot de dingen kan staan, maar dat hij iemand worden moet, die zowel naar zijn aanstaande vrouw toe als naar de kerk toe zijn talenten gebruiken mag.

De breuk met Regine Olsen
Helaas is het niet zo dat deze lijn zich in Kierkegaards leven heeft voortgezet. Want, gaandeweg kwam zijn verhouding tot Regine onder druk te staan. Onder een druk die volstrekt van hem alleen uitging. Kierkegaard begon steeds meer vragen te stellen bij zijn verloving: mocht hij de verloving met Regine aanhouden, of niet? Hij kwam tot de conclusie dat dit niet het geval was en na enkele maanden verbrak hij de verbintenis.
De vraag is natuurlijk welke reden daaraan ten grondslag lag. Er is veel over geschreven en er blijven veel onduidelijkheden en vragen. Aan Regine Olsen lag het niet. Zo was hem toegewijd en ze was zeer trouw van karakter. Ze heeft er alles aan gedaan om de verloving te redden.
De oorzaak lag geheel bij Kierkegaard zelf. Het is niet makkelijk te achterhalen wat zijn drijfveren waren en wat er allemaal mee te maken had. We tasten voor een deel in het duister. Was Kierkegaard geschikt voor het huwelijk? Hij heeft het zichzelf afgevraagd. Daarbij kwam dat hij tijdens zijn verloving met de vraag kampte of hij het haar aan mocht doen met hèm te trouwen.
De discrepantie tussen hen beiden was groot, zowel wat karakter betreft als wat betreft begaafdheid. Hij was uitgesproken zwaarmoedig van karakter, zij was dat niet. Hij had een briljante geest, wat van haar zo niet gezegd kon worden. De verschillen tussen beiden waren erg groot.
Maar waren ze onoverkomelijk? Hij kon er zeker van uitgaan dat zij hem trouw zou zijn, ook al begreep zij van zijn zorgen en van zijn gedachten niet alles. Maar in hoeveel huwelijken is dat niet het geval? Hoezeer kunnen een man en zijn vrouw elkaar aanvullen, juist in hun verschillend zijn! Als beiden de verschillen niet zo zwaar laten wegen, dat ze fnuikend worden in het huwelijk, kan er van wederzijdse bevruchting sprake zijn, waardoor het leven van een man en dat van een vrouw enorm verrijkt kunnen worden. En van dit laatste was al sprake in Kierkegaards leven tijdens zijn verlovingstijd. Zoals we zagen in het vorige artikel, heeft Kierkegaard de genadige invloed van zijn verhouding tot Regine in het laatst van zijn studietijd ondervonden.
Toch heeft hij gemeend de verloving te moeten verbreken. Langzamerhand heeft hij haar er op voorbereid. Zij wilde het niet aanvaarden en zei dat ze een dergelijke breuk niet te boven zou komen. Hij zag het desalniettemin als zijn plicht - ter wille van haarzelf, zo hield hij zich voor - de breuk te forceren.
Laten we niet denken dat dit hem gemakkelijk is afgegaan. Om het zichzelf en haar niet moeilijker te maken dan nodig was, heeft hij na de verbreking van zijn verloving een reis ondernomen naar Berlijn, waar hij enkele maanden doorbracht. Deze maanden zijn erg belangrijk geweest in het leven van Kierkegaard. Hij heeft er de verbreking van zijn verloving in betreurd en kwam langzamerhand tot de conclusie dat de verloving niet verbroken had hóeven te worden. In deze maanden heeft hij geprobeerd om zijn handelwijze in het licht te zien van de bijbel. In het boekje dat hij toen schreef, Vrees en Beven, legt hij zijn eigen leven aan tegen Abraham, die geroepen was om het liefste wat hij had op te geven. Hij belicht deze gang van Abraham als een beproeving. In het boekje dat hij daarna schreef, De Herhaling, geeft hij aan dat er een nieuw begin mogelijk is door het geloof. Abraham kreeg zijn zoon weer terug, nadat hij de beproeving had doorstaan. Was iets dergelijks ook niet bij hem mogelijk? Was er een herhaling?
Ja, hij ís tot die conclusie gekomen. Hij had zijn verloving niet hoeven te verbreken en hoopte op een herstel van de verhouding.
