Terug naar Ecclesianet.nl

Sören Kierkegaard (1813 - 1855) (I)

Dr. H. Klink, Hoornaar

Deze zomer brachten mijn vrouw en ik een bezoek aan Kopenhagen. Dat ik deze stad zo graag eens bezocht, had onder andere te maken met het feit dat Sören Kierkegaard in deze stad geleefd heeft. Al sinds mijn ‘kennismaking’ met Kierkegaard, tijdens mijn studententijd, leefde bij mij de wens om de Deense hoofdstad te bezoeken. Dit jaar kwam het er dus van. Het bleek ons dat in het stadscentrum de sfeer van het 19e eeuwse Kopenhagen goed bewaard is. En dat vooral in het eigenlijke centrum van de stad, in de buurt van de Regens, de universiteitsgebouwen en natuurlijk in ook in Tivoli, waar we even doorheen gelopen zijn.
Wat op mij het meeste indruk maakte was de begraafplaats waar Kierkegaard begraven ligt: het familiegraf, met de witte grafsteen, waarop de naam staat van Sören Kierkegaard, met daaronder een treffend gezang. Het grafschrift is m.i. zo mooi omdat het op een ontroerende wijze Kierkegaards leven en geloofsinstelling typeert. Het is een treffend getuigenis van deze man. In een volgend artikel zal ik weergeven wát er staat en er enkele gedachten aan wijden.
In de komende nummers van Ecclesia wil ik enige aandacht geven aan Sören Kierkegaard. De aanleiding hiervoor is het feit dat het op 11 november 2005 honderd vijftig jaar geleden is dat hij op 42-jarige leeftijd is gestorven. Ik heb me voorgenomen iets te schrijven over zijn leven, over de inhoud van zijn geschriften en over de (grote, zij het vaak verborgen) invloed die hij vooral in de 20e eeuw uitgeoefend, zowel in de theologie als in de filosofie.
Wie was toch deze man? Voor velen is hij, ondanks het feit dat ze van hem gehoord hebben, een grote onbekende. Men weet iets van zijn ongelukkige liefde en van het feit dat hij geniaal èn zonderling was. Anderen spreken vol lof over hem en beroepen zich op hem, maar brengen soms gedachten naar voren, die bedenkelijk zijn. Zij hebben hem of niet werkelijk begrepen of ze passen gedachten van Kierkegaard onoordeelkundig toe in de theologie of in de kerk van nú. Daardoor ontkomen ze er niet aan om ‘kortsluiting’ te maken. Alles bij elkaar nodigt dat niet direct uit tot een nadere kennismaking: een moeilijk te begrijpen auteur, die maar vreemde leerlingen heeft…
Toch kan het wel degelijk van betekenis zijn, hem nader te leren kennen. En dat omdat hij - mits men een goed gebruik van hem maakt en zijn gedachten goed toe weet te passen - werkelijk veel te zeggen heeft en in deze tijd enigermate tot hulp kan zijn. Het is immers niet fair om wat ánderen zeggen op rekening te schuiven van Kierkegaard zelf. Zeker: hij geeft hier en daar aanleiding tot misverstand, maar wie doordringt tot zijn eigenlijke bedoeling en hem op waarde weet te schatten, kan alleen maar groot respect hebben voor deze man. Maar met dat ik dit schrijf, loop ik al vooruit op een evaluering van zijn leven en zijn geschriften, waarover ik eerst het een en ander moet vertellen. Daar komt bij dat als men Kierkegaard kent, men ineens heel veel begrijpt van de geschiedenis van de theologie (en filosofie) in de 20e eeuw.

