Terug naar Ecclesianet.nl

Vriendschap in Christus (V)

Ds. J.G. BARNHOORN, Nunspeet

VRIENDSCHAP IN CHRISTUS (V)

Heiligmaking en vriendschap: Kohlbrugge in het leven en in de vriendschap van De Clercq en Da Costa

In het negende hoofdstuk van Dubois' boeiende studie wordt de rol van Kohlbrugge in de verhouding tussen de beide vrienden onderzocht.

Het opschrift boven dit hoofdstuk is al bijzonder veelzeggend: een opschrift, waarin ons de verbinding opvalt van twee elementen (heiligmaking en vriendschap), die op het eerste gezicht weinig met elkaar uit te staan hebben, doch die bij nadere beschouwing een verbinding blijken te kunnen aangaan, die een wezenlijke verrijking van de vriendschap betekenen kan. Een verbinding echter, die - en dat is de diepe tragiek van de relatie, door Dubois in zijn proefschrift geschetst - in de verhouding tussen De Clercq en Da Costa geen positieve, maar een uitgesproken negatieve werking gehad heeft: de heiligmaking als splijt-zwam in een vriendschap, die, als in Christus gegrondvest, onaantastbaar scheen. Na een korte beschrijving van het leven van Kohlbrugge brengt Dubois diens verhouding tot het Reveil ter sprake, waarbij uitvoerig aandacht wordt besteed aan de reacties, die Kohlbrugge vanuit deze kring ten deel gevallen zijn na de uiterst bittere ervaringen, eerst in de Hersteld-Evangelisch Lutherse Gemeente te Amsterdam en vervolgens in de Hervormde Kerk opgedaan, ervaringen, door hem neergelegd in zijn geschrift: "Het Lidmaatschap bij de Hervormde Gemeente hier te lande mij willekeurig belet. Vooraf gaat mijne afzetting als Luthersch proponent. Echte bescheiden van H.F. Kohlbrugge. Doctor in de Godgeleerdheid" (Amsterdam, 1833).

Deze publicatie, een uitvoerige weergave van Kohlbrugge's "martelgang langs de kerkelijke instanties", veroorzaakte grote opschudding in de kringen van het Reveil. Men voelde: hier moet iets aan gedaan worden. En dat gebeurde dan ook. Althans: er werd een aanzet toe gegeven. Op verzoek van Abraham Jacob Twent, tot de Haagse afdeling behorend, verklaarde Da Costa, onder de Reveilvrienden een man van gezag, zich bereid, een protest tegen de handelwijze van de Hervormde Synode op te stellen. Men besloot tot een bijeenkomst, die op 3 april 1833 ten huize van Matthijs Westendorp, een zwager van De Clercq, gehouden zou worden. Deze bijeenkomst echter - behalve door de beide vrienden o.m. door Abraham Capadose, H.J. Koenen, A.M.C, van Hall, Hcnri Gildemeester en de predikant van Doeveren, Ds. H.P. Scholte, bijgewoond - leverde vrijwel niets op. Na een "meer verstandig dan hartelijk" bijeenzijn, aldus De Clercq in zijn "Mémoires", ging men uiteen zonder tot een besluit, laat staan tot een concrete daad te zijn gekomen. Het oordeel van Kohlbrugge's biograaf, Dr. J. van Lonkhuijzen - "Onder het gemoedelijk zingen van Psalm 331 liet men een broeder het smadelijkst onrecht ervaren" - moge, aldus Dubois, te hard zijn, hetgeen De Clercq over deze bijeenkomst schrijft getuigt inderdaad van een schrijnend gebrek aan hartelijkheid en medeleven met een man, die, nadat hij bijna twee maanden tevoren zijn vrouw verloren had, "in een huiselijk, maatschappelijk en kerkelijk isolement verkeerde". Het is dan ook geen wonden dat Kohlbrugge enige tijd later, na zelfs nog geen bemoedigende brief van zijn "broeders" ontvangen te hebben, diep teleurgesteld in zijn vroegere vrienden naar Elberfeld vertrok, waar hij overigens nog in hetzelfde jaar, door zijn geruchtmakende preek over Romeinen 7 : 14, ook in Reveilkringen de aandacht zou trekken.