In die hoop reisde hij terug naar Kopenhagen. Eén van de eerste dingen die hij daar hoorde was dat Regine zich inmiddels met een ander verloofd had. Dit is voor Kierkegaard een geweldige slag geweest. Vlak voordat zijn boekje De Herhaling ter perse ging, heeft hij het slot ervan ingrijpend veranderd.

Een inbreuk op zijn ontwikkelingsgang
Dat zijn verloving door hem verbroken is en dat er geen mogelijkheid meer was tot herstel is een geweldige inbreuk geweest op de ontwikkelingsgang van Kierkegaard. Dat het zo is gegaan, dat hij zo heeft gehandeld of zo heeft moeten handelen, zoals hij dacht, valt zeer te betreuren. En wel hierom, omdat Kierkegaard door deze breuk nog méér alleen is komen te staan in zijn leven. Hij is er nóg meer door vereenzaamd en daardoor nog meer een zonderling geworden dan hij was.
De gevolgen zijn in zijn latere geschriften als met de handen te tasten. We moeten stellen dat er prachtige dingen in staan. Vooral zijn Stichtelijke Redenen bevatten juweeltjes van bijbelse gedachten. En ook in zijn boekje Filosofische Brokken weet hij op een fraaie wijze het werkelijk christelijke geloof te belichten. Deze boeken werden enkele jaren na de breuk met Regine, die inmiddels getrouwd was, geschreven. De boeken die Kierkegaard schreef, leverden hem bovendien veel spot op, zodat hij nog meer gehoor gaf aan zijn aangeboren neiging om zich terug te trekken in zijn eigen denk- en leefwereld. Dit is natuurlijk niet zonder gevolg geweest op de boeken die hij schreef. Hij werd er steeds kritischer door naar de bestaande kerk en naar de christenheid. Met andere woorden: Kierkegaard werd steeds exclusiever.
Waar hij in zijn studentenjaren steeds meer (door Socrates, Plato en Regine Olsen) de zegen ervoer van de schepping (het huwelijk is een scheppingsinstelling en brengt ons in aanraking met de fundamenten ervan), daar geraakte hij in zijn latere jaren steeds meer af van het schepselmatige karakter van ons leven. Dit valt onder andere op te maken daaruit dat hij bezwaren begon te krijgen tegen zijn eigen dichterlijke manier van spreken van vele van zijn Stichtelijke Redevoeringen. Moest hij het christelijk geloof niet in al zijn schrilheid laten zien? Moest hij de mensen niet laten zien dat ze álles omwille van het Koninkrijk der hemelen op moesten geven? Bijna is men geneigd te schrijven: zoals hij dat gemeend had te moeten doen? En ligt daar niet een groot manco van zijn latere geschriften: ze zijn te exclusief omdat hij zíjn leven exclusief als norm stelde.
Dat zijn tijdgenoten daar niet in meegingen, verweet hij hun. Zo kwam hij ertoe radicale kritiek uit te oefenen op de kerk en ook op bisschop Mynster, de bisschop voor wie hij als zodanig respect had, omdat hij zijn vader op een goede wijze pastoraal begeleid had. In de laatste boeken die hij schreef - Oefening in het christendom en Schotschriften - heeft hij in feite met de bisschop gebroken.

Wat te betreuren valt
Wat is hij er eenzijdig door geworden! Dat valt zeer te betreuren. Immers: in zijn proefschrift over Socrates geeft hij er blijk van dat hij de revolutiegeest van zijn dagen onderkende en bereid was deze te bestrijden. Heel fraai geeft hij aan dat deze gekenmerkt wordt door kritiek, hyperkritiek op het bestaande als zodanig. Hij kan deze hyperkritiek niet billijken. Integendeel hij wijst deze af. We moeten echter constateren dat hij later, weliswaar op een andere wijze, in dezelfde fout vervalt, die hij ooit bestreed.
Dat is méér dan jammer, omdat hij, uitgerekend híj, zoveel had kunnen betekenen voor de kerk en het christendom als hij in déze lijn verder gegaan was. Zo is het echter niet gegaan. Zozeer heeft hij de prediking van zonde en genade in zijn boeken belicht, dat het goede van de schepping zélf onder druk is komen te staan.
