Terug naar Ecclesianet.nl

Vriendschap in Christus (VI)

Ds J.G. BARNHOORN, Nunspeet

VRIENDSCHAP IN CHRISTUS (VI)

Beginnende verwijdering tussen De Clercq en Da Costa

In de jaren 1833 - 1834 wordt de persoon van Kohlbrugge een factor van betekenis in de verhouding tussen De Clercq en Da Costa: De Clercq wordt steeds meer door Kohlbrugge geboeid, hetgeen als vanzelf een verwijdering met Da Costa ten gevolge heeft; maar van een werkelijke aantasting van de vriendschap tussen beiden is vooralsnog geen sprake. In de jaren 1833 - 1836, wanneer de figuur van Laatsman nog volop in de belangstelling staat, lijkt het er zelfs op, dat Kohlbrugge min of meer naar de achtergrond is verdwenen, waar hij overigens nadrukkelijk aanwezig blijkt te zijn. Zo verklaart Da Costa in februari 1835, dat zijn oordeel over Kohlbrugge's preek steeds ongunstiger wordt, terwijl hij een aantal maanden later opnieuw "de ontzettende hoogmoed van Kohlbrugge" aan de kaak stelt. Na 1837 echter, en vooral sedert 1839, wordt, door briefwisseling en bezoeken, Kohlbrugge's invloed op De Clercqs geestelijk leven steeds groter. Steeds meer, aldus Dubois, "raakte hij gefascineerd door de raadselachtige persoonlijkheid van Kohlbrugge, door diens hartelijkheid (soms), gepaard gaande met een zeer sterk zelfbewustzijn dat niet zelden overging in geestelijke hoogmoed". Tegelijkertijd echter valt ons in de gevoelens van De Clercq met betrekking tot Kohlbrugge nu en dan een zekere ambivalentie op. Zo bijvoorbeeld bij een ontmoeting in januari 1837, wanneer hij Kohlbrugge "als

mens hartelijk en geestelijk zeer hoog staande" ervaart, terwijl hij zich tegelijkertijd door "zijn raadselachtige en duistere uitdrukkingswijze, alsmede de hoogmoed" weet afgestoten.

Aanvallen op De Clercq als redacteur van de "Nederlandsche Stemmen"
In september 1837 doet Kohlbrugge een felle aanval op de "Nederlandsche Stemmen over Godsdienst, Staat-, Geschied- en Letterkunde", - een blad, dat zich ten doel stelt, een bijdrage aan de verbreiding van Gods Koninkrijk te leveren. In deze aanval wordt ook De Clercq, als éé
n der redacteuren van het blad, betrokken: Kohlbrugge acht hem en zijn mederedacteuren, gevangen als zij zijn in hoogmoed, niet bekeerd tot de levende God. Een oordeel, dat door De Clercq als hooghartig wordt ervaren en dat Da Costa, die er een openbaring van de hoogmoed in haar meest vergeestelijkte vorm in ziet, doet constateren, dat hier de waarheid wordt gebruikt als een troon om op te zitten en als een stok om mee te slaan. Weliswaar maken Kohlbrugge's vaste geloofsovertuiging en zijn oproep tot bekering indruk op hem, maar ... waar is de liefde, zo vraagt hij zich vertwijfeld af. En dan de door Kohlbrugge gebezigde uitdrukking: "God alléén is een christen, alléén vroom!", - fraai wellicht voor iemand als Schiller, maar: "betaamt zulke onzin in den mond van een leeraar in israël?"

In januari 1839, tijdens een bezoek van De Clercq aan Kohlbrugge, die op dat ogenblik bij Matthijs Westendorp logeert, volgt een tweede aanval op de "Stemmen", die naar de mening van Kohlbrugge "Christus en Belial verenigen". Een bewijs hiervan ziet hij in de artikelen van Da Costa over Nicolaas Beets als christelijk dichter en in die van De Clercq over de opvoeding. Kohlbrugge ontwaart hierin sporen van de door hem zo verfoeide heiligmaking: de mens, die alles uit eigen kracht doet.

