Terug naar Ecclesianet.nl

Westers recht en de aard van de sharia (I)

Op een zorgwekkende wijze worstelen veel Europese
landen met de integratie van grote en minder grote
aantallen moslims binnen hun samenlevingen. Inmiddels
is er geen krant meer te vinden die niet dagelijks
meerdere ‘islamgerelateerde’ berichten uit binnen- en
buitenland publiceert. Wie dit aan het begin van de
eeuwwisseling had durven voorspellen was ongetwijfeld
meewarrig aangekeken, maar inmiddels kan niemand
er meer omheen. De islam manifesteert zich in
diverse verschijningsvormen steeds duidelijker in het
publieke domein en dringt zich met een verontrustende
power aan ons op. Een verontrusting die hoogstwaarschijnlijk
ook gevoed wordt door de verwarring
omtrent onze eigen Europese identiteit.
Ook de kerk in Europa lijkt al enige tijd onderhevig
aan dezelfde verwarring. De afgelopen weken werd
dat weer eens pijnlijk duidelijk door uitspraken van
zowel een Engelse als een Duitse (aarts)bisschop. Misschien
wel des te pijnlijker vanwege het feit dat in
Europa, zowel onder burgers als in de politiek, de
belangstelling voor de joods-christelijke wortels van de
Europese cultuur toeneemt. Verschillende vertegenwoordigers
van de kerk doen die, op zichzelf, hoopvolle
ontwikkelingen met hun omstreden stellingnamen
in ieder geval geen goed.
Prominent in de media waren vooral de uitspraken
van Rowan Williams, de aartsbisschop van Canterbury.
Volgens hem is het onvermijdelijk dat Groot-
Brittanië op den duur elementen uit de sharia, de
islamitische wetgeving, overneemt. Sterker nog, de
aartsbisschop bestempelt de gedachte dat er één wet
voor iedereen is, waarbij andere geboden die om
iemands loyaliteit en trouw vragen volstrekt irrelevant
zijn bij rechtszaken, als een gevaar. Kortom, we
moeten constateren dat sommige burgers niet zoveel
hebben met het Britse rechtssysteem. Om de sociale
cohesie te bevorderen zou het daarom goed zijn
om bepaalde aspecten van de sharia te erkennen. De
aartsbisschop denkt dan in eerste instantie aan het
personen- en familierecht.
Minder in het nieuws waren de uitspraken van de
voorzitter van de Duitse evangelische bisschoppenconferentie,
Robert Zollitsch, waarover der Spiegel publiceerde.
De Duitse bisschop benadrukte de bouw van
moskeeën te ondersteunen en zei graag behulpzaam
te willen zijn bij het integreren van moslims in Duitsland.
Nu is godsdienstvrijheid een belangrijk recht,
maar dat de kerk de bouw van moskeeën zou moeten
ondersteunen, komt mij vreemd voor. Opmerkelijk
is dat zowel Rowan Williams als ook Robert Zollitsch
het opnemen van respectievelijk bepaalde elementen
van de sharia en de ongeremde bouw van moskeeën
(zonder stil te staan bij wat daar voor stroming achterzit)
als voorwaarden voor een succesvolle integratie en
bevordering van de sociale cohesie presenteren.

De moeilijkheid van een juist verstaan van de sharia
Over wat de sharia nu precies inhoudt, is een heel
palet aan opvattingen en visies beschikbaar. Het pro-
bleem bij de beantwoording van die vraag is het feit
dat de sharia nu eenmaal niet eenduidig wordt toegepast
in de islamitische wereld en dat er derhalve ook
geen consensus bestaat over de precieze strekking en
inhoud van de sharia. De sharia in Saoedi-Arabië en
Iran komt niet overeen met de toepassing van islamitische
wetgeving in bijvoorbeeld Egypte en Indonesië.
Waar in de eerstgenoemde landen de sharia bovendien
voor vrijwel het gehele daar geldende rechtsstelsel
de basis is, blijft het in andere islamitische landen
beperkt tot enkele rechtsgebieden.
De bewustheid van deze verschillen is op zichzelf
wel goed, maar fungeert voor veel westerse wetenschappers
eerder als een valkuil. Het vertroebelt niet
zelden het zicht op de aard, het wezen en de grondslagen
van de sharia, wat voor een goed begrip van
de islamitische wetgeving en de islam als geheel nu
juist zo belangrijk is.
De meeste wetenschappers houden zich voornamelijk
op een praktisch niveau bezig met de inhoud
van de sharia en vergelijken deze vervolgens met westerse
maatstaven die voornamelijk afgeleid worden uit
de beginselen van de democratische rechtsstaat en de
mensenrechten. Waartoe dit pragmatisme kan leiden,
wordt duidelijk in het boek Sharia, Islam tussen recht
en politiek van de hoogleraar Maurits Berger: ‘In vele
opzichten zou men kunnen betogen dat de Nederlandse
welvaartsstaat al voldoet aan de eisen van
de islamitische staat, en de Sharia grotendeels overeenkomt
met de Nederlandse wetgeving’. Het lijkt er
momenteel niet op dat veel moslims in Nederland die
mening ook zijn toegedaan, maar dat terzijde.
Deze blindheid van westerse leiders en wetenschappers
voor de aard van door de islam beïnvloedde culturen
is enige tijd geleden goed beschreven in het boek
The Suicide Of Reason van de Amerikaanse schrijver
Lee Harris. In zijn boek onderscheidt Harris twee soorten
fanatisme. De ene soort sluit aan bij wat we hierboven
zagen. Harris beschrijft hoe het ‘fanatisme’ van
de rede de westerse samenlevingen infecteert. Westerlingen
zien islamitische culturen enkel als andere versies
van de wereld die zijzelf kennen en gaan ervan
uit dat de dominante waarden die zij kennen ook in
de islamitische wereld te vinden zijn. Volgens Harris is
dit een fatale misrekening en slaagt het westen er niet
in zowel de eigen geschiedenis als de werkelijke aard
van de tegenstrevers op waarde te schatten.
Vervolgens onderscheidt Harris islamitisch fanatisme.
Dit fanatisme is een geduchte vijand in de strijd
om cultureel te overleven. Het functioneert binnen de
islam als een schild tegen verandering van buitenaf.
Het bewerkstelligt tegelijkertijd de verspreiding van
de islam in andere culturen en gebieden. Harris verdedigt
met verve zijn stelling dat ‘waar de islam zich
heeft verspreid, daar vond een totale en revolutionaire
verandering in de cultuur van de overwonnenen of
bekeerden plaats’.
Door het blinde geloof in de rede kunnen westerlingen
het islamitische fanatisme heel moeilijk werkelijk
interpreteren. Zij doen dat binnen kaders die hun
wel vertrouwd zijn om vervolgens oplossingen te willen
vinden die passen binnen de doctrine van de rede,
die zij aanhangen. Harris wijst er echter op dat men
binnen het kader van de rede het fanatisme dat de
islam voor een belangrijk deel kenmerkt niet werkelijk
kán begrijpen. Daardoor staat men veelal argeloos
tegenover het feit dat veel “moslims vanaf het vroegste
begin geïndoctrineerd zijn met een beschamende code
die een fanatieke afwijzing verlangt van alles dat de
hoogste macht van de islam omver dreigt te werpen”,
aldus Harris.

Maarten Neuteboom, Leiden