Terug naar Ecclesianet.nl

Vriendschap in Christus (VIII)

Ds. J.G. BARNHOORN, Nunspeet

VRIENDSCHAP IN CHRISTUS (VIII)

Op de omslag van het boek van Dr. Dubois staat o.m. te lezen: "De enorme omvang van de correspondentie (se. tussen Isaac da Costa en Wïilem De Clercq) heeft altijd haar rechte gebruik belemmerd. Met de dissertatie van de heer Dubois wordt dit bestand nu eindelijk algemeen toegankelijk gemaakt. Ik ben ervan overtuigd dat het in een lang gevoelde behoefte zal voorzien".

Met deze woorden van Prof. Dr. A.Th. van Deursen, de promotor van Dr. Dubois, achten wij de brede aandacht gerechtvaardigd, die wij in de afgelopen maanden in "Ecclesia" aan dit boeiende boek geschonken hebben. En het is ons een behoefte, de auteur ook namens onze kring alsnog van harte met zijn promotie geluk te wensen. Een gelukwens, die voor ons gevoel te meer op zijn plaats is, waar in onze tijd niet zelden reeds een tabellarisch overzicht van gegevens, uit interviews of groepsgesprekken verkregen, voldoende aanleiding tot het verlenen van de doctorsgraad blijkt te zijn.

Toch is het niet uitsluitend op grond hiervan, dat wij zoveel weken achtereen bij Dubois' pennenvrucht hebben stilgestaan. Hieraan hebben meer overwegingen ten grondslag gelegen, en wel als eerste het feit, dat ons blad, de jaren door de bestudering van de vaderlandse kerkgeschiedenis als zodanig van harte toegedaan, niet in de laatste plaats het wel en wee der negentiende eeuw graag onder de aandacht van zijn lezers pleegt te brengen, - een eeuw, die niet te denken is zonder het Reveil, dat in de nagedachtenis van vele van zijn vertegenwoordigers onder ons voortleeft en waaraan ook de naam van Hermann Friedrich Kohlbrugge ten nauwste is verbonden.

Daarnaast echter is het in het bijzonder de rol, die de latere pastor van Elberfeld in de relatie tussen Da Costa en De Clercq heeft gespeeld, waarin wij ons als lezers van een blad, dat zich ten doel stelt, aandacht voor Kohlbrugge's prediking te wekken, geïnteresseerd weten. Een rol, die,- in het bestek van een aantal artikelen door ons, uitgaande van hetgeen Dubois ons hierover meedeelt, voor het voetlicht gebracht -thans om een beoordeling onzerzijds vraagt.

Roepingsbewustzijn

Het eerste dan, dat ons zowel in de door Dubois gepubliceerde brieffragmenten als in de "Mémoires" van De Clercq' met betrekking tot de persoon van Kohlbrugge is opgevallen, is hetgeen wij zijn extreem roepingsbewustzijn zouden willen noemen. In de door Da Costa gegeven typering van Kohlbrugge valt ons, naast het steeds terugkerend verwijt'van eenzijdigheid, allereerst de eveneens meermalen geuite aantijging op, dat "de man van Romeinen 7", zoals wij hem in dit verband zouden willen noemen, zijn zaak zonder meer vereenzelvigt met Gods zaak, of, anders gezegd: dat hij geen ruimte laat voor de overtuiging van anderen, ja, dat hij zijn opponenten eenvoudig als onbekeerd, erger nog: als zich "halverwege Hemel en Hel, op den weg benedenwaarts1' bevindend, beschouwt ("Mémoires", pag. 219).

Nu is ons uit de kerkgeschiedenis genoegzaam bekend, hoe men de eeuwen dóór gewoon geweest is, het eigen standpunt als het standpunt te beschouwen. Het alleszins bekende "God wil het", waarmee de Christenheid sedert de tijd van de kruistochten maar al te zeer vertrouwd geraakt is, heeft men behalve in ethische zaken niet zelden ook gehanteerd om het eigen gelijk in dogmatische geschillen te vindiceren, -een gelijk, waarvoor men in veel gevallen zelfs de vuurdood heeft durven trotseren. Nu leven wij, staande op de drempel van de een en twintigste eeuw, in een maatschappij, waarin het relativisme hoogtij viert. Keer op keer wordt ons voorgehouden, dat wij begrip voor de ander moeten opbrengen. Niet de waarheid, maar het zoeken naar de waarheid heeft momenteel alle aandacht. En heel vaak heeft het er alle schijn van, dat de twijfel, modeverschijnsel bij uitstek, zonder meer verheerlijkt wordt. In elk geval staat de eigen overtuiging in een multï-religieuze samenleving als de onze aanzienlijk minder hoog genoteerd dan in vroeger tijden veelal het geval was.

