Terug naar Ecclesianet.nl

Theologiestudie tussen fundamentalisme en modernisme (II)

Drs. N. STAM, Kinderdijk

THEOLOGIESTUDIE

TUSSEN FUNDAMENTALISME

EN MODERNISME (II)

De Bijbelwetenschappen veroorzaken veel moeite

In de bijbelwetenschappen, de exegese van het O.T. en NT en hun hulpvakken, komt de spanning tussen geloof en wetenschap sterk aan het licht. Als de wetenschap bijvoorbeeld in staat zou zijn ondubbelzinnig aan te tonen dat Jezus nooit bestaan zou hebben, dan valt de historische grond onder het geloof weg, en daarmee het geloof zelf, en komt men in grote hulpeloosheid terecht. Deze spanning komt tot uiting in een aantal fenomenen, waarvan ik er enkele noem: Een wetenschap met een positivistisch kennisbegrip en universele geldigheidspretentie heeft moeite met de wonderen in O.T. en N.T.: vissen die profeten opslokken, stormen die worden gestild, vermenigvuldiging van broden en vooral: doden die worden opgewekt.

Een evolutionistische opvatting over het ontstaan van het heelal en de scheppingsvoorstelling van Genesis 1 verdragen elkaar heel moeilijk.

De bijbelkritiek heeft uit het verleden - niet geheel ten onrechte - de reputatie, dat zij allerlei passages die haar niet passen, rücksichtlos uit de Bijbel "verwijdert", d.w.z. "onecht" verklaart. Wat moetje als gelovige student aan met zulke kritiek?

Het wereldbeeld van de Bijbel is niet' meer het onze. Het natuur-wetenschappelijke wereldbeeld van de wetenschap wekt de schijn dat er geen "hemel" is, geen plaats waar God - of de opgestane Heer Jezus -zich zou kunnen ophouden.

Een geloof dat berust op een leer van letterlijke, mechanische inspiratie, en dat de Bijbel dus beschouwt als een vademecum op elk gebied van ons kennen, moet wel geschokt worden als uit andere wetenschappen theorieën en feiten naar voren worden gebracht, die deze veronderstelde encyclopedie-achti-ge inhoud van de Bijbel tegenspreken.

Nu is een zekere spanning tussen geloof en wetenschap heel gewoon, maar wanneer de stortvloed van de theologie over de studenten komt, wordt - zeker in het begin - te weinig beseft dat geloof en wetenschap niet per definitie eikaars vijanden zijn. Geloof pretendeert te berusten op historisch geloofwaardig te maken ingrijpen van God; en wetenschap pretendeert minimaal de historische waarheid te dienen, niet de leugen. Zoekend naar waarheid strijdt wetenschap derhalve niet tegen de Bijbel, voorzover beide relevant zijn voor elkaar. Objectieve wetenschap erkent dat in de Bijbel op plausibele, waarheidsgetrouw aandoende manier over wonderen wordt gesproken. Deze wetenschap erkent zulke wonderen voorlopig als feiten, en erkent dat ze deze (nog) niet verklaren kan. Natuurlijk probeert zij dat wel, en dat is haar goed recht. Zo zijn er bijvoorbeeld de laatste tijd hypothesen ontwikkeld, die de genezingen van Jezus trachten te verklaren uit wat vandaag bekend is van psychosomatische ziekten. Jezus zou dan de psyche van mensen hebben genezen door zijn bevrijdend woord te spreken, en daardoor zou het lichaam (soma) zijn bevrijd van de lichamelijk ermee verbonden kwaal. Natuurlijk is dit een poging om het wonder met het verstand te benaderen. Maar

dat is niet verboden. Deze theorie tast op geen enkele manier de goddelijke macht van Jezus aan om - precies wetend wat de voor hem gestelde zieke mens mankeert - het voor ziel en lichaam bevrijdende en heilzaam helende woord te spreken. Zij strijdt niet tegen de geloofswaarheid, dat Jezus Gods Zoon is. Zij kan integendeel een nieuw licht werpen op de manier waarop Jezus zijn genezingen in kracht deed treden. Zij kan dus het geloof verhelderen en voorzien van een argument voor haar waarheid. Voor een geloof, dat God wil liefhebben, ook met het gehele verstand, is zulke objectieve wetenschap niet anders dan een positieve ontwikkeling. De eerlijkheid gebiedt echter te zeggen dat de wetenschap lang niet altijd op deze manier objectief is. Zeker in het nog niet eens zo verre verleden heeft zij de verdenking op zich geladen bevooroordeeld te zijn1,/sup>). Men moet dus altijd kritisch blijven tegenover wat zij ons voorschotelt, maar dat is iets anders dan allergisch.