Michael Pedersen Kierkegaard
Wie over Kierkegaard spreekt, kán er niet omheen om vrij uitvoerig op zijn leven in te gaan. Zijn levensgeschiedenis werpt namelijk een belangrijk licht op de werken die hij schreef. Kierkegaard werd geboren in Kopenhagen in 1813, als laatste kind van het gezin Kierkegaard, dat zeven kinderen telde. Zijn moeder was Anne Sörensdatter Lund. Over haar weten we weinig. Zij was ooit het dienstmeisje van Michael Pedersen Kierkegaard en diens eerste vrouw Kirstinne Nielsdatter Rönen. Dit eerste huwelijk, dat slechts enkele jaren duurde, bleef kinderloos. Bij de geboorte van hun jongste zoon waren vader en moeder Kierkegaard respectievelijk 56 en 45 jaar. Juist in 1813 vergrootte Michael Pedersen zijn vermogen aanzienlijk. Hij had al zijn geld in koninklijke obligaties zitten, de enige die waardevast bleven in het economische crisisjaar. Hij werd een vermogend man. Het vermogen dat hij bijeen vergaarde, heeft zijn jongste zoon later in staat gesteld datgene te volbrengen wat hij als zijn levensopgave zag.
De spil van huize Kierkegaard was zijn vader. Zijn moeder overleed toen hij nog vrij jong was. Behalve de dood van zijn moeder, maakte Kierkegaard toen hij nog thuis was ook de dood mee van twee zusters. Met zijn vader had hij een innige band. Maar het was een band, die de uitermate begaafde en gevoelige jongen niet altijd goed deed.
Zijn vader gold als een geslaagde zakenman. Hij werd gerespecteerd door zijn omgeving. Wat weinigen echter wisten, was dat er op de bodem van zijn ziel een diepe verscheurdheid schuilging. Dit hing samen met zijn karakter, maar vooral met een ingrijpende gebeurtenis in zijn jeugd. Deze had hij doorgebracht in zijn ouderlijk huis op Jutland. Zijn ouders leefden in betrekkelijke armoede. Wel hadden ze een koppel schapen, waar Michael Pedersen de verantwoording voor had. Tijdens een van de tochten over de Jutlandse hei was het extreem koud. De jongen was verkleumd. Toen moet het gebeurd zijn dat hij in radeloosheid de handen ten hemel hief en uit vertwijfeling grove woorden gebruikt heeft, die hij rechtstreeks richtte tot de Here God zelf.
Dit vreselijke incident is hij nooit meer vergeten. Gedurende zijn leven broeide het verdriet daarover in zijn ziel, en van tijd tot tijd werd hij gekweld door een groot schuldgevoel. Hij was een diep ernstig man, die weliswaar zijn jonge zoon eens voorhield: “Let er slechts op dat je Jezus werkelijk kunt liefhebben“, maar die zelf weinig troost van de kracht van het Evangelie ondervond. De toch al zwaartillende en tot zwaarmoedigheid neigende man kon niet echt loskomen van wat er in zijn jeugd gebeurd was. Op vrij jeugdige leeftijd moet de zeer begaafde en uiterst fijnbesnaarde Sören Kierkegaard gemerkt hebben dat zijn vader leed onder berouw en bij tijden gekweld werd door een herinnering aan een gebeurtenis uit zijn verleden. Dit voor hem toen nog onbegrijpelijk donkere heeft zijn leven gestempeld.

Een doorn in het vlees
In een Stichtelijke redevoering die hij jaren later met veel invoelingsvermogen geschreven heeft (1844), geeft Sören Kierkegaard er blijk van dat hij heel diep aanvoelde wat er door zijn vader heengegaan moet zijn. Deze redevoering gaat over de doorn in het vlees, waarover Paulus spreekt in 2 Korinthiërs 12. Wellicht dat naast de bloedband, belevenissen in zijn eigen leven aanleiding gaven tot een dieper begrip van Paulus’ en van zijn vaders angsten. In de bewuste stichtelijke redevoering erkent Kierkegaard dat het niet bekend was wat Paulus met deze doorn bedoelde. Hij veronderstelt echter dat het een kwellende herinnering was, die plotseling de kop op stak en als een vlijmscherpe pijl op de apostel afgevuurd werd, om hem tot vertwijfeling te brengen.
Hij schrijft: “Wanneer wat in het verleden ligt toestemming heeft gekregen om te worden wat het is nl. iets wat in het verléden ligt, wanneer de mens het achter zich laat om op de goede weg te gaan, en niet te veel naar achteren omziet, wordt hij zelf langzamerhand een ander en daardoor wordt het verleden bijna ongemerkt anders en op het laatst passen ze bijna niet meer bij elkaar: het verleden verdwijnt tot een ietwat onbestemd iets, het wordt een herinnering. En de herinnering wordt minder en minder vreselijk, ze wordt stiller, ze wordt zacht, ze wordt weemoedig en in elk van deze bepalingen is het alsof ze verder en verder van iemand af komt te staan en op den duur wordt het verleden hem bijna vreemd en begrijpt hij bijna niet eens meer hoe het toch mogelijk was, dat hij zich zozeer misging of vergiste. En hij hoort wat de herinnering daarvan vertelt, zoals een wandelaar een sage verneemt in een ver land. Maar de terugval leert iemand weer te begrijpen hoe het mogelijk was. Ja, ook de ángst voor de terugval, wanneer die plotseling ontwaakt! Al zou het maar om een klein ogenblik gaan: de angst weet er gebruik van te maken en ziet kans wat in het verleden gebeurde levendig tot een werkelijkheid te maken in het nú, niet als een herinnering, maar als iets dat in de toekomst ligt en ons schrik aanjaagt…“