Na deze tweede aanval, zo mogelijk nog feller dan de eerste, is De Clercq zó diep geschokt, dat hij niet weet, waar hij het zoeken moet: "Ik kroop waar ik staan moest, ik stond waar ik kruipen moest ...", zo horen wij hem in zijn "Mémoires" wanhopig uitroepen. Het spreekt vanzelf, dat Da Costa van harte met zijn vriend meeleeft en zelfs, zo mogen wij wel zeggen, met hem mee-lfjdt. Dit belet hem echter niet, De Clercq keer op keer ernstig te waarschuwen voor de vereenzelviging van Kohlbrugge's woord met het Woord van God: "Intusschen, gelijk gij in de stem van Kohlbrugge alleen de goddelijke bedoeling ziet, zoo kan ik mij niet onthouden, daarin ook het menschelij-ke, dwalende, ja satanische te zien. Daar is in die richting iets voor u bepaaldelijk zeer verleidends. Dat vereenzelvigen met Christus, dat zondaar zijn uit de hoogte! Gij veroordeelt het, en toch trekt het u", klinkt het in een brief van 23 januari.

De Clercq, hoewel dankbaar voor deze woorden en verheugd, omdat de zielsgemeenschap met Da Costa ondanks alles kennelijk gebleven is, verzekert zijn vriend, dat hij niet op Kohlbrugge, maar op God ziet, zij het, zo merkt hij tevens op, dat hij het getuigenis van Kohlbrugge - een getuige van Gods Woord! -meent te moeten aanvaarden. Af en toe mocht Kohlbrugge dan ongelijk hebben, maar waar het de "Stemmen" betreft moet hij, De Clercq, toch erkennen: "ik ben schuldig, schuldig11, hoewel God weet, zo voegt hij hieraan toe, dat hij Christus en Belial niet heeft willen verenigen.

Wanneer wij De Clercqs "Mémoires" erop nalezen, wordt het ons duidelijk, dat hij het in deze januarida-gen van 1839, waarin hij zich naar eigen zeggen van God en mensen verlaten gevoeld heeft, uitermate moeilijk gehad moet hebben. In een niet aflatende strijd - "de worsteling, de zelfkwelling van een oprecht mens en een vroom christen", aldus Dubois -voelt hij zich voortdurend heen en weer geslingerd: Kohlbrugge is hem "een kind der Voorzienigheid", van wie hij "vele goede en treffende dingen" weet; een man, die "inzigt heeft in vele zaken, vooral in de zondigheid des menschen en de regtvaardigheid des geloofs alléén door Christus...". En toch: "Wie is hij? Uit welke geest spreekt hij? Die vraag kan ik nog niet oplossen", zo verzucht hij in zijn "Mémoires" van de 27ste januari.

Wanneer hij enkele weken later - zelf niet blind voor het "pausdom" van Kohlbrugge, zoals hij enkele weken later aan zijn dagboek toevertrouwt - aan Da Costa schrijft, dat hij bij Kohlbrugge toch ook veel liefde en hartelijkheid opmerkt, reageert deze door hem opnieuw met klem te waarschuwen. Fel laakt hij wat hem in Kohlbrugge als eenzijdigheid en als een onheilzame identificatie van het menselijke en het goddelijke voorkomt. In een schrijven van 19 februari noemt hij Kohlbrugge iemand, ;"die ene goddelijke, schoon meest buiten verband geziene waarheid, dienstbaar maakt aan verderfelijke, voor hemzelve en anderen verderfelijke dwalingen, en personele driften ...", om vervolgens uit te roepen: "Waarlijk! dat vereenzelvigen van den enkelen mensch met Christus is al een zeer erge en hartverblindende dwaling!"

De Clercq reageert niet rechtstreeks op deze brief. Na een openhartig gesprek, waarin geen van beide vrienden de zelfkritiek uit de weg gaat, lijkt het erop, dat de breuk weer is geheeld, zodat De Clercq besluit zijn maandelijkse bijdrage aan de "Stemmen" te blijven leveren. Een half jaar later echter stelt hij zijn redacteurschap van het blad alsnog ter beschikking: een "innerlijk sinds lang voorbereide beslissing", die, aldus Dubois, "een fase in een proces van toenemende wereld mij ding" markeert, - een proces, dat "niet los kan worden gezien van de steeds groter wordende invloed van Kohlbrugge, die meer en meer tussen hem en Da Costa begon in te staan". Het gevolg hiervan is een toenemende verwijdering, die mede in de hand gewerkt wordt, doordat Da Costa een ontwikkeling in tegenovergestelde richting doormaakt: hij krijgt gaandeweg meer waardering voor de wereld!

