Terug naar Ecclesianet.nl

De zichtbaarheid/onzichtbaarheid van God en de zalige Godsaanschouwing (1)

Drs. Th.R POL, Doorwerth

DE ZICHTBAARHEID/ONZICHTBAARHEID VAN GOD EN DE ZALIGE GODSAANSCHOUWING, DE VISIO DEI (1)

Inleiding

Een gesprek met mijn kleindochter Alejandra (tien jaar oud) over de vraag: Hoe ziet God er uit? heeft mij er toe aangezet na te gaan, hoe in de loop van de geschiedenis over deze vraag is nagedacht. Het gaat in het volgende dus over het kunnen zien of niet kunnen zien van de Here God. Ik heb mijn kleindochter kunnen duidelijk maken, dat het zien van God niet tot de menselijke mogelijkheden behoort. Wij komen niet verder dan "zien"-in-het-geloof.
Genoemd gesprek vormde - zoals gezegd - de aanleiding om alles wat hier omheen gespeeld heeft en nog speelt aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen.
Om te beginnen wijs ik op een woord van de Here Jezus, dat die mensen gelukkig prijst, die in hun leven een grote plaats voor God reserveren, Hem de ereplaats in het hart geven en zichzelf als het ware verliezen in grenzeloze overgave aan Hem. Om zover te komen, moet in het menselijk hart grote opruiming gehouden worden. Jezus' woord uit de Bergrede is inderdaad op hen van toepassing: "Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien"1).
Iets heerlijkers kan ons niet in het vooruitzicht gesteld worden. God zien is het toppunt van zaligheid, en heiliging van het innerlijk is daarvoor absolute voorwaarde.
Met ingehouden verrukking spreekt de apostel Johannes in zijn eerste algemene zendbrief over deze aangelegenheid: "Wij zullen Hem zien gelijk Hij is"2) en in het boek Openbaring voorzegt hij met evenveel geestdrift, dat Gods dienaren in het nieuwe Jeruzalem "Zijn aangezicht zullen zien"?1).
Maar op welke wijze vindt dit "zien van God" nu plaats? Over welke mogelijkheden beschikt een mens om zover te komen? Op deze brandende kwesties willen wij verder ingaan en komen hierbij te staan voor diepgaande geloofsstukken, zoals de onzichtbaarheid en de heiligheid van de Here God, voor de Here God die naar woorden van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis4) "een geestelijk wezen is". Tot onze verbazing stuiten wij bij verdergaand onderzoek op de bijbelse waarheid, dat er ondanks het zojuist gestelde toch sprake is van "zien" van God.
Een terreinverkenning is nodig. Ik heb gepoogd daar enige orde aan t© brengen in de hoop, dat u als lezer ermee geholpen wordt voor u zelf en in het getuigenis tegenover derden.

De onzichtbaarheid van God
Allereerst buigen wij ons over de onzichtbaarheid van de Here God, waarbij wij achtereenvolgens stilstaan bij: een ervaring in Engeland, om vervolgens iets over Gods heiligheid op te merken, met welke eigenschap Gods verhevenheid en majesteit wordt bedoeld tegenover onze zondigheid en verlorenheid.
Ervaring in de Westminster Abbey
In het jaar 1646 was een aantal theologen in de Westminster Abdij te Londen bijeen om een geloofsbelijdenis op te stellen. Daarbij kwam als eerste de vraag naar voren: "Wie is God?" Op dat moment achtte niemand zich bekwaam en geroepen daarop een passend en adequaat antwoord te geven. Tenslotte besloot men één van de aanwezigen te belasten met de opdracht een antwoord te formuleren. Deze verklaarde zich daartoe bereid onder de zeer uitdrukkelijke voorwaarde, dat de gehele vergadering vooraf met hem zou bidden om de leiding van de Heilige Geest. Allen knielden vervolgens neer en daarop begon deze predikant zijn gebed met de woorden: "O God,
Gij zijt een Geest, oneindig, eeuwig en onveranderlijk in Uw wezen, wijsheid, macht, heiligheid, gerechtigheid, goedheid en waarheid".
Nadat deze woorden waren uitgesproken, maakte zich diepe ontroering meester van allen, die bijeen waren. Zij hadden gevonden, waf zij zochten. Terstond werd de eerste volzin van het uitgesproken gebed als de beste omschrijving van Gods wezen aanvaard.