Iemand die daar ten onzent op gewezen heeft is de hoogleraar Maarten van Rhijn. Deze had als ethisch theoloog wel waardering voor Kierkegaard, maar hij signaleerde in zijn boekje Sören Kierkegaard, een indruk van zijn leven en denken in 1941 dat hij op dit punt van de leer en de belevingswereld van de kerk afweek. En daarin had hiji gelijk. Hij had daar speciaal oog voor omdat in zijn tijd Karl Barth Kierkegaard zo uitlegde. Van Rhijn wist als weinig anderen dat men dezelfde tonen als bij Kierkegaard ook tegenkwam bij de ethischen als Gunning en Chantepie, alleen, altijd binnen het raam van de schepping en eerbied voor de schepping.
Juist in de tijd van Kierkegaard, aan het begin van de 19e eeuw, zou het zo nodig geweest om de Europeanen te wijzen op het fatale van de revolutiegeest, omdat deze brak met de schepping en met Gods scheppingsbedoeling en brak met al het bestaande! En Kierkegaard zou daar als weinig anderen toe in staat geweest zijn, gezien zijn dichterlijke aard en gezien het feit dat hij werkelijk kostelijke dingen geschreven heeft over het huwelijk. Hij doet dit zowel in het boek Of - of, als in het boek Stadia op de Levensweg, waarin hij er blijk van geeft dat hij zich helemaal verplaatsen kan in de gedachtewereld van een gehuwd man en voortreffelijke schrijft over de betekenis van het huwelijk, zoals dit door God gegeven is.

Ontwikkelingen in de 20e eeuw binnen het protestantisme
Dit alles valt zeer te betreuren, omdat juist de zo kritisch ingestelde Kierkegaard in de filosofie en in de theologie maar al te zeer met gedrevenheid naar voren werd gebracht. Dit is vooral in de 20e eeuw gebeurd door de Zwitserse theoloog Karl Barth, die elke vorm van natuurlijke theologie en denken vanuit de schepping afwees. Hij beriep zich daarbij aanvankelijk op Kierkegaard. De ‘kennismaking’ met Kierkegaard heeft van hem een kritisch theoloog gemaakt, die op den duur heel het historische afwees en onder kritiek stelde. Zo is Barth zich gaandeweg meer en meer gaan bewegen in het vaarwater van het socialisme.
Deze ontwikkeling valt zeer te betreuren. Het heeft de 20e eeuwse kerk buiten het vaarwater van de katholica gehouden en gebracht op een open zee, waar ze overgeleverd is aan de golven van de tijdgeest. Dat valt niet alleen te betreuren, het is ook erg bitter. Bitter is het dat er geen kerk is, die het op authentieke wijze op durft te nemen voor de schepping, voor het: “zo schiep God de hemel en de aarde“. Die kan zingen, zoals dat gebeurt in Psalm 68 en Psalm 104 en die iets ervaart van het grootse van de ontmoeting van man en vrouw, zoals bijvoorbeeld John Milton deze belicht heeft in zijn Het paradijs verloren. Het is erg dat er geen kerk meer is die het opneemt voor het: “God schiep de mens als man en vrouw“. De nieuwe kerkorde is er een schoolvoorbeeld van. Het is bitter dat er geen oog meer is voor het: “en God zag dat het goed was“. De moderne media brengen ons in alle schrilheid in aanraking met het gemis aan dát besef!
Omdat dit spoor verlaten is, is het zó geworden dat in onze protestantse kerken het libertinisme hoogtij viert: alles mag en alles kan. En dat terwijl in de kerk, die werkelijk kerk is (en leeft uit de schepping) er grenzen gesteld worden.
In het licht van het bovenstaande is de breuk van Kierkegaard met Regine Olsen zeer, zeer te betreuren. Onze conclusie moet dan ook zijn: alleen hij of zij die oog heeft voor de fatale omslag in de ontwikkeling bij Kierkegaard is in staat hem goed te beoordelen en recht te doen. Maar de conclusie kan geen andere zijn dan: was het huwelijk met Regine Olsen maar doorgegaan! Wat zou het Kierkegaard zelf goed gedaan hebben. Het hele protestantisme zou ermee gebaat zijn geweest.