Terug naar Ecclesianet.nl

Een Fundgrube voor theologen en predikanten (II)

Voor elk wat wils?
In ons vorige artikel over het meest recente boek van
prof. Hengel (en Anna Maria Schwemer) zagen we
dat Hengel zich heel duidelijk rekenschap geeft van de
vraag hoe wij de Evangeliën en de Here Jezus Christus
in de nieuwtestamentische wetenschap het best kunnen
benaderen. Over deze vraag is in de afgelopen
eeuwen veel te doen geweest. Hengel haalt in dit verband
een uitspraak aan van de bekende theoloog en
arts Albert Schweitzer (1875 - 1965), die in het begin
van de 20e eeuw furore maakte met zijn boek over het
onderzoek naar het leven van Jezus (Geschichte der
Leben-Jesu Forschung). Schweitzer plaatste grote vraagtekens
bij de tot dan toe behaalde ‘resultaten’: iedereen
schreef over Jezus al naar gelang het hem uitkwam. Hij
stelde ondermeer dat degene die onderzoek doet naar
het leven van Jezus, allereerst intens betrokken moet zijn
op de persoon van Jezus (hij spreekt zelfs over ‘liefde en
haat’) en oog moet hebben voor het unieke in het optreden
van Christus, ja (ik citeer) “het bizarre”.
Deze opmerking, die Hengel in zijn boek aanhaalt,
biedt hem de gelegenheid om zijn eigen opvattingen
omtrent het nieuw-testamentisch onderzoek duidelijk
te maken. Want hoezeer Hengel Schweitzer en anderen
ook recht wil doen, hij schuwt kritiek op hen niet.
Hengel noemt Schweitzers opmerkingen pathetisch en
stelt dat ze groen licht geven aan een grote mate van
subjectieve vrijheid. Die te grote vrijheid valt ook op te
merken in Schweitzers eigen boek over Jezus, dat niet
vrij is van ‘romanachtige trekken’. Hetzelfde zou hij
kunnen zeggen van het boek van Ernest Renan (1823
- 1892), Vie de Jésus, dat in 1863 in Frankrijk veel
stof deed opwaaien. Dezelfde ‘romanachtige’ trekken
treft Hengel ook aan bij latere nieuwtestamentici, die
vanuit een radicale twijfelzucht of vanuit de wens om
een politiek correcte boodschap over te brengen, over
Jezus Christus schrijven.
Subjectivisme troef dus in het onderzoek naar het
leven van Christus. Hengel komt, als hij het hele veld
van opvattingen over de Here Christus in de 19e en
20e eeuw overziet, tot de navrante conclusie: “Slechts
één ding mag bij dit kabinet van wassen figuren
van de nieuwste opvattingen over Jezus niet meer
genoemd worden. Dat éne moet zelfs zo ver mogelijk
bij Hem vandaan gehouden worden, nl. Jezus als de
Christus!” Met andere woorden: Hij mag uitgerekend
dat niet zijn, wat de Kerk van meet af aan van Hem
getuigd heeft!
Hengel bekritiseert deze subjectivistische houding
ten enenmale. Juist om die reden weet hij waarderende
woorden te spreken over William Wrede
(1859 - 1906), die in zijn vroege jaren weliswaar tot
de conclusie meende te moeten komen dat Jezus zichzelf
niet zag als de Messias, maar daar later op terug
kwam. Hengel prijst zijn eerlijkheid en zijn voorzichtigheid.
Deze voorzichtigheid mist hij bij Rudolf Bultmann,
die een leerling van Wrede was. Tegen zijn
school keert Hengel zich het dan ook het meest.
Eerlijk historisch onderzoek
Dit alles brengt Hengel ertoe om te pleiten voor eerlijk
en bezonken historisch onderzoek. Eerlijk onderzoek
kan de grondlijnen vaststellen van wie Jezus Christus
geweest is, kan omtrekken waarnemen, kan sporen
zien en vast leggen. Men kan het werk van een goed
nieuwtestamenticus vergelijken met het ambacht van
een houtsnijder, die met veel zorg te werk gaat als hij
iemand wil uitbeelden. De contouren van degene die
uitgebeeld wordt zijn door zijn werk duidelijk aanwezig.
Dit ambacht wil Hengel beoefenen. En het is
z.i. zeer wel mogelijk om dat naar eer en geweten te
doen. Want het is de vraag of men wel kan spreken
van ‘schaarste’ aan bronnen. Over niemand uit de
‘oude wereld’ is ons immers zoveel overgeleverd als
over Jezus van Nazareth.
Hengel beseft maar al te goed dat het “houtsnijwerk”
van de nieuwtestamenticus nooit zelf voorwerp
van geloof kan worden. Geloof komt voort uit
de eigenlijke ontmoeting met de werkelijke Christus.
Hem treft men aan in de prediking van de oerchristelijke
gemeente. Maar historisch onderzoek kan duidelijk
maken dat de verkondiging van de oerchriste-
lijke gemeente “een innerlijke consequentie” is van het
optreden van Jezus. Haar verkondiging hing niet in
de lucht, was niet door haarzelf bedacht, maar had
alles te maken met het leven en sterven van Christus en
diens verkondiging van het Koninkrijk Gods.