Gods heiligheid

Eén van de bewoordingen van genoemd gebed handelt over Gods heiligheid, één van Gods eigenschappen, welke wij in het Oude Testament aantreffen: de Heilige Israëls5). Trouwens, het Nieuwe Testament blijft in dit getuigenis niet achter. Hierin wordt de God en Vader6) van onze Here Jezus Christus als de heilige Vader aangeroepen.
Eén van de meest indrukwekkende belijdenissen van Gods heiligheid vinden wij zonder twijfel bij de profeet Jesaja7):
Jesaja ziet de Here God daar op een hoge en verheven troon en Zijn zomen vulden de tempel. Serafs stonden boven Hem; ieder had zes vleugels: met twee bedekte hij zijn aangezicht, met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij. En de een riep de ander toe: "Heilig, heilig, heilig is de Here der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol. En de dorpelposten beefden van het luide roepen en het huis werd vervuld met rook. Toen zeide ik: Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van lippen, en woon temidden van een volk, dat onrein is van lippen, en mijn ogen hebben de Koning, de Here der heerscharen gezien. Maar een der serafs vloog naar mij toe met een gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar genomen had; hij raakte mijn mond daarmee aan en zei: 'Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt; nu is uw ongerechtigheid geweken en is uw zonde verzoend'."
Veel psalmen prijzen en bezingen ook Gods heiligheid, terwijl de Kerk van alle eeuwen en landen niet achterblijft in haar belijdenissen. Naar het getuigenis in het Nieuwe Testament erkennen zelfs boze geesten deze goddelijke majesteit. Deze heiligheid van God doet ons tweeërlei beseffen.
In de eerste plaats verstaan wij hieruit, dat er tussen God en mens een oneindige afstand bestaat en leren wij onszelf kennen als kleine nietige schepselen. Tegenover de Here God achten gelovigen het passend diep en ootmoedig te buiten. Deze grenzen tussen God en mens worden evenwel in veel onbijbelse mystiek uitgewist en dan is daar sprake van God-in-ons, en heten mensen goden. Zodoende wordt de mens vergoddelijkt en God ontgoddelijkt, theologie verwordt tot antropologie en de omgang met God wordt voorgesteld als een omgang tussen goden. Symptomen van het vervagen en uitwissen van deze grenzen zijn ook in onze tijd talrijk en zichtbaar, zelfs zo nu en dan voorzien van uitingen van onvoorstelbare brutaliteit.
In de tweede plaats doet de heiligheid van God ons beseffen, dat we niet alleen schepselen zijn en geen god, maar ook dat wij zondaren zijn. In Psalm 24 is de klacht luid hoorbaar: Wie mag de berg des Heren beklimmen om te staan in Zijn heilige stede? En het antwoord luidt: "Die rein is van handen en zuiver van hart". "Maar" - zo wordt vervolgens gevraagd - "van welke mensen kan dat gezegd worden?" Op die vraag wordt geantwoord: "Dat is het geslacht van wie naar Hem vragen, die Zijn aangezicht zoeken; dat is Jacob!"

Wij mogen hieruit afleiden, dat met reinen van hart bedoeld zijn mensen, die het echt om God te doen is. De gemeenschap met Hem gaat bij hen boven alles! Gods heiligheid is als een verterend vuur, als een vlam in het braambos, waarin God zich aan Mozes openbaarde. Deze vlam brandt en brandt weg, wat zondig is, maar vernietigt toch niet8 ). God is immers liefde, reddende liefde, heilige liefde: het is de Here God in Zijn liefde er om begonnen mensen om te vormen en te herscheppen naar Zijn beeld.

Gods heiligheid is allesbepalend. Vandaar dat er enerzijds over Hem in allerlei beelden wordt gesproken, vanaf leeuw9) en beer10) tot Vader en Verlosser toe, terwijl anderzijds het maken van enig beeld van Hem ten enenmale afgewezen wordt. Vandaar dat het Oude Testament op antropomorfe (mensvormige) wijze over God spreekt, en niet alleen gewaagt van de verschijningen van de Heilige in beelden van vuur, of van natuurverschijnselen, maar ook - aanduidender-wijs - met behulp van mensvormige uitspraken11) ). Niettemin wordt ononderbroken herhaald, dat God geen mens is12) ), niet gezien kan worden 13) ) en onvergelijkelijk is14) ).

