Terug naar Ecclesianet.nl

Wie en wat moeten we (nog) geloven in onze tijd?

 

Dr. H. Dubbelman, ‘s-Gravenpolder

 

Wij leven in een tijd met veel levensvragen en scherpe tegenstellingen. Het zijn vragen over zowel materiële als geestelijke zekerheden. Zijn de huidige sociale voorzieningen in de toekomst nog mogelijk? Hoe zal het gaan met steeds meer files op de wegen, het onderwijs, de toenemende verharding en tegenstellingen in de samenleving? Allerlei deskundigen en commissies worden verzameld om de genoemde problematiek te bestuderen. In de praktijk blijkt dat het niet eenvoudig is het juiste antwoord hierop te vinden. Veelal worden de problemen verplaatst, onderschat of onvoldoende  aangepakt. Voor een deel is dat door tegenwerking van verschillende belangengroepen, de politieke leiding durft niet op te treden vanwege verlies van aanhang, gebrek aan geldmiddelen en onvoldoende kennis en inzicht. Daarnaast zijn er de vragen over geloofswaarheden en wel of geen eeuwig leven. 

 

We zien een toegenomen polarisatie in de verscherping van standpunten. Dit zowel in de politiek en de sport als in het geloven en niet geloven in God. Het blijkt dat de mensen die de tolerantie hoog in het vaandel hebben staan, dit niet tonen bij godsdienstige principes. In diverse media zien we hier genoeg voorbeelden van. Er zijn ‘zogenaamde intellectuelen’ die zich ver verheven voelen boven de opvattingen van mensen die in God geloven. Discriminatie en kwetsen mag volgens hen niet. Maar als we het optreden zien van cabaretiers en anderen, die zonodig Jezus en bijbelse gebeurtenissen belachelijk moeten maken en minachten, dan is dat vrijheid van meningsuiting en moet dit kunnen. Andersom geldt: als er christelijke kritiek komt op hun gedrag of uitspraken en de huidige moraal, dan is dit discriminatie, betutteling of belediging. Het komt er op neer dat zij bepalen wat nu eigenlijk ‘verdraagzaamheid’ is en wat goed voor ons is.

 

Waarom is er steeds de vijandschap ten aan zien van het geloof in God? Zou er iets zijn van een onbewust onbehagen en het niet zeker zijn van de ‘bewijzen’ dat God niet bestaat. We zien suggestieve, verdraaide en kleinerende opvattingen en aanvallen in de media en van schrijvers, op de godsdiensten. Als de door hen zo geprezen evolutietheorie bedreigd wordt door de theorie van een intelligent ontwerp voor het ontstaan van de wereld, komt er een storm van negatieve kritiek en minachting. Zij tonen dus precies hetzelfde gedrag waarmee zij in de 16e eeuw de Kerk van Rome bekritiseerden. Dit toen deze Kerk nog uitging van het toen in gebruik zijnde en wetenschappelijk gezag hebbende Griekse wereldbeeld van de Griekse filosoof en geleerde  Ptolemaeus. In dit beeld draaide de zon om de aarde.

Nu er op de evolutietheorie kritiek is zullen atheïsten nieuwe ‘bewijzen’ moeten vinden waarom God niet bestaat. Dat is voor hen geen gemakkelijke opgave. Maar de vraag blijft: Waarom hebben zij zoveel weerstand tegen godsdienst? Zou het zijn omdat hun atheïstische zekerheid dat God niet bestaat, aan het wankelen is?

 

1. Het is opvallend dat wanneer er theologen zijn die verkondigen dat een Godsbestaan en een eeuwig leven onmogelijk zijn, de media er snel bij zijn om hen de gelegenheid te geven hun ‘geloof’ te verkondigen. Een voorbeeld is ds. K. Hendrikse uit Middelburg. Het zijn altijd dezelfde punten waar zij mee komen, zoals het feit dat Jezus niet de zoon van God is en dat de bijbel niet waar is. De vraag is hoe weten zij dat en hebben zij Jezus zien optreden? Vallen zij niet in de kuil van hun eigen denkvermogen? Verder blijkt uit een onderzoek van prof.dr. Hijme Stoffels van de VU in Amsterdam in 2006, dat 1 op 6 Nederlandse dominees niet in God gelooft. Men kan zich afvragen hoe dit mogelijk is? Bij elk bedrijf geldt dat het management en het kader achter de hoofddoelstelling van het bedrijf staan. God is de hoofddoelstelling van de kerk. Van een functionaris in de kerk mag men verwachten dat hij/zij meewerkt om deze hoofddoelstelling te realiseren. Merkwaardig is dat er een ander geluid kwam van niet-theologen. Dit was op de TV bij Pauw en Witteman op 14 november j.l.  Zij beweerden dat het leven zich voortzet in andere werelden. Een mevrouw vertelde haar ervaring van een buiten het aardse bewustzijn. Zij aanschouwde het bestaan van een bovenaardse geestelijke werkelijkheid. De cardioloog dr. Pim van Lommel, die ook aanwezig was, bevestigde de juistheid van haar verhaal. Hij heeft veel wetenschappelijk onderzoek hiernaar verricht en had het over 600.000 soortgelijke ervaringen in Nederland. Misschien iets voor de genoemde categorie theologen om zich eens in deze materie te verdiepen.