Kohlbrugge's preek over Romeinen 7 : 14

In de zomer van 1833 verscheen Kohlbrugge's geruchtmakende "Gastpredigt" over de tegenstelling tussen de Wet, die "geestelijk", en de mens, die "vleselijk'" is (Romeinen 7 : 14). Een preek, bekend door, zoals men gewoon is te zeggen, de ontdekking van een komma: "maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde". Met andere woorden: wij moeten in dit Schriftwoord niet lezen: "voor zover ik vlees ben, ben ik verkocht onder de zonde" (om er vervolgens in gedachten aan toe te voegen: "maar in geestelijk opzicht staan de zaken er gelukkig heel wat beter met mij voor"!), maar: "ik, zoals ik ben, ben (en blijf) vleselijk, ben (en blijf) verkocht onder zonde"!

Tussen twee haakjes: goed beschouwd gaat het hier niet zozeer om de ontdekking van. een komma - in de oorspronkelijke tekst van het Nieuwe Testament komen helemaal geen leestekens voor, zoals trouwens ook de indeling in hoofdstukken "ontbreekt - als wel om het inzicht, dat het woord "vleselijk" in de tekst geen bijwoord, maar een bijvoeglijk naamwoord is. Dat wil zeggen: het woord "vleselijk" heeft geen betrekking op "verkocht onder de zonde", maar het behoort, net als "verkocht onder de zonde", bij het persoonlijk voornaamwoord "ik"!

Deze preek, waarin Kohlbrugge grondig afrekent met "alle theologie, die op de een of andere manier de aandacht op de mens wil richten" (Dr O.J. de Jong, "Nederlandse kerkgeschiedenis", pag. 323), riep in de gelederen van het Reveil heftige reacties op, waarvan er slechts enkele, zoals die van J.J.E.F. Schröter, de uitgever van het tijdschrift "De leer van de bijbel, bijdragen van en voor gereformeerde christenen" (1832 - 1843), instemmend waren. Verreweg de meeste Reveilvrienden waren negatief in hun oordeel. En het was Da Costa, die zich tot hun woordvoerder maakte, toen hij in een uitvoerige brief van 15 november van dat jaar aan Elberfelds "Gastprediger", "met volledig voorbijzien van Kohlbrugges bedoeling om troost te verschaffen aan bekommerde zielen en zonder oog voor diens dialectiek", zoals Dubois opmerkt, de kern van de zaak meende te raken door van "antinomisme en de hiermee samenhangende afwijzing van (de mogelijkheid van) actieve heiligmaking, de verwerping van het heiligheidsstreven" te spreken, - een oordeel, waarvoor hij zich o.m. op Luther en Calvijn meende te kunnen beroepen. Bovendien was Da Costa van mening, dat Kohlbrugge in deze preek bij de eerste twee delen van de Heidelbergse Catechismus, ellende en verlossing, bleef stilstaan, waardoor hij het derde deel, dat van de dankbaarheid, niet voldoende tot zijn recht liet komen: hij ging niet verder op de

door Paulus aangewezen weg van de (actieve) heiligmaking, die het slot. ja, de kroon van de leer der zaligheid vormt. De heiligmaking is de vervulling van de koninklijke Wet van Christus, volledig verschillend van die van Mozes, van de stenen tafelen, die gebieden en beloven. De Wet van Christus, daarentegen is geschreven in de "vleeschen tafelen des harten, met eene belofte van genadekracht bij en tot de vermaning, noodiging, uitlokking (niet langer dreigende eisch) tot heiligheid''.

Da Costa legde, net als Kohlbrugge, de rechtvaardiging buiten de mens, maar in tegenstelling tot deze hield hij tevens vast aan de heiligmaking, hoe gering ook, in de mens: "Niet dat wij ons zelven als in eigen kracht ten deele of geheel kunnen heiligen voor of na onze bekeering en rechtvaardigmaking, maar onze heiligmaking is "de wording der gestalte van Christus in ons door den Heiligen Geest" (cursivering van mij, J.G.B).