God een geestelijk en onzichtbaar Wezen
Het is belangrijk, dat wij binnen dit kader afzonderlijk luisteren naar bewoordingen uit het eerste artikel van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis: "Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond, dat er is éé
n enig en eenvoudig geestelijk Wezen, dat wij God noemen; eeuwig, ondoorgrondelijk, onzienlijk, onveranderlijk, oneindig, almachtig, volkomen wijs, rechtvaardig, goed en zeer overvloedige bron van al het goede". Uit deze formuleringen belichten wij de aanduidingen: geestelijk en onzichtbaar wezen.

Geestelijk Wezen
Het eerste artikel van de Nederlandse Geloofsbelijdenis noemt de Here God een geestelijk wezen. Onze vaderen dachten er niet aan een definitie (begripsbepaling) van God te geven. De Oneindige God kan nooit door de eindige mens omvat worden.

Wanneer God dan een geestelijk wezen heet, behoort het woord "geestelijk" vanuit de traditie uitgelegd te worden als onlichamelijk of onstoffelijk. Om deze reden mocht Israël geen stoffelijke beelden of lichamelijke voorstellingen van God maken! Wanneer de Bijbel evenwel toch uitspreekt, dat God oren, ogen, handen en voeten heeft, zijn dat antropo-morfismen (mensvormige voorstellingen), waarvan God gebruik maakt, omdat Hij ons tegemoet wil komen in Zijn openbaring en zich aanpast aan onze zwakheid15).

De vraag naar de vulling van het begrip "geestelijk wezen" heeft te maken met de kwestie van "overeenkomsten" tussen God en mens, de mensvormige spreekwijzen en de gestalte van God16).

Onzichtbaar Wezen
God is een onzichtbaar wezen (NGB art. 1), is Geest, en Wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in Geest en in Waarheid17). Deze bewoordingen worden vermeld in het gesprek tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw en bepalen onze denkrichting. In Geest en in waarheid God aanbidden wil niets anders zeggen dan de Here God aanroepen, nadat wij Hem door Geest en Woord (waarheid) hebben leren kennen en liefhebben. Zich houden aan Gods Woord è
n leven in de verborgen omgang met God door de inwoning van Zijn Geest vormen tezamen het scharnier, waar het in het Reformatorisch verstaan van de Schrift om draait.

Deze God in Geest en in waarheid aanbidden betekent óók, dat de gelovige zijn hart uitstort voor God. Gebed is het voornaamste stuk van de dankbaarheid18).

Berkelbach van der Sprenkel drukt de zin van deze dankbaarheid als volgt uit: "De overdenking van de wet loopt uit op de begeerte naar vergeving en de gerechtigheid in Christus ... Wat de mens doet of laat in gehoorzaamheid aan de wil van God, doet hij vanuit het gebed"19).

Haitjema hanteert deze bewoordingen: "Het gebed is in het christelijk geloof het hoogtepunt van het opgestaan zijn tot een nieuw leven"20).

In het gebed wordt God dus om Zijn liefde en goedheid, majesteit en gerechtigheid, barmhartigheid en trouw, om al Zijn deugden geprezen en aanbeden. Blijft het gebed achterwege, dan is er sprake van ondank, ondank als een vorm van diefstal: eer-roof, omdat aan God, de Aanbiddelijke, lof wordt onthouden.

De consequentie van ondank is - algemeen gesproken - deze, dat de mens om zijn prestaties wordt ver-afgood. Wanneer hij Gods plaats wil innemen, gaat hij autonoom leven. In de actualiteit om ons heen wordt duidelijk, daartoe deze vermetelheid leidt: God moet God blijven, en wij, mensen, houden het bij wat wij zien en ervaren en zijn daarin heer en meester.

In de aanbidding echter - echo van het lied van de serafs21) voor Gods troon - vergeet de mens zichzelf, omdat lofprijzingen uit zijn hart omhoog wellen uit loutere verwondering, dat God is zoals Hij is. Deze Aanbiddelijke is en blijft voor stervelingen de Hoge en Verhevene, de Ondoorgrondelijke.