 

2. Verder is er de aandacht over Jezus door schrijvers die beweren dat het evangelie niet juist is. Zij komen met hun eigen interpretaties. Voorbeelden zijn de boeken ‘De Erfopvolgers van de Graal’ door de Schot Laurence Gardner in 1998 en ‘Jezus was Caesar’ van de Italiaanse ex-seminarist  Fransesco Carotto in 2005.

In het eerste boek gaat over het verborgen nageslacht van Jezus. De  schrijver beweert dat Jezus getrouwd was met Maria Magdalena en koninklijke nazaten had. 

In het tweede boek komt de schrijver met een heel andere verklaring. Jezus zou de Romeinse keizer Julius Caesar zijn geweest en dus niet de Zoon van God. De evangeliën zouden mede tot stand zijn gekomen, doordat Romeinse oorlogsveteranen zich in Palestina vestigden.  Julius Caesar kreeg van hen de naam van Jezus in de loop van de tijd. Zij veranderden de overwinningen van Julius Caesar in wonderen, belegerde mensen in steden in bezetenen en de lauwerkrans van Caesar in een doornenkroon. Het gaat te ver om nog meer details van de boeken te noemen. Het eerste boek zou volgens de uitgevers een onthullend antwoord geven. Het tweede boek zou een bom onder het NT leggen. Van dit boek zal bij de VARA een film verschijnen. De vraag is hoe is de relatie tussen de boeken? De boeken pretenderen elk hun eigen ‘waarheid’ te hebben en zijn dus concurrenten van elkaar. De schrijvers kunnen niet allebei gelijk hebben. Op beide boeken is veel kritiek gekomen en de juistheid ervan is niet bevestigd. Uiteraard zijn er wel atheïstische professoren geweest die hun medewerking gaven aan de schrijvers.

 

3. Wat is er onjuist aan het NT? Waarom zijn de eerste kerkvaders, zoals Origenes, die zeer dicht bij de schrijvers van het NT leefden niet met kritiek genomen? Zij hadden de oorspronkelijke Griekse teksten en hadden dus kunnen weten dat Jezus eigenlijk een Romeinse keizer was geweest. Ook de joodse historicus Flavius Jospehus, die leefde van 37 na Chr.–100 na Chr., zou dit hebben geweten en vermeld. Hij beschrijft de situatie van Jacobus als de broer van Jezus en leider van de joods christelijke gemeente. Nee na 1800 á 1900 jaar later moeten wij de ’waarheid’ van de schrijvers gaan geloven.  

Wat zijn de diepere motieven om het NT onderuit te halen? Door welke geest laten deze schrijvers en bijbelcritici zich inspireren? Is dat een tegenwerkende geest?

In onze tijd is er veel negatieve kritiek op het christelijk geloof en de kerk.Toch blijkt het geloof na 2000 jaar nog steeds te bestaan en in andere werelddelen te groeien. De gemiddelde levensduur van een organisatie is ongeveer 70 jaar. Dit betekent dat de kerk ondanks alle stormen in staat is geweest te overleven.  Misschien is er toch een sterkere macht die er voor zorgt dat de kerk blijft bestaan!

 

Tenslotte, in het voorgaande zijn verschillende zienswijzen aan de orde geweest. Dit waren de visies van 1. de atheïsten, 2. de twee schrijvers over Jezus en 3. de bijbelschrijvers. Elk mens is in het leven zelf verantwoordelijk met betrekking tot wat en wie men wil geloven. Elke keuze heeft consequenties. Dit betreft ook  met betrekking tot de genoemde zienswijzen. Aan ons de beslissing.