Terug naar Ecclesianet.nl

Van Lonkhuijzens proefschrift over Kohlbrugge (1905)

M. den Admirant, ’s-Gravenhage

Op de 15de december van het jaar 1905 verkrijgt ds. J. van Lonkhuijzen*), gereformeerd predikant te Aarlanderveen, aan de Vrije Universiteit te Amsterdam de graad van doctor in de heilige godgeleerdheid. Zijn lijvig proefschrift heeft als titel Hermann Friedrich Kohlbrügge en zijn prediking, in de lijst van zijn tijd. Een eeuw na verschijning wordt deze studie nu en dan nog geraadpleegd en geciteerd.
Van Lonkhuijzen heeft zich ten doel gesteld, Kohlbrugge in zijn betekenis en invloed te schetsen en zijn beginselen kritisch te behandelen. Wat de auteur persoonlijk in Kohlbrugge aantrok, was niet alleen de man van karakter en beslistheid, de onwrikbare getuige, maar ook het getuigenis zelf dat hij bracht. Zijn ijveren voor de majesteit des Heren en de heiligheid van Gods recht, zijn machtige verkondiging van de vergeving van onze zonden door het bloed van Christus, lokten tot nader onderzoek uit. Van Lonkhuijzen zegt dat zijn taak niet gemakkelijk was. Elke biografie heeft haar bezwaren, omdat de mens een mysterie is. Ten aanzien van Kohlbrugge geldt dit in dubbele mate. Hij behoort immers tot de personen die men niet op het eerste gezicht ontcijfert.
Aan de dissertatie ligt een gedegen bronnenonderzoek ten grondslag. De auteur raadpleegde niet alleen vele geschriften, maar ook tal van bewaard gebleven brieven van Kohlbrugge, alsook het manuscript van het Dagboek van Willem de Clercq. Inlichtingen en hulp kreeg hij van Kohlbrugges kleinzoon dr. J.H.F. Kohlbrugge, van dr. J.W.F. Gobius du Sart (destijds predikant te Woudrichem) en van andere vrienden van Kohlbrugge in Nederland en Duitsland.
Van Lonkhuijzens boek omvat ruim 550 bladzijden. Na een inleidend hoofdstuk over de tijd van Kohlbrugge, wijdt de auteur bijna 300 pagina’s aan diens leven en nagenoeg 200 bladzijden aan zijn prediking. Hij komt tot de slotsom dat in de persoon van Kohlbrugge in de strijd tegen het oppermachtig liberalisme ‘een held des geloofs als weinigen’ verscheen. Kohlbrugge moge soms in het vuur van de strijd de voorzichtigheid hebben vergeten, het was hem om de eer van zijn God te doen en met alle kracht van het geloof streed hij voor de waarheden die de fundamenten van de christelijke Kerk vormen. De soevereiniteit Gods en de absolute afhankelijkheid van de mens, de rechtvaardiging van de zondaar door het geloof in Christus zonder de werken der wet, heeft hij ons volk voorgehouden. Zeer juist heeft hij in het licht gesteld dat het geloof voorop gaat. Niet minder krachtig heeft hij op het hart gebonden dat men om heilig te worden eerst heilig moet zijn, en niet omgekeerd. Hij heeft Gods volk in Nederland gemaand, geen troost in zichzelf te zoeken, in gestalten of bevindingen, en hen geleid naar de bron van troost buiten hen, in God, in de zekerheid van Zijn Woord. Hij predikte Christus als de volkomen Zaligmaker.
Bij alle waardering voor Kohlbrugges prediking mag men die, aldus Van Lonkhuijzen, toch niet overschatten. Het is volgens hem een illusie dat Kohlbrugge in zijn voorstelling van de waarheid tal van moeilijkheden waarop christendenkers, zowel onder de kerkvaders als onder de reformatoren, waren gestuit, te boven is gekomen. In wat als het bijzondere van zijn voorstelling mag worden beschouwd is Kohlbrugge geneigd één der zijden van het probleem, en wel de menselijke factor, prijs te geven. De hoofdgedachte van zijn prediking is: God alles, de mens niets. Zijn stelregel is: wij moeten een nul blijven. Volgens Van Lonkhuijzen ligt hierin het gevaar, dat ontkend wordt dat de mens als zodanig, als schepsel Gods ‘iets’ is. Het devies ‘God alles, de mens niets’, door Kohlbrugge zo uitnemend bedoeld, heeft hij niet op de juiste wijze uitgelegd of tot de juiste maat gebracht. Dit komt tot uiting in verschillende onderdelen van zijn theologie: het Beeld Gods en de val van de mens, de vleeswording des Woords, de heiligmaking en het Woord Gods. Maar het bijzondere en eenzijdige in Kohlbrugges prediking daargelaten, erkent Van Lonkhuijzen met grote beslistheid diens verdienste voor het gereformeerde volk van Nederland. Vele reformatorische waarheden, die nog wel onder de eenvoudigen in den lande bewaard waren gebleven, maar in haar kracht, troost en rijkdom niet meer werden verstaan, heeft Kohlbrugge met nieuwe gloed doen schitteren. Hij heeft ze weer aan het licht gebracht, niet als gevolg van schoolse studie of wetenschappelijk onderzoek, maar als de uitdrukking van een muurvast geloof. Onze roeping is, voort te bouwen op de door hem blootgelegde reformatorische grondwaarheden.