Door uitsluitend naar de Schrift te verwijzen komen wij tot deze zienswijze.

- In Joh. 1:18 lezen wij immers: "Niemand heeft ooit God gezien, de eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, Die heeft Hem doen kennen".

- In de Eerste Timotheüs-brief (6 : 16): "Die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont, Dien geen der mensen gezien heeft, of zien kan".

- In de Hebreeën-brief (11: 27): "Want Mozes bleef standvastig als ziende de Onzienlijke". Dit laatstgenoemde zien slaat op het zien van het geloof.

Het moet ons dan ook niet verwonderen, dat het Jodendom, wanneer het naar buiten trad in de Grieks-Romeinse wereld, wegens zijn verwerping van allerlei oude vormen van religie als godloos werd aange-

merkt. Het ontbreken van godsbeelden kwam vreemd over bij niet-Israëlieten. De innerlijkheid van deze religie heeft men niet kunnen (en/of niet willen) begrijpen. Men kon voor zo'n beeldloze godsdienst geen begrip opbrengen. Wie laat zich nu als weldenkend mens in met de onzichtbare wereld?

Het is evenmin verwonderlijk, dat ondanks het beeldverbod in Israël altijd weer het verlangen is opgekomen naar het bezitten van godsbeelden (Bethel en Dan), naar allerlei altaren en naar dodenondervra-ging. Syncretisme (het denken, waarin alle godsdiensten met elkaar vermengd worden) dook keer op keer op binnen Gods eigen volk en bleek bijna onuitroeibaar.

Er is in Oosterse landen een bepaalde gewoonte, welke parallel loopt met de bijbelse geloofshouding tegenover God in Zijn verhevenheid. Misdadigers mochten daar de koning niet zien. Een schuldige en veroordeelde werd dat niet vergund. Ik twijfel er niet aan of de apostel Johannes, bekend als hij was met Oosterse gewoonten, zal daaraan gedacht hebben, toen hij proclameerde, dat we in de hemel - van zonde en schuld ontslagen - "Zijn aangezicht zullen zien"22). In eeuwige hemelse heerlijkheid is immers het doel van de nieuwe schepping bereikt: dan zien verlosten God van aangezicht tot aangezicht. In het paradijs werd door menselijke hoogmoed de omgang met God verspeeld. De mens vluchtte voor Gods roepstem: "Adam, waar zijt gij?"23) van Diens aangezicht weg. In de nieuweihemel en op de nieuwe aarde wordt door genade deze omgang weer hersteld tot volle werkelijkheid.

l.Matth. 5: 8.

2. 1 Johannes 3 : 2 slot.

3. Openbaring 22 : 4.

4. Artikel 1.

5. 2 Koningen 19 : 22; Psalm 71 : 22; 78 : 41; Jesaja 1 : 4; Jeremia 50 : 29*

6.Johannes 17 : 11.

7. Jesaja 6 : 1-7.

8. Exodus 3.

9. Hosea 11:10; Amos 3 : 4, 8; Micha 5 : 7.

10. Hosea 13 : 8; Klaagl. 3 : 10.

1!. Jesaja 6; Ezechiël 1; Daniël 7.

12. Hosea 11 : 9; Jesaja 31 : 3.

13. Exodus 33: 18vv; 34 : 29vv; Jesaja 6 : 2.

14. Jesaja 40: 18; Psalm 89 : 7.

15. Calvijn, Institutie, I, 13, 1.

16. NGB, art. 1 "ossentiam, spiritualem, aeternum, incomprehensibi-lem, invisibilem ...".

17.Johannes4 : 24.

18. Heidelbergse Catechismus Zondag 45.

19. S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkei, Hei gebed, Nijkcrk, p. 8ev.

20. Th.L. Haitjema, De Heidelbergse Catechismus, Wagcningen, 1962, p.289.

21. Jesaja 6 : 2. Serafs zijn mysterieuze wezens, die doen denken aan de koperen slang (Numeri 21 : 8ev), dienen God en roepen met stem en tegenstem bij Jesaja's roepingsvisioen Zijn heiligheid uit. Het Hebreeuwse woord voor serafs hangt samen met "branden" en "uitbranden".

22. Openbaring 22 : 4.

23. Gn 3 : 9.