Terug naar Ecclesianet.nl

Vriendschap in Christus (VII)

Ds. J.G. BARNHOORN, Nunspeet

VRIENDSCHAP IN CHRISTUS (VII)

Ontwikkeling binnen het Reveil

De hierboven weergegeven conflicten weerspiegelen een ontwikkeling in het Reveil van "piëtistisch, romantisch en individualistisch" in de jaren 1820-1830 (de jaren van de bezinning op en de verdieping van het eigen geloofsleven) naar de periode, waarin het Reveil de praktijk gaat zoeken: de actieve heiligmaking, de dienst aan kerk, staat en maatschappij komen in het middelpunt van de belangstelling te staan. Het is heel boeiend, op te merken, hoe deze wending naar het "realisme" - een wending, die, na 1840, met het optreden van Ottho Gerhard Heidring (1804 - 1876) en dat van de "Christelijke Vrienden" wordt voltooid - zich ook op het persoonlijke vlak, in het leven van iemand als Da Costa, voltrekt. Met zijn "Voorlezingen over Vaderlandsche Geschiedenis" (1831 - 1838) breekt er in zijn ontwikkelingsgang een nieuw tijdperk aan, waarin zijn redacteurschap van de "Stemmen" (1834 - 1840) een volgende mijlpaal betekent, terwijl met zijn benoeming tot lid van het "Koninklijk Instituut" (1839), gevolgd door de succesvolle voordracht van zijn "Vijf en twintig jaren", het groeiproces voltooid wordt, hetgeen de opheffing van zijn (zelfgekozen) isolement betekent.

Zoals hiervoor reeds door ons gereleveerd, heeft De Clercq een ontwikkeling in tegenovergestelde richting doorgemaakt. Waren er reeds in zijn Haagse jaren "bevindelijke en wereldmijdende trekken" waar te nemen, in de tweede helft van de jaren dertig, na het "voorspel" in de periode-Laatsman, komt het onder invloed van Kohlbrugge tot een radicale tegenstelling tussen geloof en wereld, tussen innerlijk en uiterlijk leven, en begint hij zich, gedreven door "een toenemende angstvalligheid en wereldmijding", steeds meer van de wereld af te wenden. Da Costa wordt nu "een gevaar voor zijn geestelijk leven", waarin "enkel nog maar plaats mocht zijn voor het Kohlbruggiaanse radicalisme dat elke vorm van actieve heiligmaking verwierp": een voortleven van het Reveil van de jaren twintig, "vervormd naar Kohlbruggiaanse snit", zoals Dubois opmerkt.

Toenemende strijd en verwijdering (1841 - 1844)

In maart 1841 ontvangt De Clercq een schrijven van Kohlbrugge en diens volgeling Willem Bernhard Barbe, waarin zij "op hoge toon zijn onderwerping aan hen eisten". Voldoet hij hier niet aan, dan is hij op de weg van het verderf!

Het spreekt vanzelf, dat De Clercq diep geschokt is. Hij vraagt zich af, of hij door God dan wel uit eigen naam geslagen wordt. En hoewel in zijn verhouding met Kohlbrugge "de juiste liefde en het vertrouwen" vooralsnog ontbreken - Dubois: "Het was vooral diens hoogmoed (en die van Barbe) die hem bleef hinderen. Zij vereenzelvigden de eigen waarheid met dè waarheid en spraken vanuit een onaanvaardbare hoogte", waardoor hij zich, terwijl hij hen toch als broeders wilde blijven zien, "in sommige opzichten als geketend gevoelde" - gaandeweg wordt Kohlbrugge's invloed op hem sterker, waardoor hij zich steeds verder van Da Costa verwijdert.

