Terug naar Ecclesianet.nl

Theologiestudie tussen fundamentalisme en modernisme (slot)

Drs. N. STAM, Kinderdijk

THEOLOGIESTUDIE
TUSSEN FUNDAMENTALISME
EN MODERNISME (SLOT)

5. Bijbel wetenschap tussen fundamentalisme en modernisme

De Nederlandse Geloofsbelijdenis beschrijft prachtig het samenspel van God en mens in de teboekstelling van de openbaring: "Wij belijden dat dit Woord van God niet is voortgekomen uit de wil van een mens, maar dat mensen, door de Heilige Geest gedreven, van Godswege gesproken hebben, zoals de heilige Petrus zegt in 2 Petrus 1,21. Daarna heeft God in zijn bijzondere zorg voor ons en ons heil aan zijn knechten, de profeten en apostelen, geboden. zijn geopenbaarde Woord op schrift te stellen; en zelf 'heeft Hij met zijn vinger de twee tafelen van de Wet geschreven. Hierom noemen wij zulke geschriften heilige en goddelijke geschriften.'1 (NGB, 3)

Wat wij in de bijbelwetenschappen bestuderen, is de schriftelijke neerslag van dit hemelse initiatief, waarbij God verschillende mensen op verschillende tijden en plaatsen, en in verschillende culturen, met verschillende mogelijkheden en beperkingen heeft geïnspireerd, datgene op te schrijven wat Hij eerst tot hen of tot andere mensen had gesproken of op andere manier had bekend gemaakt. Wij bestuderen deze schriftelijke neerslag in een cultuur die vrijwel totaal verschilt van die, waarin dit goddelijke geschrift is ontstaan, en op een afstand van ca. 1900 jaar na de jongste bijbelboeken. Dit betekent, dat de bijbelwetenschappen niet al teveel pretenties kunnen hebben. Tegenwoordig willen zij dat ook niet meer: het is al lang niet meer wetenschappelijk om van achter een bureau uit te maken, of een bijbelgedeelte wel of niet "echt" is. Daar kan bijbel wetenschap niet eens een uitspraak over doen, beseft men.

Het woord dat veel orthodoxe studenten kopschuw maakt voor bijbelwetenschap, is "kritiek". Men vat dit woord zo op, als zouden wetenschappers bij hun onderzoek van de Bijbel, het Woord Gods voortdurend onder kritiek stellen, d.w.z. er een negatief oordeel over uitspreken. Dit is een hardnekkig misverstand. Wetenschappers beseffen tegenwoordig heel goed, dat men een geschrift van 2 a 3 duizend jaar oud geheel niet kan bekritiseren in deze zin; het onttrekt zich eenvoudigweg aan dergelijke kritiek en blijft staan zoals het de eeuwen heeft gestaan. "Kritiek"

staat derhalve niet in de betekenis van "negatief oordeel" of "berisping", maar is ontleend aan de oorspronkelijke betekenis van dit Griekse woord {kri-nein) die via het Duitse "Kritik" tot ons is gekomen: "een onderscheid aanbrengen". Het is niets anders dan een verzamelwoord voor de werkzaamheid van het onderscheiden en analyseren. Duitsers gebruikten het woord voor elk wetenschappelijk hulpvak. Al de woorden met "-kritiek" in het tweede lid, zijn niet anders dan hulpvakken, gereedschappen, manieren van kijken, brillen, waarmee men de Bijbel onderzoekt1). Daarbij geldt dat wetenschap nooit een uitspraak kan doen over de goddelijke factor in de openbaring, de inspiratie, het werk van de Heilige Geest, die immers waait waarheen Hijzelf wil. Neen, met de methoden, de kritieken, kijkt men naar de menselijke kant van de Bijbel, de schrijvers, de apostelen en profeten, en elke "kritiek" probeert op eigen wijze te verklaren hoe deze of die schrijver zover is gekomen, dat hij vanuit de oorspronkelijke levende godsopenbaring (epifanie) de bestaande tekst heeft geformuleerd. Achterliggend doel is het opsporen van die oorspronkelijke openbaring. Men wil eigenlijk zo zuiver en puur mogelijk weten, of en zo ja, wat God zelf nu tot die profeet of apostel heeft gezegd, en waar, wanneer en hoe dat heeft plaats gehad. Samenvattend: de "kritieken" zijn niet anders dan hulpmiddelen om vanuit de voorliggende bijbeltekst te komen tot een zo zuiver mogelijke reconstructie van hoe de door mensen schriftelijk vastgelegde openbaring daar en toen historisch werkelijk heeft plaatsgevonden, en daar de lessen voor het heden uit te trekken. Op dit laatste punt is de wetenschap overigens concurrent van de Kerk, die immers in haar belijdenis belijdt dat zij die lessen al lang kent en in geloof beter begrepen heeft dan enige andere kennisbron dat kan bewerkstelligen. Het karakter van de "kritieken" als hulpgereedschappen heeft twee consequenties voor het gebruik:

Als men dergelijke hulpmiddelen niet gebruikt, komt men nooit verder dan een meditatief niveau van bijbelstudie, zeg maar dat van de commentaren van Matthew Henry. Nooit zal de historische en literaire kracht en schoonheid van de Bijbel voor hem of haar die op deze manier leest, opengaan, opbloeien en met verrassende duidelijkheid de afstand tussen toen en nu overbruggen. De nieuwe wijn van de Schrift blijft dan in oude zakken (Mt 9,17), en dat terwijl het zo nodig is in de veranderende tijd oude en nieuwe schatten eruit op te diepen. (Mt 13,52) Het gebruik van de kritische methoden is een geloofsnoodzaak. Een voorbeeld ervan is het boek van dr. W. Aalders: Wet, Tragedie, Evangelie (Den Haag, 1979), dat door een vrijmoedig en gelovig gebruik van historisch-kritische methoden erin is geslaagd, de boodschap van dit zo moeilijke bijbelboek glashelder - wat mij betreft eens voor altijd - naar voren te brengen. Men moet zich altijd bewust blijven dat al die "kritieken", al die manieren van kijken slechts een deel van de waarheid opleveren. Nooit kunnen zij pretenderen de gehele waarheid te ontdekken, laat staan op grond van deelwaarheden verregaande uitspraken tégen de geloofswaarheid van de Kerk te kunnen staven. Bovendien: na toepassing van alle kritiek blijft deze waarheid, dat het Woord Gods altijd nog weer méér is, dan de som van alle gevonden deel waarheden.

Als men zich van deze consequenties bewust is, kan men de "kritieken" - en dus tevens de modernere commentaren met hun bijna onwaarschijnlijk hoge kwaliteit van gegevens - ook als orthodox mens met een gerust geweten benutten. Ik geef er nu enkele voorbeelden van.

