Terug naar Ecclesianet.nl

Het christelijk geloof en het oude testament (samenvatting)

Dr. W. AALDERS

HET CHRISTELIJKE GELOOF

EN HET OUDE TESTAMENT

(SAMENVATTING)

Maar gij zijt niet gekomen tot een tastbare berg en brandend vuur..., gij zijt genaderd tot den berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem ..., en tot Jezus de middelaar van een nieuw verbond.

Hebreeën 12: 18,22,24.

In de voorafgaande artikelen hebben wij gepoogd duidelijk te maken om wat voor reden en in welk opzicht wij het Oude Testament met andere ogen lezen dan onze voorouders. Wij zijn als christenen van het slot van de 20ste eeuw rijker toegerust en voorbereid om Mozes en de Profeten te lezen en te begrijpen. Door de tijdsdruk is er sprake van een Joodse renaissance die gevoerd heeft tot nieuwe bestudering van het Oude Testament. Herhaalde malen noemde ik reeds de namen van M. Buber, Fr. Rosenzweig, Gerschom Scholem, Leo Baeck. Maar in samenhang daarmee is er ook aan christelijke zijde sprake geweest van een opbloei van de oudtestamentische theologie. Ik noem slechts W.F. Albright, M.J. Lagrange, S. Mowinckel, A. Alt, Otto Eiszfeldt, M. Noth en G. von Rad, waarbij ik toch ook dankbaar vermeld Th.C. Vriezen.

In het algemeen moet men constateren dat deze Israël-herleving teweeg heeft gebracht een verschuiving van de aandacht van het dogmatische naar het historische. Het Oude Testament is toch primair een geschiedboek. De geschiedenis is het veld waar de Heilige en Eeuwige zich openbaart.

Deze verschuiving is gebleken een geweldige verjking en verwijding van ons geloofsinzicht te zijn, die ook grote consequenties had voor ons lezen en verstaan vangnet Evangelie en het Nieuwe Testament. Slechts in historisch licht komt de Schrift tot haar recht.

Was de herontdekking van het historisch karakter van het Oude Testament en van Israëls geloof het meest fundamentele punt van de ïsraël-renaissance, -voor ons christenen is daarna de grote aandacht voor de Profeet Jesaja van zeer grote betekenis. Ook daarover sprak ik reeds, maar ik kom er nog een keer op terug omdat hij zowel binnen het Oude Testament als binnen het Nieuwe Testament een ware spil-figuur is. In Jesaja heeft zich een wending voltrokken in het Mozaïsch-Israëlitische geloofsbewustzijn. Een wending, die naderhand zal blijken de toegang te zijn tot het Evangelie van Jezus Christus. De tekst uit de Hebreeënbrief die boven het artikel staat afgedrukt, verwijst ernaar. Men zou Jesaja méér dan iemand anders de adventsheraut in het Oude Testament kunnen noemen.

Bij Jesaja voltrekt zich de geloofswending als hij door God geroepen wordt in de tempel te Jeruzalem. Daar openbaarde de Heilige Israëls zich als Hammelek, de Koning, Hij die voorheen sinds Mozes gekend werd als Zé Sinaï, Heer van de Sinaï die nooit met enige stad of land een vaste verbinding heeft gehad, doch die slechts toefde op hoge tjergen en in verre woestijnen - die God wil nu toeven m de tempel op de lage berg Sion als: de Koning als "Heer der heirscha-ren, die op de berg Sion woont" (Jesaja 8 : 18). In één van de Psalmen wordt het zo gezegd: "De Heer van de Sinaï is in het heiligdom ingegaan om daar te wonen" (Psalm 68 : 18). Sinds Jeruzalem, sinds de tempel in Sion, sinds Jesaja is de Heilige Israëls tot het yolk Israël en de wereldvolken in een nieuwe relatie getreden. God is Koning in volstrekte zin. In Sichem is zijn troon. Hij zetelt er als Opperheer op de cherubs (Psalm 24).

Sinds Jesaja is daarom de naam Sion met Gods koningschap verbonden en zo met alle heilsvoorzeg-gingen aan Israël en de volken. Alleen al in de hoofdstukken 1 tot 39 van Jesaja 29 keer.

Sinds de Profeet Jesaja en zijn roepingsvisioen in de tempel waar hij God zag als Koning, als Opperheer in Zijn heiligheid en heerlijkheid, is het koningschap van God het middelpunt van Israëls geloof geworden. En dat betekende een wending met grote gevolgen voor het Israëlitische geloofsbewustzijn, voor zijn theologie. God als Hammelek, de Koning was immers ook de Heilige Israëls. Zo werd met deze wending Israël zichzelf tot een vraag. Hoe verhoudt zich Israëls plaats in de geschiedenis met het Koningschap Gods?

Juist de bijzondere relatie van God en Israël maakte het Koningschap van Jahweh ook in de ïsraël-renaissance tot een brandend, hoogst actueel vraagstuk. Buber's theologisch werk staat geheel in het teken van God als Hammelek. Hetzelfde kan gezegd worden van Scholem, van Mowinckel. Maar ook bij oudtestamentici als Alt, Eiszfeldt, Noth en von Rad is het een overheersend thema. In zijn koningschap vestigt God als de Heilige Israëls immers Zijn heer-

schappij van heiligheid en heerlijkheid: "de ganse aarde is vol van Zijn heerlijkheid" (Jesaja 6 : 3). Gods koningschap is wereldomvattend, kosmisch, tot in het dierenrijk toe (Jesaja II: 1-10).