In de loop van 1843 komt het godsdienstig leven van De Clercq steeds meer onder druk te staan. In toenemende mate gaat hij zijn persoonlijk geloofsleven naar Kohlbruggiaanse maatstaven beoordelen, hetgeen in feite een veroordeling betekent. Steeds hulpe-lozer voelt hij zich worden en hij smeekt God om verlossing. Vanzelfsprekend ondervindt ook de vriendschap met Da Costa de gevolgen hiervan, en in augustus 1843 komt het, na enkele inleidende schermutselingen, tot een openlijk en diepgaand conflict tussen hen. Onverbloemd spreekt Da Costa het uit: Kohlbrugge heeft een wig in hun vriendschap gedreven, terwijl hij bovendien schade aan De Clercqs ziel heeft toegebracht! "Het Kohlbrugsche gevoelen, of stelsel", zo schrijft Da Costa aan zijn vriend, "is (kort en klaar) in mijn oog, als beginsel voor geestelijk leven opium, dat onnatuurlijk opwekt, en onnatuurlijk rust geeft; als Bijbelverklaring is het een element van Schriftverdraaiing, opposiet aan, en toch wellicht in den grond verwant met de pantheïstische richting van Groningen; als levensregel is het eene nieuwe menschelljke wet, bestaande in ordeningen, en uitkomende op persoonlijke sympathie of antipathie, voor naturen als de uwe, een middel dat op de fijnste en ver-borgenste roersels van het egoïsmus werkt. Ik behoef er niet bij te voegen, dat het kerkelijk louter negatief, louter ontbindend moet werken, en, waar het iets in de plaats stelt, een kleine uitverkorene onzichtbare Kohlbrugsche-Pauselijke kerk". In zijn antwoord op dit schrijven, dat in eerste instantie overigens "vooral ergernis, onverschilligheid en mensenhaat" bij hem heeft opgeroepen, verzekert De Clercq zijn vriend, dat deze er goed aan gedaan heeft, hem een en ander te schrijven: wederzijdse openheid is, ook al ontbreekt op dit ogenblik de eenheid tussen hen, een grote zegen! Vervolgens gaat hij over tot een uiteenzetting van Kohlbrugge's betekenis voor zijn geloofsleven en zegt hij o.m.: "Hij geeft mij dat getuigenis van God, dat de mensch er geheel onder moet om geheel alles in Christus weder te vinden, en door deze geleid te worden, om, vrede in Hem hebbende, dat woord der Wet, wat vroeger verbrijzelde, lief te hebben en regt en geregtigheid te oefenen op de wereld. Hij werpt alle gebroken bakken om, opdat ik alleen bij de bron het zoeken zoude. Hij redt mij van het vijandschap tegen mijzelven, hij troost dat God wil, dat alles één geheel zij ..."

Na een volgende brief van Da Costa, die zich slechts ten dele door zijn vriend begrepen voelt, beperkt De Clercq, die "in deze dagen sidderde onder de banvloeken van Kohlbrugge en afgestoten werd door diens harde oordeel over mensen, maar aan de andere kant weer getroffen was door diens echt christelijke woorden", zich ertoe, de hoop op nieuw licht uit te spreken. In een persoonlijk gesprek met Da Costa erkent hij, dat diens beoordeling van Kohlbrugge, ofschoon niet vrij van karikaturale trekken, in grote lijnen juist is. Hoewel na dit gesprek "geen uitzicht ziende in zijn verhouding tot mensen in casu Da Costa en Kohlbrugge", noteert hij enkele dagen later, wanneer de storm geluwd is, met dankbaarheid: "De vereeniging tusschen onze harten blijft, door alle stormen heen".

In de laatste maanden van zijn leve/t gaat De Clercq zich steeds sterker met Kohlbrugge verbonden voelen, hetgeen - hoe kan het anders? - een ongunstige uitwerking op de omgang met Da Costa heeft. In december 1843 verzucht hij in zijn "Mémoires" bedroefd: "Ondertusschen, ons spreken is niet in Christus, het is zeer dikwijls buiten Hem om. Onze harten neigen tot elkander, maar er moet nog een crisis plaats hebben, eer wij voor elkander zijn wat wij zijn kunnen". Terecht spreekt Dubois hier van "een trieste constatering na jaren van zo'n intensieve en belangrijke vriendschap". En weliswaar is de door De Clercq verwachte crisis er niet gekomen, maar: "van de door Kohlbrugge veroorzaakte breuk heeft de vriendschap zich niet weten te herstellen"!

Visies op de verhouding De Clercq - Kohlbrugge
Dubois is bepaald niet de eerste, die aandacht heeft gehad voor de grote invloed, door Kohlbrugge op De Clercq uitgeoefend. Verscheidene auteurs vóó
r hem hebben zich hiermee ook reeds beziggehouden, en wel met name Mevr. Dr CE. te Lintum, die in haar proefschrift ("Willem De Clercq, de mensch en zijn strijd", 1938) een psychologische verklaring voor een en ander zoekt te geven. Kohlbrugge had, zo meent zij, een grote behoefte aan martelaarschap. Hij dacht zichzelf volledig aan God te moeten offeren en afstand van de wereld te moeten doen. Een opgave echter, die hem te zwaar is gevallen, waarna hij in het uitoefenen van macht over anderen compensatie gezocht heeft. Hij deed dit overigens geheel onbewust: hij was er oprecht van overtuigd, voor het behoud van De Clercqs ziel op de bres te staan. Maar in de ban van zijn streven, het eigen godsdienstig ideaal in De Clercq verwezenlijkt te zien en - in het verlengde hiervan - van deze een offer te vragen, verloor hij diens persoonlijkheid uit het oog, hetgeen zowel in godsdienstig als in psychologisch opzicht een misrekening betekende.