Tekstkritiek is het hulpvak dat uit de veelheid van bewaard gebleven manuscripten - die nooit zo oud zijn als de tijd van het ontstaan van de Bijbel zelf-probeert de oorspronkelijke tekst van OT en NT te reconstrueren, zeg maar de tekst zoals bijvoorbeeld Paulus zelf heeft geschreven. Dit is geen eenvoudige opgave als men weet dat bijvoorbeeld van het NT alleen al meer dan 3000 complete Griekse manuscripten of fragmenten zijn bewaard. Verschillen in vertalingen berusten vaak op welk manuscript aan die vertaling ten grondslag heeft gelegen. Zo staat bijvoorbeeld in Lk 2,40 in de NBG vertaling 1951: "Het kind groeide op en werd krachtig", terwijl de oudere Statenvertaling (SV) heeft: "En het Kindeken wies op en werd gesterkt in den geest". Tekstkritisch onderzoek wijst uit, dat de oudere SV gebruik heeft gemaakt van jongere manuscripten dan de NBG, én dat in deze jongere geschriften waarschijnlijk een "kanttekening" (glosse) van een monnik per ongeluk in de hoofdtekst is verzeild; geraakt, en dus ook in de SV. Zo kan tekstkritiek heipon de Bijbel iets te verduidelijken. Op grond van de SV krijgt men de indruk dat Jezus een geestelijke reus aan het worden was, wat natuurlijk strookt met de leer van zijn goddelijke natuur. Maar op grond van de tekst in de NBG blijkt, dat de betekenis van deze zin deze is: Jezus groeide op en werd een flinke jongen. De nadruk ligt dus op zijn menselijke natuur, wat zeker ook in overeenstemming is met de tendentie van de geboortever-halen uit Lk I en 2. Tekstkritiek gaat dus uit van het moment, waarop de bijbelse "oertekst" ooit voor de allereerste keer compleet heeft bestaan, en onderzoekt alles wat daarna is geschied aan overschrijven en vertalen, met alle gevolgen van dien. Het is een kritiek die ook door orthodoxe studenten zonder veel gewetensbezwaar wordt aanvaard.

Literaire kritiek werkt vanaf het moment van die allereerste "oertekst" terug in de historie, en onderzoekt, of die oertekst mogelijk ontstaan kan zijn door het citeren en/of opnemen en/of redigeren van nog oudere geschriften. Zij kijkt naar indicatoren als "nodeloze" herhalingen, stereotiepen, gebruik van de godsnaam, etc. Het meest bekend is deze literaire kritiek geworden door haar - sterke - hypothese van vier bronnen J, E, D en P die achter de vijf boeken van Mozes zouden liggen. Hierover maakt het fundamentalisme vaak veel lawaai: "Zo wordt ontkend dat Mozes de eerste vijf boeken van de Bijbel heeft geschreven". Maar mijn vraag is: Wat doet deze hypothese nu eigenlijk af aan het geloof? Antwoord: Niets! Het is volstrekt niet onmogelijk dat Mozes oudere bronnen tot zijn beschikking heeft gehad en opgenomen, en het is ook heel aannemelijk, dat na Mozes nog veel meer materiaal is toegevoegd en geredigeerd

zoals deze hypothese ook impliceert. Alleen al het slot van Deuteronomium kan niet door Mozes zelf geschreven zijn, moet zelfs de meest doorgewinterde biblicist toegeven. Literaire kritiek helpt om afzonderlijke verhalen en kronieken te traceren. Zo lijkt bijvoorbeeld in onze vertalingen het scheppingsverhaal vanaf Gen 2,4 naadloos aan te sluiten op Gen 1,1-2,3. Dat is echter een vertekening. Gen 2,4 begint met: "Dit is de geschiedenis van ...", en de literaire kritiek heeft aan het licht gebracht, dat deze term (Hebr: elle toledoot) steeds een nieuw verhaal markeert. Men vindt ze ook in Gen 5,1; 6,9; 10,1; 11,10; 25,12.19; 36,1.9. Daaruit moeten wij dus afleiden dat er twee, verschillende, scheppingsverhalen in de Bijbel zijn opgenomen, waarvan Gen 2,4vv. waarschijnlijk het oudste is. Deze kritiek opent dus de ogen voor een bijbelse waarheid, die men zonder haar nauwelijks kan zien.

Traditiekritiek onderzoekt de waarschijnlijke gang van een traditie door de overlevering heen. Zij heeft een arsenaal van regels, die vertellen wat een mondelinge of schriftelijke traditie in de loop van haar geschiedenis doet. Dit arsenaal is overigens afgeleid uit de Bijbel zelf en uit wat men heden ten dage nog steeds kan zien bij schriftloze volkeren. Zo onderzoekt zij bijvoorbeeld hoe een traditie - bijvoorbeeld een woord van Jezus - is uitgewerkt, "theologisch volwassen" is geworden in een Evangelie. Zij zoekt welke vorm ervan, en in het kielzog daarvan: welk Evangelie het oudste en is en het dichtst bij de historische werkelijkheid staat, waarin Jezus leefde. Uiteraard is het doel van deze kritiek alweer "onomstotelijk" vast te kunnen stellen en te verklaren hoe het leven van Jezus en de ontwikkeling van het christelijk geloof historisch feitelijk in zijn werk is gegaan. Ook deze kritiek zoekt de waarheid, niet de leugen.