Da Costa en het "Koninklijk Instituut"

In de loop van het jaar 1840 worden Kohlbrugge's aanvallen op De Clercqs vriendschap met Da Costa en op de persoon van Da Costa zelf steeds feller, waardoor De Clercq zich, "in een onomkeerbaar proces", aldus Dubois, "steeds meer tussen Da Costa en Kohlbrugge fijngemalen" voelt. In een schrijven van begin november aan De Clercq toont Kohlbrugge zich verontwaardigd, omdat Da Costa zich (in november

1839) een benoeming tot lid van het "Koninklijk Instituut" heeft laten welgevallen. Hij ziet hierin een gevaarlijke toewending tot de wereld en waarschuwt De Clercq voor diens vriendschap met iemand, die zo wereldgelijkvormig is geworden. Met klem betoogt hij, dat zowel Da Costa als hijzelf zich sinds lang op de verkeerde weg bevinden. De Clercq mag dan, zoals hij aan Kohlbrugge geschreven heeft, van Da Costa voor het eerst het Evangelie gehoord hebben, het Evangelie kan het niet geweest zijn. Anders zouden hij en zijn geestverwanten Kohlbrugge's persoon en prediking toch niet afwijzen!

Tot zover deze brief, die een diepe gekwetstheid verraadt: nog steeds is Kohlbrugge hevig verontwaardigd over de handelwijze van zijn Reveil vrienden, die hij voor zijn maatschappelijk en kerkelijk isolement aansprakelijk acht. En het kan niet anders, of De Clercq heeft hier begrip voor. Hij erkent, dat er in de woorden van Kohlbrugge een grond van waarheid schuilt, maar tevens is hij van mening, dat deze zijn zaak met de waarheid van het Evangelie vereenzelvigt.

Da Costa's "Vijf en twintig jaren"

Op 16 november van hetzelfde jaar draagt Da Costa in het "Koninklijk Instituut" zijn lied "Vijf en twintig jaren" voor, waarmee hij veel succes oogst. De conservatief gezinde "Avondbode" roemt de godsdienstige stemming, waarvan het lied doortrokken is als "het echte kenmerk van den waarlijk grooten dichter". De Clercq echter, overigens ook zelf door het "heerlijk vers" getroffen, meent zijn vriend tegen de verleidingen van het succes te moeten waarschuwen. In de briefwisseling, hierop volgend, wordt nergens de naam van Kohlbrugge genoemd, maar "toch lag onmiskenbaar zijn schaduw erover", aldus Dubois. Overigens is zowel uit de correspondentie als uit de "Mémoires" op te maken, dat de strijd tussen wereldaanvaarding en wereldverzaking voor De Clercq steeds heviger wordt, - een strijd, die hem des te zwaarder valt, doordat "deze twee levenshoudingen gepersonifieerd werden door mensen die hij liefhad en bewonderde, mensen die bovendien beiden niet vrij waren van een zekere heerszucht".

Twee dagen na Da Costa's voordracht ontvangt De Clercq van Kohlbrugge een felle brief, waarin deze hem, "in typisch Kohlbruggiaanse terminologie", bezweert, zich "ter wille van zijn zieleheil" (!) van zijn wereldgelijkvormig geworden vriend los te maken. "Met een beroep op zijn vriendschap voor De Clercq en volledig overtuigd van zijn goddelijke roeping", dringt Kohlbrugge er bij hem op aan, zijn "betuigenissen en vermaningen in den Heiligen Geest" te verdragen en aan te nemen, "opdat gij niet bevonden wordt te zondigen tegen den Heiligen Geest, die na lange lankmoedigheid een verterend vuur is allen ongehoorzamen, allen die de ongerechtigheid liefhebben en den leugen doen". Het hoeft geen betoog, dat De Clercq van dit schrijven diep onder de indruk was:" Daar ging ik naar bed, met Da Costa en Kohlbrugge als reuzen voor mij ... Moge God de knoop doorhakken en mij Zijn wil tonen", zo roept hij in zijn "Mémoires" vertwijfeld uit. Uiteindelijk is het de reus Kohlbrugge - in wie hij meer en meer een gezant van God gaat zien - die het pleit wint: steeds sterker wordt in hem de neiging, in verzaking van de wereld en een steeds voortschrijdende zelfverloochening Gods wil te zien, hetgeen uiteraard een toenemende verwijdering met Da Costa ten gevolge heeft. Overigens is juist het feit, dat Kohlbrugge's naam in het briefverkeer van deze novemberdagen angstvallig verzwegen wordt, er de oorzaak van, dat een openlijke breuk tussen de beide vrienden wordt voorkomen.