Welnu, waar dit het geval is, is er alle reden, ons af te vragen, of wij ons nog wel kunnen verplaatsen in de gedachtenwereld van mensen, voor wie de verborgen omgang met God - "ik heb het (onfeilbaar woord) zelf uit Zijnen mond gehoord" - een zó sterke realiteit was, dat zij de wijze, waarop zij het Woord hadden verstaan, ook voor anderen maatgevend achtten. Is ons bestaan, zo vragen wij ons af, niet dermate door de secularisatie aangevreten, dat wij de antenne missen voor een roepingsbewustzijn als waardoor iemand als Kohlbrugge zich gedreven wist?

Keerzijde

Ook hier echter geldt, dat de medaille een keerzijde heeft. Telkens wanneer wij ons in de geschiedenis der Kerk verdiepen, valt ons op, hoezeer juist mensen, die pretendeerden, "t onfeilbaar woord zelf uit Zijnen mond gehoord" te hebben, in hun doen en laten niet zelden door motieven werden gedreven, die de verborgen omgang met God, door hen met de mond beleden, zonder meer discutabel maakten. De annalen van de vele afscheidingsbewegingen, op het kerkelijk erf ontstaan, wettigen al te vaak de indruk, dat men, naar eigen zeggen door een oprechte behoefte aan een zuivere leer of aan een gemeente "zonder vlek of rimpel" geleid, in werkelijkheid slechts zichzelf gezocht heeft. Vóór men het zich bewust is immers, zit, gehuld in het kleed van het "Soli Deo gloria", het eigen ik op de troon. En als er in de negentiende eeuw één theoloog geweest is, die dit verschijnsel onbarmhartig aan de kaak gesteld heeft, dat is het wel de "onheilige heilige" uit Elberfeld met zijn felle kritiek op de "heiligingskrukken", waarmee de vrome bergbeklimmer telkens weer probeert "Sions godgewijde top1' te bereiken.

Kritische Vragen

Dit alles brengt ons ertoe, juist met betrekking tot Kohlbrugge zelf enkele kritische vragen te stellen, en wel ten eerste deze: mag een geschil inzake de heilig-making, tussen broeders van hetzelfde huis gerezen, zozeer op de spits gedreven worden, dat dit, bij wederzijds vasthouden aan Christus' verzoenend lijden en sterven als "het rustpunt van ons hart", niet slechts een breuk tussen beiden ten gevolge heeft, maar zelfs dat de één (Kohlbrugge) de ander (Da Costa) zonder meer als "van het fondament Christus afgeschoven" beschouwt (Vgl. de "Hoogst belangrijke briefwisseling tusschen Dr. H.F. Kohlbrugge en een van de meest beroemde zijner tijdgenoten over de leer der heiligmaking ...", pag. 51)? In dit verband denken wij aan de opmerking van Mevr. Kluit, reeds eerder door ons aangehaald, dat Kohlbrugge in zijn briefwisseling met Da Costa van "de gelovige Bijbelvertolker", die zij in hem had leren kennen, "weinig heel gelaten heeft" (Vgl. "Het protestantse Reveil in Nederland en daarbuiten 1815- 1865", pag. 238), waarbij wij ons er overigens terdege van bewust zijn, dat ook de door Da Costa gebezigde typering van "het Kohlbrugsche gevoelen, of stelsel" als "opium", "Schriftverdraaiing" en "eene nieuwe menschelijke wet" bepaald niet mis is.

Wanneer wij deze kritische vraag stellen, zijn wij ons er overigens terdege van bewust, dat de tijd, waarin wij leven, aanmerkelijk verschilt van die van het Reveil: een tijd immers, waarin wij, geconfronteerd met een steeds voortschrijdende secularisatie, ons meer dan ooit gedwongen weten, de nog beschikbare krachten té bundelen om gezamenlijk de vijand van het ongeloof tegen te gaan. Niet voor niets immers wordt ons door buitenkerkelijken telkens weer verweten, dat onze verdeeldheid ons volkomen ongeloofwaardig maakt.