De verhouding van vader en zoon
Of hij in deze regels zijn vader op het oog had is natuurlijk niet helemaal zeker, maar waarschijnlijk is dat wèl. Hoe dan ook - zó moet het zijn vader, op wie de last van het verleden zwaar drukte, soms te moede geweest zijn.
Er valt wat dat betreft wellicht nog meer te vertellen. Iets waar we niet alles van weten en ook niet alles van hóeven te weten -, maar volledigheidshalve is het goed erop te wijzen dat Kierkegaard in één van zijn boeken zijn fantasie de vrije loopt laat en beschrijft hoe Salomo onbedoeld zijn vader hoort bidden tot God en hem hoort belijden wat hij misdaan heeft toen hij Bathseba verleidde en de hand had in Uria´s dood. Kierkegaard beschrijft hoe Salomo, die zijn vader heel hoog had staan, dit gebed hoort en ontredderd is - zijn vader is van een voetstuk gevallen! De vraag is of in deze fantasie iets autobiografisch ligt. Sommigen vermoeden het: heeft de Kierkgaard op die wijze gehoord over iets wat in het leven van zijn vader is misgegaan?
Hoe dan ook: duidelijk is dat Kierkegaard erg gehecht was aan zijn vader, maar dat de verhouding tegelijk problematisch was. In zijn dagboek merkt hij later op: “Als kind werd ik opgevoed in een streng en ernstig christendom; menselijk gesproken werd ik dwaas opgevoed: reeds in mijn jongste jeugd werd ik overvoerd met indrukken, waaraan de zwaarmoedige ouwelijkheid ten grondslag lag, waaronder ik zozeer leed. Stel u voor: een kind, dat - o dwaasheid! - moest voelen, denken en leven als een oud man.“ Sommigen gaan er dan ook van uit dat de verwijdering van zijn vader èn van het christelijk geloof in de eerste jaren van zijn studententijd daarmee samenhangt dat hij in vertwijfeling geraakte, doordat het gezag van zijn vader wegviel ofwel niet afdoende bleek om hem in de grote wereld van toen wegwijs te maken.
Zo groeide de zeer begaafde en fijnbesnaarde jongeman Kierkegaard op, gedrenkt in een piëtistisch geloof, dat zijn vader uit Jutland mee genomen had naar de hoofdstad van Denemarken. Hij groeide op in een wereld waar hij zijn weg wel wist te vinden (hij had een sterke geest), maar waarin grote en verraderlijke vragen loerden, waarmee de jongen zich moest zien te verstaan. Er was immers na de Franse Revolutie en de Napoleontische overheersing een nieuwe tijd begonnen - een tijd waarin oude zekerheden wegvielen, waarin filosofen als Lessing, Jacobi en Hegel met nieuwe gedachten experimenteerden. Dat ging gepaard met toenemend ongeloof en met toenemende onzekerheid. Al deze dingen hadden hun weerslag op de denkwereld van de mensen van het begin van de 19e eeuw. Vooral was dat het geval aan de universiteiten. En dat was ook het geval in Kopenhagen, waar Kierkegaard op bijna 18-jarige leeftijd ging studeren.