Dr. Lochers kritiek
In de kring van vrienden van Kohlbrugge was men met Van Lonkhuijzens boek niet zo gelukkig. Met name dr. J.C.S. Locher, destijds predikant te Waspik, uit in zijn in 1908 verschenen geschrift Toelichting en verweer veel kritiek. Zelfs het biografisch deel van de dissertatie bevredigt hem niet, al is hij ‘dankbaar voor zoveel wetenschap in dit omvangrijk werk, waaraan veel studie is besteed’. Personen van leeftijd en ervaring, die dr. Kohlbrugge goed hebben gekend, hebben een uitvoerige levensbeschrijving niet aangedurfd, aldus Locher. Hij vindt het ook de tijd nog niet om zulk een werk over Kohlbrugge te schrijven. Eerst een volgend geslacht zal dat met de nodige objectiviteit kunnen doen.
Dr. Locher heeft echter vooral kritiek op het gedeelte over de prediking, de waarheid die Kohlbrugge uit de Schrift heeft geput. In weerwil van vele waarderende woorden wordt ze in een onjuist licht geplaatst, verkeerd verstaan en weergegeven en ten dele scherp bestreden. Ondanks talrijke citaten geeft Van Lonkhuijzen Kohlbrugges gevoelen lang niet altijd zuiver weer. De vooroordelen tegen diens troostrijke prediking worden zodoende versterkt.
Kohlbrugge is verweten dat hij iets aparts, iets bijzonders wilde en kritiek had op wat de hervormers en hun opvolgers leerden. Maar, zo vraagt Locher, is het niet mogelijk dat sommige punten der waarheid nog duidelijker kunnen worden uiteengezet dan in de tijd van de Hervorming? Zelf was Kohlbrugge van mening, dat hij juist de lijn van de hervormers doortrok, bijvoorbeeld op het punt van de rechtvaardigmaking en de verkiezing, en ook van de heiligmaking. Volgens Locher is hij niet buiten de lijn van onze belijdenisgeschriften gegaan, als men hem maar goed verstaat en niet enkele gezegden uit hun verband rukt. Juist datgene wat in de hervormers en de belijdenisschriften leeft en ademt, dat leeft ook bij hem: de heilige eerbied voor Gods Wet, het roemen in Gods vrije genade in Christus Jezus.
 
In de eeuw die sinds de verschijning van Van Lonkhuijzens boek is verstreken, hebben vele andere geschriften over Kohlbrugge het licht gezien. Toch wordt de studie uit 1905, althans het biografisch gedeelte, af en toe nog geraadpleegd en aangehaald. Speciaal wat de Nederlandse levensperiode van Kohlbrugge betreft, blijft het boek een nuttige informatiebron, waaruit dankbaar wordt geput.

*) Jan van Lonkhuijzen, geboren te Kesteren in 1873, studeerde aan de Vrije Universiteit en werd in 1899 predikant van de gereformeerde kerk van Wilnis. Van 1902 tot begin 1908 stond hij in Aarlanderveen. Vervolgens was hij enige tijd gedelegeerde in de Hollandse kerken van Argentinië. Na zijn terugkeer in Nederland diende hij van januari 1909 tot september 1911 de gereformeerde kerk van Rijswijk (Z.H.). Van 1911 tot 1918 was hij predikant van de Chr. Reformed Church of Grand Rapids, daarna diende hij die van Chicago. Terug in Nederland stond hij van 1928 tot aan zijn emeritaat in 1939 in Zierikzee. Hij overleed in 1943.