Vormkritiek onderzoekt tot welk literair genre, tot welke vorm een bijbelboek of-verhaal behoort, en wat daarvan de formele kenmerken zijn die altijd terugkomen. Dit kan enorme gevolgen voor de uitleg hebben. Een voorbeeld stipte ik al aan: Het Job-boek van dr. Aalders beweert in grote lijnen dat Job een eigen, unieke en eigensoortige Joodse pendant is van de befaamde Griekse tragediën van Euripides. En zie, met deze gedachte op de achtergrond en de kenmerken van de tragedie toepassend op het boek Job, vallen de stukjes van deze exegetisch zo moeilijke puzzel op hun plaats. Een ander voorbeeld is de Brief aan de Hebreeën. Zodra men beseft, dat deze brief eigenlijk een homilie, een preek is, een rede, kan zij met de methoden van de retorische kritiek worden onderzocht. En de boodschap, die anders zo moeilijk uit de brief is te krijgen, tenzij men slechts stichtelijkheden zoekt, opent zich als een bloem uit de knop: Jezus Christus is de ware eeuwige, hemelse hogepriester en blijft als zodanig altijd garant voor het heil, ook wanneer allerlei uiterlijke tekenen van dat heil wegvallen. Over actualiteit gesproken!

Na deze enkele voorbeelden uit vele, moge duidelijk zijn dat er geen reden is om vreesachtig om te gaan met de "kritieken". De student kan ze gerust en open gebruiken. Zij tasten het geloof niet aan, mits men

zich maar steeds bewust blijft van hun wetenschappelijk - dus voorlopig en ten-dele-karakter. Wat gezegd is over de kritieken, geldt ook voor de andere bijbelwetenschappen. Mijn bedoeling is slechts, te zeggen dat de gelovige student in de theologie niet hoeft te werken vanuit een angstpositie die allergische reacties oproept. Als men zich bewust blijft van de beperkingen, van het onderscheid tussen feiten en theorieën, tussen voorstellingen en vooroordelen, tussen waarheid en pretenties, kan de theologiestudie zeer veel opleveren. Bovendien kan men dan ook in contact treden met beoefenaars van andere wetenschappen. Men begrijpt hun instelling, en dat is eerste voorwaarde voor serieus gesprek. Theologen die pretenderen dat het Evangelie zeggenschap heeft op alle levensterreinen, kunnen niet volstaan met het stellen van geloof tegen wetenschap, van gevoel tegen verstand. Dat is onmenselijk. De Goede Rede heeft in de doorwerking naar de wereld alles te maken met goede redenen.

Overigens vallen de echte beslissingen niet in de universitaire theologie, maar. in de kerkelijke. Toen Martin Luther in de Romeinenbrief de ontdekking deed van de gerechtigheid Gods als geschenk, was dat niet slechts een exegetische ontdekking. Het ging ook en vooral,'om de dogmatische plaats van deze gerechtigheid in de leer van de verlossing, nog sterker: de existentiële verlossende kracht ervan in de mens die ze gelooft. En deze ontdekking heeft - om een woord van Noordmans naar de geest; te citeren - meer teweeggebracht dan kasten vol academische theologie.

1. Dit benadrukt nog weer eens dat kritisch-zijn de wetenschappelijke grondhouding is. Dat maakt ook de opmerkingen in het voorgaande over kritisch staan tegenover wetenschappelijke hypothesen duidelijk. Niet angst, maar kritiek als onderscheidend vermogen brengt tenslotte aan het licht, wat wetenschappelijke kennis en waarheid is.