In februari 1834 beantwoordt Kohlbrugge Da Costa's schrijven. In een epistel, dat bijna vijfmaal zo uitvoerig is als de brief van zijn "waarde broeder", betoogt hij, dat het verwijt inzake "dergelijke gruwelijke en helsche dwaling", hem door Da Costa ten laste gelegd, volkomen ongegrond is. Hoe komt deze er eigenlijk toe, hem hiervan te beschuldigen? Het is hem toch bekend, dat hij, Kohlbrugge, "met eene reine con-sciëntie voor God en menschen zoekt te wandelen"? Hoe zou hij dan een antinomiaan kunnen zijn? Dat is toch volstrekt ondenkbaar: in geest en waarheid predikt hij Christus. Van de door God Zelf hem in de mond gelegde waarheid kan Hij niets afdoen! De bewuste preek was een en al waarschuwing tegen "die heiligmaking, welke de Christen zich voorstelt naar eene wettische, en niet evangelische wijze, dus zoolang hij nog niet tot het geloof gekomen is". Zonder enige grond is ook het verwijt inzake het ontbreken van de dankbaarheid. De preek, aan niets anders dan aan genade, vrede, blijdschap en gerechtigheid gewijd, wilde juist één en al loflied zijn! Niet hij, Kohlbrugge, maar Da Costa zélf denkt op een onbijbelse manier over de heiligmaking. Vandaar, dat het hem is ontgaan, dat héél de preek, vanuit een oprecht geloof gehouden, een oproep tot godzaligheid en een heilige levenswandel was.

Met een beroep op Luther benadrukt Kohlbrugge nog eens de volkomenheid van de gelovige in Christus. Natuurlijk valt Gods eis tot heiligmaking niet te loochenen, maar de gedachte, dat deze van de gerechtigheid onderscheiden moet worden, is in strijd met de Heilige Schrift, zoals het ook onbijbels is te stellen, dat de heiligmaking de kroon op de leer van de zaligheid zou zijn. Alle heiligheidsstreven verwijdert de mens slechts van Christus.

In het conflict tussen Kohlbrugge en Da Costa gaat het, aldus Dubois, om de tegenstelling tussen een lijdzaam geloof enerzijds en een actief geloof anderzijds. De bevindelijke Kohlbrugge vertegenwoordigde de eerste, terwijl de actieve Reveilman Da Costa een representant van de laatste belevingswijze was.

Hoe nu dit conflict te beoordelen?

Dubois - overigens neigend tot het gevoelen van W. Otten ("Uit het levensboek van Dr. H.F. Kohlbrugge"; 1992), dat Kohlbrugge "'in de wetenschappelijk-theo-logische strijd de sterkste" is geweest - onderschrijft de mening van Mevrouw Kluit, dat Kohlbrugge "van de gelovige Bijbelvertolker Da Costa weinig heel gelaten heeft". Een uitspraak, die ons alleszins aanvaardbaar voorkomt, wanneer wij horen, dat De Clercq, blijkens een schrijven aan Groen van Prinsterer, "tot in zijn ziel geschokt" is, terwijl Koenen, die, zoals hij C.M. van der Kemp laat weten, Kohlbrugge's brief aan Da Costa "geheel van hoogmoed doordrongen" acht. Wanneer Koenen dan enkele dagen later, in een evenwichtig en vriendschappelijk schrijven, Kohlbrugge zelf van zijn ongerustheid over diens visie op het derde deel van de Heidelberger deelgenoot maakt, ontvangt hij van deze een vlijmscherp briefje terug, waarin hij hem te kennen geeft, dat het tegen zijn roeping ingaat, "omtrent het derde deel van den Catechismus verklaringen te doen aan menschen, die van het eerste deel van dat geestelijk meesterstuk nog niet hebben de bevindelijke kennis". Koenen heeft op dit schrijven niet gereageerd. Kennelijk was hij van mening, dat, zoals Mevr. Kluit in haar boek "Het protestantse Reveil in Nederland en daarbuiten 1815 - 1865" (pag. 239) constateert, "op dit antwoord alleen maar een zwijgen paste", zoals ook Da Costa zich van een antwoord aan Kohlbrugge onthouden heeft: "de enige passende reactie op een dergelijke agressiviteit en hoogmoed, waarvan de oorzaak deels gezocht moet worden in Kohlbrugges grote en begrijpelijke verbittering over de houding van Da Costa en de zijnen in het vorig jaar, deels in Kohlbrugges karakter", aldus het oordeel van Dubois over deze uitermate trieste affaire.