In dit verband denken wij aan een uitspraak van de Oud-Katholieke hoogleraar Dr. M.F.G. Parmentier, die aan de Vrije Universiteit van Amsterdam de "Theologie van de Charismatische Vernieuwing" doceert. In een gesprek met zijn Apeldoornse collega Dr. J.W. Maris, voorafgaande aan het enige tijd geleden gehouden jubileumcongres over charismatische vernieuwing, maakte hij de opmerking: "Ik heb niet zo de neiging om naar de rand te kijken om te beoordelen wie wel of geen christen is. Ik weet niet zo precies waar de rand is en richt me liever tot de kern. Concreet betekent dit dat ik iedereen christen noem die een volgeling wil zijn van Jezus Christus, alle christologieën ingesloten" ("Reformatorisch Dagblad" d.d. 28 februari 1998). Een opmerking, die ons nadrukkelijk bepaalt bij het onderscheid tussen fundamentele en met-fundamentele geloofsartikelen, bij de vraag dus, wat nu werkelijk voor het christelijk geloof van wezenlijk belang is. Met andere woorden: bestaat er zo iets als een grootste gemene deler, die voor de geloofs-inhoud van de verschillende tradities op het kerkelijk erf bepalend is?

In elk geval is het naar onze overtuiging bijzonder betreurenswaardig, dat de wegen van Da Costa en Kohlbrugge, en dat ten koste van Da Costa's vriendschap met De Clercq, uiteengegaan zijn. Men kan de vraag stellen, of Kohlbrugge zich, toen hij, nota bene met een beroep op zijn eigen vriendschap met hem, De Clercq bezwoer de band met Da Costa te verbreken, door gevoelens van rancune jegens laatstgenoemde heeft laten leiden. Maar ook afgezien van deze vraag menen wij zonder enig voorbehoud te moeten stellen, dat Kohlbrugge in dezen zonder meer over de schreef gegaan is, zoals dit b.v. ook geldt van zijn eerder door ons aangehaald schrijven aan Koenen - "een vlijmscherp briefje", aldus Dubois - naar aanleiding van diens uiting van ongerustheid over Kohlbrugge's visie op het derde deel van de Heidelberger, - een schrijven, waarin Kohlbrugge verklaarde, dat hij het niet zijn roeping achtte, "omtrent het derde deel van den Catechismus verklaringen te doen aan menschen, die van het eerste deel van dat geestelijk meesterstuk nog niet hebben de bevindelijke kennis"! Wij vallen Dubois bij, wanneer deze, in navolging van Mevrouw Kluit, concludeert, dat "op dit antwoord alleen maar een zwijgen paste". En onwillekeurig vragen wij ons af, of het niet alleszins begrijpelijk is, dat Da Costa op een gegeven ogenblik, hierin gesteund door De Clercq, spreekt van de "Mephistopheles-toon" van Kohlbrugge, - een toon, die naar beider overtuiging "niet uit God" kon zijn.

Kohlbrugge heeft inderdaad van "de gelovige Bijbelvertolker", die Da Costa ongetwijfeld was, "weinig heel gelaten". Ook Da Costa was Het zonder enige twijfel om de Boodschap van de Heilige Schrift te doen. Ongeveer dertig (!) jaar lang heeft hij door de Bijbellezingen, wekelijks door hem in zijn gastvrije woning gehouden, voor velen tot zegen mogen zijn. En ook nu nog, anderhalve eeuw later, worden wij, dank zij de aantekeningen, die J.F. Schimsheimer van het gesprokene gemaakt heeft, gegrepen door het bezielende vuur, dat deze "geniale,- profetische Israëlitische christen", aldus Dr. RL. Schram, tijdens zijn voordracht bezield moet hebben. Zien wij nu op die fel bewogen jaren uit de eerste helft van de vorige eeuw terug, dan weten wij ons, levend in een tijd, die geestelijk zoveel armer is, dankbaar niet alleen voor het profetisch getuigenis van een Kohlbrugge, maar ook voor hetgeen een Da Costa ons aan geestelijke schatten heeft nagelaten. Van beiden geldt, dat zij "nog spreken, nadat zij gestorven zijn", zij het, dat het stemgeluid van de één onmiskenbaar verder reikt dan dat van de ander.