De bronnen – de betekenis van Marcus en de mondelinge traditie
Dat brengt ons tot de vraag welke bronnen ons ter
beschikking staan. Deze zijn:
1. De brieven van Paulus.
2. Vooral de vier Evangeliën.
3. Verschillende andere nieuwtestamentische en vroegchristelijke
geschriften, waarin men sporen aantreft
van mondelinge overlevering omtrent Christus.
4. Daarnaast zijn er sommige geschriften van buiten
de christelijke traditie, die berichten over Jezus’
leven (bijv. Flavius Josephus en Plinius).
Hengel hecht heel veel belang aan het Evangelie van
Marcus. In de 19e eeuw stelde men al dat Marcus
in zijn Evangelie geput heeft uit mondelinge traditie.
Vooral van Petrus’ getuigenis was hij afhankelijk. Hengel
onderschrijft dit in hoge mate. Men had toen echter
nauwelijks oog voor het feit dat wij in het Marcus-
Evangelie niet van doen hebben met een biografie
zondermeer. Daardoor bleef het onderzoek naar het
leven van Jezus onbevredigend. Het Marcus-Evangelie
is echter een “kerygmatische biografie”, een biografie
met een verkondigend karakter. De auteur vertelt die
dingen, die beantwoorden aan zijn doel. Dat doel is:
een dramatisch getuigenis te geven van het leven van
Christus, als Heiland der wereld. De climax van Zijn
leven ligt in zijn kruis en opstanding. Door zo te werk
te gaan, heeft Marcus een prestatie geleverd van formaat.
Hij heeft een ‘genre’ literatuur geschapen dat
uniek is en in zijn tijd niet bestond.
Marcus’ biografie heeft een verkondigend karakter.
Hij wil ermee aangeven: toen en daar is het heil in
de geschiedenis gekomen. In de korte tijdspanne vanaf
de doop van Christus tot aan zijn opstanding! Dit verkondigend
karakter van het Evangelie mag men niet
over het hoofd zien. Men overvraagt het Evangelie als
men op zoek gaat naar een volledig ‘leven van Jezus’.
Maar men doet het ernstig tekort als men vanwege het
karakter van verkondiging vraagtekens zet bij de historiciteit.
Het is het getuigenis van de dingen die tot
heil van de wereld gebeurd zijn! Als zodanig vertelt
Marcus ons heel veel. Geen zinnig mens kan twijfelen
aan de historiciteit van de grote lijnen die Marcus trekt:
Jezus is gedoopt in de Jordaan, Hij is zijn prediking
begonnen in Galilea, waar Hij wonderen verrichtte.
Na zijn verheerlijking op de berg is Hij naar Jeruzalem
getrokken, waar Hij gekruisigd werd en waar Hij
drie dagen daarna door zijn jongeren als de Levende
is ontmoet. Hij heeft zichzelf dus, vooral in Jeruzalem
bekend gemaakt als de beloofde Messias en in zijn
opstanding bewees Hij dit te zijn.
Zoals gezegd: Marcus geeft het stramien waarop het
boek van Hengel gebouwd is. Natuurlijk betrekt Hengel
bij zijn onderzoek ook het werk van de andere
evangelisten, Mattheüs en Lucas. Zij schreven na Marcus
en gebruikten het Marcus-Evangelie als bron. Ook
andere bronnen stonden tot hun beschikking. Zo staan
er in het Evangelie van Mattheüs gelijkenissen die
Lucas en Marcus hebben opgetekend. Ook Lucas heeft
zijn eigen bronnen gehad. Johannes putte daarentegen
uit een geheel eigen traditie.
Achter de Evangeliën ligt dus een mondelinge traditie.
De Here Christus sprak zo dat zijn woorden
gemakkelijk konden worden onthouden. Men hoeft
maar te denken aan de gelijkenissen, die enig in hun
soort zijn en aan de vele puntige uitspraken, die Hij
deed. Wellicht werden ze voor een deel al tijdens zijn
leven opgetekend. Daarnaast waren er de getuigenissen
van ooggetuigen, ondermeer van de discipelen,
maar ook van de vrouwen die Jezus volgden,
van enkelingen als Jozef van Arimathea en Bartimeüs
en vooral van Maria. Zo is er een direct verband tussen
de Evangeliën en de vroeg-christelijke gemeente
in Jeruzalem, die voor een belangrijk deel bestond
uit ooggetuigen. In deze gemeente werd gepredikt en
verteld over het leven en sterven van Christus, in een
‘afgerond’ betoog. Het stramien van deze verkondiging
heeft Marcus waarschijnlijk gediend als voorbeeld
voor zijn Evangelie.
Behalve de ‘bijbelse’ traditie zijn er omtrent Christus
ook getuigenissen van buiten-bijbelse schrijvers. De
opmerking van sommigen dat er zo weinig van Jezus
bekend is uit buiten-bijbelse bronnen pareert Hengel
op een heel aardige manier. Hij stelt: er zijn sowieso
uit de eerste eeuw na Chr. weinig geschriften bewaard
gebleven. Het zijn er slechts enkele. En die enkele
geschriften….vertellen over Christus!