Zijn studententijd
Die ‘moderne’ wereld trok Kierkegaard in, - terwijl hij geen onbekommerde jeugd gehad had en zwaarmoedigheid op de bodem van zijn ziel regeerde. Gepaard met deze zwaarmoedigheid ging een grote onbestemde angst - die betrekking had op de duistere mogelijkheden van het kwaad in deze wereld en in hemzelf en op de ‘zinloosheid’ van het leven, die zich aan hem opdrong: “Waar ik ook was, te midden van velen of onder vier ogen, altijd was ik omgeven door ‘bedrog’. Ik was niet zozeer in de oerwouden van Amerika met hun verschrikkingen en gevaren, maar alleen te midden van de schrikwekkendste mogelijkheden, waartegenover de schrikwekkendste werkelijkheid nog een verkwikking en verzachting is.“
Dat Kierkegaards ziel zo gestemd was, zal lang niet elke studentenvriend gemerkt hebben. Hij was immers een meester in het maskeren. Sterker: hij vond er een zeker plezier in om dat te doen. Wie op de universiteit gevraagd zou hebben wat voor jonge man Kierkegaard, was, zou waarschijnlijk de volgende beschrijving van hem gekregen: ‘een geestige jongeman, zeer intelligent, briljant zelfs, geestig in gezelschap, waar hij binnen de kortste keren de ziel van vormde - vrolijk en onderhoudend, omringd door vrienden, die hem waardeerden, ondanks zijn niet al te voordelig uiterlijk.’ Hij was charmant en wist zich door zijn geestigheid en gevatheid ook bij de andere sekse geliefd te maken.
Hoezeer de fictieve beantwoorder van onze vraag zich zou vergissen, blijkt uit een dagboekcitaat van Kierkegaard: “Ik kom juist van een gezelschap vandaan, waarvan ik de ziel was; de grappen schudde ik uit mijn mouw. Allen lachten en bewonderden me - maar ik vertrok (…).“ Hij beschrijft dan hoe mateloos ongelukkig hij zich juist die avond voelde. Elders geeft zegt hij: “Van kinds been af leefde ik onder de druk van een vreselijke zwaarmoedigheid en de hevigheid ervan was evenredig aan de behendigheid, waarmee ik bij machte was deze te verbergen achter een masker van voorgewende opgewektheid en levenslust. Zover mijn herinneringen teruggaan vond ik er altijd genoegen in, dat niemand ontdekken kon, hoe ongelukkig ik me voelde. Daarbij kwam dat ik op mezelf en op God aangewezen was; dat eiste de juiste verhouding tussen mijn zwaarmoedigheid en mijn kunst haar te camoufleren.“

Een labyrint en de uitweg eruit
Hoe moest deze jongen zich redden? In een volgend artikel zullen we merken dat hij er werkelijk uit geholpen is. Kierkegaard is namelijk na een korte periode van verwijdering van zijn vader en het christelijk geloof op zijn schreden teruggekeerd. Met opzet spreek ik over verwijdering. Nooit heeft hij het christelijk geloof geloochend of verloochend. Alleen: hij wist er op een bepaald moment geen raad mee. Dat hij uit het labyrint waarin hij terecht was gekomen, de weg terug wist te vinden, hing met verschillende factoren samen.
In zijn laatste studiejaren leerde hij Regine Olsen kennen, een jonge vrouw uit Kopenhagen, van wie hij zielsveel ging houden. Het hing ook samen met zijn studie. Op dit laatste is nooit zozeer de aandacht gevestigd, maar ik veronderstel dat de lectuur van Johann Georg Hamann en van Plato hem geweldig geholpen heeft.
Maar vooral was dat vanwege het feit dat hij ondanks zijn vertwijfeling eerbied (en wat een mooi woord is dat in dezen) bleef behouden voor het christelijke geloof: “Ik heb de eerbied ervoor nooit verloren, ook niet in tijden dat ik er ver van af stond. En ik was vastbesloten (met name voor het geval, dat ik zelf niet voor het christendom zou kiezen) nooit iemand deelgenoot te maken van de moeilijkheden waarmee ik te kampen had. Overigens had ik over zulke moeilijkheden nooit iets gelezen of gehoord. Maar ik heb nooit met het christendom gebroken of het vaarwel gezegd. (…) Veeleer maakte ik het voornemen, zodra ik daartoe in staat mocht zijn, al mijn krachten in te spannen om het te verdedigen, of het in ieder geval in zijn ware gedaante te tonen. Ik hield dus in zekere zin van het christendom…“
Het feit dat Kierkegaard uit het labyrint de weg vond, hangt direct samen met het christelijk geloof, sterker met Christus, die hem eruit gehólpen heeft. Later zal hij zeggen dat hij met een huiver terugkijkt op de jaren van onzekerheid en angst. Maar dán is hij eruit geholpen en heeft hij zijn levensroeping inderdaad gezien in het verdedigen of in het juiste licht stellen van wat het christendom is.
Hij heeft geprobeerd met zijn gaven het christelijk geloof te dienen. En dan vooral die éne, die hij in gedachten had, aan wie hij zijn Stichtelijke redenen meer dan eens opdraagt. Met die éne is zonder twijfel Regine Olsen bedoeld, maar ook de enkele mens, de christen, die lijdt aan de tijd en die Kierkegaard in de geest van Christus met zijn welwillende woorden wil opzoeken om hem te helpen - met de gaven die hem ten dienste staan en het geloof dat hij heeft mogen ontvangen.
Welnu, of Kierkegaards werken daar altijd toe hebben bijgedragen is een vraag waar we nog op terugkomen. Vast staat dat hij vooral de enkeling, de ‘smalle gemeente’ heeft willen dienen, met het geloofsinzicht dat hem gegeven is. Maar over déze dingen moet het in een volgend artikel gaan.