De Clercq vormde zich onder invloed van Kohlbrugge een ideaal van zichzelf, dat met zijn eigen wezen in strijd was, waardoor hij de neigingen, die voor zijn eigen wezen kenmerkend waren, voortdurend onderdrukte: de door Kohlbrugge van hem geëiste ascetische levenshouding paste niet bij hem. Het gevolg was een breuk in zijn ontwikkelingsgang, waardoor hij aan zijn eigenlijke bestemming, de verwezenlijking van het beeld Gods in hem, niet kon beantwoorden. Terwijl hij méénde de stem van het eigen geweten te volgen, was het in werkelijkheid een hem (door Kohlbrugge)  opgelegd geweten, dat de koers aangaf. Hij had, aldus Mevr. te Lintum, de moeilijkheden in zijn leven kunnen overwinnen, wanneer hij meer zelfkennis had bezeten, wanneer hij de stem van zijn eigen geweten had gevolgd. Dan zou hij zich - als de mens, die hij in werkelijkheid was - aan God hebben kunnen overgeven en in Hem rust gevonden hebben. Hij heeft echter "een geloofsleven tot het zijne trachten te maken, dat ten deele niet bij hem paste en waarvoor hij ten deele nog niet rijp was. Hij heeft zich willen verloochenen, zonder zichzelf uit Gods hand weer te aanvaarden. De vergeving is geen realiteit in zijn leven geworden" (a.w., pag. 181).

Dubois is van mening, dat Mevr. te Lintum hier de plank misslaat. In de eerste plaats wil het er bij hem niet in, dat het De Clercq aan zelfkennis ontbroken heeft. De Clercq had zelfs, zoals zijn "Mémoires" en de briefwisseling met Da Costa ons laten zien, een "diep zelfinzicht, - een zelfinzicht, dat "niet zelden overging in genadeloze zelfkritiek". Een tweede punt van kritiek op de visie van Mevrouw te Lintum betreft "haar geloof in de harmonische ontwikkeling van de mens, in casu die van De Clercq". Dubois acht haar in dezen te optimistisch: "Neem alle belemmeringen weg (de mogelijkheid 'hiervan wordt dus verondersteld) en", zo geeft hij haar gedachtegang weer, "de ziel kan zich in overeenstemming met haar aanleg ontplooien": een gedachtengang, die hij niet acceptabel acht, omdat in het leven van de mens - die immers "in hoge mate gebondenheid, lot" is - belemmeringen een onvermijdelijk gegeven zijn. Overigens doen wij er, aldus Dubois, met een verwijzing naar Noordmans' opstel "Psychologie en Evangelie ("Zoeklichten", pag. 59-82), beter aan, ter verklaring van een en ander, niet bij de psychologie te rade te gaan: "Wij doen De Clercq veel meer recht wanneer wij zijn behoefte aan overgave in geloofslicht beschouwen. De Clercq verlangde naar volstrekte genade. Weg met al die werken der Wet die ik onmogelijk kan vervullen! Bevrijd mij van mijn voortdurend geschokt geweten en laat mij drijven op het schip der genade! Uiteindelijk gaat het hier niet om psychologie, maar om theologie, om Evangelie. Hoe vind ik troost en genade voor mijn ziel? Alleen vanuit deze vraag kunnen we De Clercqs strijd verstaan. Het is triest dat bij De Clercq de behoefte aan overgave geleid heeft tot onderwerping aan Kohlbrugge en deze tussen hem en God is gaan instaan. De Clercq heeft geen weerstand kunnen bieden aan de heerszucht en banvloeken van Kohlbrugge en heeft zijn geloofsvrijheid aan hem opgeofferd".

Aldus het oordeel van Dubois, die tenslotte, met een verwijzing naar een artikel van J. Hobma in "De Gids" (Jrg. 71, 1907): "Willem De Clercq, Da Costa en Kohlbrugge", concludeert, "dat Kohlbrugge de persoonlijkheid van De Clercq diep heeft aangetast. Dit geldt zowel voor De Clercqs geloofsleven als voor zijn vriendschap met Da Costa. De oude vriendschapsbanden waren en bleven sterk, maar veel meer dan Laatsman ... heeft Kohlbrugge de vriendschap tot in het merg aangetast. Hierdoor zijn uiteindelijk de intieme toon en innigheid der vriendschap sterk verminderd en waren er vooral de laatste jaren van De Clercqs leven voortdurend spanningen". Een in onze ogen alleszins aannemelijke conclusie, waarmee wij voor ons gevoel echter - maar is dit goed beschouwd niet onvermijdelijk'? - toch weer op het terrein van de psychologie terechtgekomen zijn ...

In de beide volgende nummers van ons blad hopen wij, ter afsluiting van onze beschouwingen over het proefschrift van Dubois, enkele kritische vragen naar aanleiding van de verhouding De Clercq - Da Costa -Kohlbrugge te stellen en enige voorzichtige conclusies uit een én ander te trekken, om ons tenslotte op de mogelijkheid van een "vriendschap in Christus" in onze tijd te bezinnen, waarbij wij tevens willen vragen naar de betekenis, die de briefwissejing voor een dergelijke verhouding zou kunnen hebben.