Vergezichten
N.a.v. het stramien van het Marcus-Evangelie gaat
Hengel nader in op het leven van Jezus, vanaf de
doop in de Jordaan tot aan de kruisiging en opstanding.
Hij gaat in op Jezus’ prediking, op de wonderen
die Hij verrichtte, op zijn gang naar Jeruzalem, op
de instelling van het Heilig Avondmaal en de duiding
daarin van het lijden, op het proces dat plaatsvond,
op de kruisiging en het getuigenis van de opstanding.
Heel fraai zijn die passages waarin Hengel de Here
Christus vergelijkt met Johannes de Doper of waarin
hij schrijft over de wonderen van Christus, die hij op
goede gronden voor historisch houdt.
Buitengewoon verhelderend zijn de hoofdstukken
over de prediking van het Koninkrijk van God. Dit
moet in Jezus’ prediking en optreden niet beschouwd
worden als iets dat ofwel in de toekomst ligt ofwel in
het heden. Beide is volgens Hengel het geval. Christus
realiseert het Koninkrijk Gods: het is onder u, maar
dan zo dat Christus tegelijkertijd toewerkt naar het
Koninkrijk van God. Om die reden kan Hij het ook
duiden als iets dat in de toekomst verscholen ligt! Er is
in Jezus’ optreden een nauw verband tussen het heden
en de toekomst van Gods Koninkrijk. Zo ontkomt Hengel
aan het valse dilemma dat vaak de kop op stak,
onder andere bij de door hem zeer gewaardeerde
Joachim Jeremias, die stelde dat Jezus de doorbraak
van het Koninkrijk Gods snel verwachtte en min of
meer door laat schemeren dat Hij zich daarin vergist
zou hebben, een opvatting die in Nederland onlangs
nog is verkondigd door de bekende predikant-dichter
dr. A.F. Troost. Bij Hengel treft men geen spoor van
deze gedachte aan. Het tegendeel is het geval.
Een climax bereikt Hengels boek als hij schrijft
over het moeilijke begrip “Zoon des mensen”. Hengel
bewijst onomstotelijk dat Jezus met deze typering, ook
als Hij het heeft over de toekomstige Zoon des mensen
zichzelf heeft aangeduid. Dit blijkt zonneklaar op het
laatst van zijn leven op aarde, vlak voor de kruisiging,
toen Hem door de hogepriester gevraagd werd naar
zijn messianiteit en Hij verwees naar Zoon des mensen
die weldra verheerlijkt zou worden. Daar bleek ten
volle, wat op tal van andere manieren óók naar voren
kwam in Jezus’ leven: dat Hij zichzelf zag en meer
en meer openbaarde als de door God gezalfde Redder
der wereld, die weldra door God verheerlijkt zou
worden. Deze voor de hogepriester uitgesproken verwachting
kreeg een eerste vervulling (realisering) in de
opstanding. De historisch verantwoorde prediking van
de apostelen en de eerste christengemeente rustte op
Jezus’ optreden en woorden!

Ter afronding
Hengel blijkt het terrein zo goed te overzien dat de
lezer voortdurend het gevoel krijgt dat hij over allerlei
kwesties die hij in het nieuwtestamentisch onderzoek
spelen een afrondend oordeel geeft. Het is dan ook
niet voor niets dat ik boven de beide artikelen die ik
schreef de titel plaatste: een Fundgrube voor theologen
en predikanten.
Valt er dan geen kritiek te leveren? In alle bescheidenheid
stel ik dat dit wel het geval is. Hoe zou het
niet? Hier en daar doet de auteur de wenkbrauwen
fronsen en ben ik geneigd te zeggen dat hij zélf niet
de voorzichtigheid in acht neemt, die hij steeds aanraadt.
Dat is het geval als hij aan het begin van zijn
boek de historiciteit van de eerste hoofdstukken van het
Evangelie naar Lucas in twijfel trekt (in het vervolg van
zijn boek lijkt hij daarop terug te komen). Het Johannes-
Evangelie zou ik een grotere plaats toe willen kennen
in de belichting van Christus’ leven, dan Hengel
doet. In dit opzicht deel ik de mening van prof. Ratzinger,
de tegenwoordige paus, die in zijn recente boek
over het leven van Jezus al aangaf, dat hij op dit punt
van Hengels mening afwijkt.
Het behoeft in het licht van het voorgaande geen
betoog dat ik het boek van Hengel en mevrouw
Schwemer buitengewoon waardevol vind. In een
volgend artikel wil ik afsluitend nog ingaan op de
vraag welke betekenis dit boek kan hebben voor de
gemeente van Christus in onze tijd, in het huidige
klimaat in kerk en theologie.

H. Klink, Hoornaar