Wetenschap is per definitie studie van de natuur, de fysica in de breedste zin. De natuur, vanaf het kleinste atoomkern deeltje tot de grootste afmetingen van het heelal, is haar object. Daarbuiten kan zij niets verklaren, en behoort zij dat ook niet te willen. Haar hele methodiek berust op kijken, meten, vergelijken en interpoleren vanuit het bestaande; Alles wat dit bestaande te buiten gaat, kan zij per definitie niet verklaren. Vele - helaas niet alle - wetenschappers beginnen dit te beseffen en laten thans de arrogantie varen, die hen vroeger deed zeggen, dat niet bestaan kon wat zij niet konden verklaren. Wetenschappelijke antwoorden zijn per definitie voorlopige antwoorden, uitgewerkte hypothesen. Gelukkig krijgt men oog voor de praktische consequenties hiervan. Men is bescheidener geworden en beseft dat God, mens, geloof, wereld, liefde en wat niet al, niet exclusief kunnen worden gevat in een elegante formule, die logisch onontkoombaar leidt tot een onvermijdelijk resultaat. Ik verwijs hier graag naar auteurs als A. v.d. Beukei, Jean Guitton, Keith Ward, Richard Swinburne, Arthur R. Peacocke, die een positief christelijk geloof paren aan een bestaan als vooraanstaand wetenschapper. Een vrij eenvoudig, maar instructief boekje op dit gebied is: Christendom Onwijs (Kok/Voorhoeve, 1996). Eerlijke wetenschap die haar grenzen kent heeft geen behoefte feiten te ontkennen als deze niet in de theorie passen. De Utrechtse theoloog Anton Vos heeft bijvoorbeeld met betrekking tot de opstanding van de Here Christus duidelijk gemaakt, dat hoe men ook tegen alle verwarring in de Evangeliën rond Pasen aankijkt, enkele dingen volstrekt buiten historische twijfel staan: (1) er was een leeg graf; (2) er waren vele mensen van aantoonbaar geloofwaardige reputatie, die getuigden Jezus gezien te hebben. Nu bewijzen deze twee feitelijkheden de opstanding van Jezus niet voor wie een positivistische waarheid zoekt, maar dan hoeft men deze feiten nog niet te ontkennen! Overigens zegt Vos: wat de Bijbel schrijft over de opstanding, is de verklaring die het beste bij deze feiten past2). Hier is wetenschap, die naar haar eigen aard alles kritisch probeert te verklaren, doch niet tegen de geloofswaarheid strijdt. Zij mag dus voor de student niet de oorzaak van allergische reacties zijn.

Dat geldt ook voor de twistappel "schepping versus evolutie". De geharnaste versie van Darwins evolutietheorie en Genesis 1 verdragen elkaar niet, maar men moet nog wel wat meer beseffen aleer men boude uitspraken doet. Zo moet men weten, dat de evolutietheorie nog steeds niet meer is dan een hypothese die poogt gevonden stukjes van een prehistorische legpuzzel aan elkaar te leggen. En zij is een plausibele theorie, die zoveel suggestieve kracht heeft, dat er zelfs misplaatste pretenties aan verbonden zijn, namelijk dat zij het feitelijke ontwikkelingsproces gedurende miljoenen jaren exact weergeeft. Deze pretentie is volstrekt onjuist, maar daar staat tegenover, dat zij een zo krachtige hypothese3) is, dat men er ook als gelovige natuurwetenschapper, geoloog of bioloog bij het werk niet omheen kan. Aan de andere zijde van het spectrum vindt men Genesis 1, het verhaal van de schepping in 7 dagen, ca. 4000 jaar voor Christus. Hieraan is door een mechanistisch inspiratiegeloof eveneens een pretentie verbonden die niet waar gemaakt kan worden, namelijk dat de Bijbel een natuurwetenschappelijk onfeilbaar verslag zou geven van de gebeurtenissen in de oertijd, ofwel dezelfde puzzel waar de evolutietheorie zich mee bezig houdt. Ook hier gaat men de mist in. Genesis 1 is een gelovige, historiserende, ordenende interpretatie van het werk Gods in de oertijd op grond van nog veel oudere verhalen, die zijn overgeleverd met alle tijd- en cultuurgebonden consequenties van dien. Er is ook het zelfstandige, oude(re) scheppingsverhaal uit Genesis 2, dat de schepping meer als een geleidelijk proces voorstelt. Deze beide verhalen zeggen wel, dat God historisch de Oorspronkelijke en Beslissende is geweest bij de totstandkoming van het heelal, maar geven niet de oplossing van de prehistorische puzzel. Over deze punten - de onterechte pretenties van de evolutietheorie met haar hypothetische niet feitelijke karakter; en het wel historische, maar niet natuurwetenschappelijk karakter van de Bijbel als goddelijke openbaring - moet de discussie gaan. Verder moet men er oog voor hebben dat het - nog weer eens: voorlopige - antwoord van de natuurwetenschappen en het openbaringswoord van Genesis deze waarheid gezamenlijk hebben, dat het heelal in een proces tot stand is gekomen, en dat de mens het eindpunt van de ontwikkeling is. Er is geen reden om angstvallig de evolutietheorie te vermijden of erop over te reageren. Men moet ze juist bestuderen, maar dan echt kritisch om te weten waar de echte pijn zit, om te kunnen spreken met de moderne mens die wij ook zo graag met het Evangelie bereiken.

In een volgend artikel hoop ik me te richten op de bijbelwetenschappen. Daarin wil ik enkele aspecten van wetenschappelijk, kritisch bij bel onderzoek tonen, èn laten zien hoe men er met een goed geweten mee kan omgaan zonder geloof of wetenschap onrecht te doen.

I. Men zie hiervoor bijvoorbeeld: A. v.d. Beukei. De dingen hebben hun geheim. Baarn, 1990. En ik verwijs naar een TV-uitzen-ding in januari 1998, waarin een overstelpende hoeveelheid feiten werd aangedragen voor een hypothese die de gangbare opvattingen over het ontstaan en het reilen en zeilen van de aarde onder het wetenschappelijke establishment zwaar onder vuur zet. Zij baseert zich onder andere op de Orion-oriëntatie van de Egyptische piramiden, op het mondiaal voorkomen van piramiden, op kolossale muren waar nog geen speld tussen de naden gestoken kan worden, op de sfinx van Gizeh die een restant zou zijn van een nog veel ouder complex, en op het feit dat men al in oude tijden wist van de echte vormen van het vasteland van Antarctica. Deze hypothese draagt - kort gezegd - evenveel argumenten aan vooreen ontwikkeling waarin de mens zou afstammen van zeer hoogbegaafde voorouders, als de evolutiehypothese voor het tegenovergestelde. Deze mondiale hoge culturele ontwikkeling zou dan catastrofaal verstoord zijn door een kosmische ramp die zich rond 10.800 v.Chr. zou hebben afgespeeld. Dit zou een theorie zijn, die als hypothese veel dichter staat bij de eerste 11 hoofdstukken van Genesis en mondiaal voorkomende scheppings-en zondvloed-verhalen dan het wetenschappelijke establishment waar wil hebben (Veel van deze feiten en een aanzet voor de gebrachte hypothese zijn bijvoorbeeld al decennia geleden naar voren gebracht door prof. A. Rehwinkel in zijn boek: De Zondvloed.). Hypothesen kunnen de objectiviteit behoorlijk insnoeren, was dan ook het thema van deze uitzending.

2. A. Vos. Het is de Heer.' De opstanding voorstelbaar. Kampen, 1990.

3. Een krachtige hypothese is een hypothese die als leidraad voor verder onderzoek bij tests juist die resultaten oplevert, die door haar toepassing waren voorzien. Dit kan uiteraard ook zover gaan, dat zij de feiten manipuleert, maar.dat is niet de eigenlijke taak van een hypothese.