Perspectieven dus in overmaat, maar zij gaan gepaard met veel duisternis, raadsels, on begrijpelij k-heden. Prof. Vriezen wijst erop dat de Profeet zelfs woorden bezigt als "zar, nokri"; "vreemd, buitensporig" (Jesaja 28 : 29). Ten aanzien van Gods koningschap "verzinkt de wijsheid der wijzen en het inzicht der denkers gaat schuil" (Jesaja 29 : 14). Zelfs horen wij reeds de klacht die in de loop der tijden zo vaak is geuit: "Hoe lang nog, Here?" (Jesaja 6 : 11). Geen wonder dus dat in een eeuw als de onze waarin de geschiedenismachten zich zo laten gelden, het koningschap Gods het meest brandende vraagstuk is in de theologie van het Oude Testament.

Door de ervaringen van het roepingsvisioen in de Tempel is Jesaja's leven getekend. Het boek Jesaja (waarin behalve de eigen uitspraken van de Profeet ook woorden van zijn leerlingen zijn opgenomen) draagt er de kenmerken van. Het is een lyrisch en tegelijk dramatisch, een bruisend en vlammend boek, dat kennelijk is ingegeven door de emotie van de openbaring van Hem, die de naam draagt van "Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst" (Jesaja 9 : 5). Het is de taal van Godsmannen, zieners, profeten, die méér zien, méér weten, méér verstaan dan de wijzen en verstandigen. Hier spreekt iemand die de wereld ziet schudden op haar grondslagen en die de schepping in beweging ziet. Wat "geschiedt" er niet in de geschiedenis als de engelen gaan roepen: "Heilig, heilig, heilig is de Here der heirscharen, de ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol" (Jesaja 6 : 3). Wat zullen niet de gevolgen zijn als God Zijn troon vestigt in Sion en het koningschap over Israël en de volken aanvaardt? Het kan alleen maar inhouden de grote en doorluchte Dag des Heren, de Dag van de afsluiting van de geschiedenis, de Dag van de Voleinding, de Dag van het aanbreken van de eeuwige Sabbat.

Wij stoten hier bij Jesaja op een typisch Israëlitisch verschijnsel, dat in deze volstrektheid en radicaliteit buiten Israël niet gekend wordt: de eschatologie, het goddelijke Heil als afsluiting en voleinding van de geschiedenis. Eschatologie is voor Jesaja geworden het sluitstuk en de bekroning van Gods koningschap.

Bij Jesaja breekt deze visie op de geschiedenis door na de ervaring van het roepings visioen in de Tempel en nadat hij God geschouwd heeft, tronende op de cherubs. Het mogen schouwen van God in Sion was voor Jesaja het ogenblik van Zijn troonsbestijging. Op dat ogenblik is Hij geworden "de profeet van de ontwakende eschatologie" (Th.C. Vriezen).

Wat hield het in toen Jesaja zich op het ogenblik van Jahwehs troonsbestijging in Sion zich in Gods dienst stelde: "Hier ben ik, zend mij" (Jesaja 6 : 8)? Hij heeft het zelf verwoord in zijn ontmoeting met de vreesachtige, angstige, bevende koning Achaz: "Indien gij niet gelooft, voorwaar, gij wordt niet bevestigd" (Jesaja 7 :9).

De opdracht die de Profeet van zijn Zender meekreeg, was het volk op te roepen om op God te vertrouwen óók in eschatologische tijden. In zulke tijden krijgt uiteraard het geloof een enigszins ander karakter, een andere inhoud, een andere gevoelswaarde dan het voorheen had. Er moet bij verwerkt worden veel angst, pijn en lijden. Immers de fundamenten schudden en de elementen roeren zich. Hoe benauwend als de Dag des Heren genaakt! Zal het geloof van Israël, van Jacobs en Abrahams nazaten daartegen bestand zijn? Tegen zoveel "vreemdheid en buitensporigheid" (Jesaja 28 : 29)? Zal het in zulke dagen, die voorafgaan aan de grote en doorluchte Dag, niet aan God gaan vertwijfelen?

Het was Jesaja's opdracht om Gods koningschap zo te vertolken aan Israël, dat het in "stilheid en vertrouwen" (Jesaja 30 : 15) bleef vasthouden aan Gods verbond, aan Zijn heilsbeloften, aan Zijn overwinning. Zulk geloof kan geen wereldontvluchtende, stichtelijke vroomheid zijn, maar veeleer zal het gekenmerkt worden door manmoedige standvastigheid en onverzettelijkheid die passen bij het volstrekte koningschap van God, vooral als het gaat om de eindoverwinning en bekroning.

Dat "geloven" bij Jesaja dat karakter had, blijkt uit een woord dat hij in verband met "geloven" vaak gebruikt: geboerah. Het woord is, afgeleid van het stamwoord: gbr, wat betekent: kracht, moed, onvervaardheid, dapperheid. Het is vooral van toepassing op

krijgers jagers, poortwachters, lijfwachten. Het wordt van Nimrod gezegd (Genesis 10:9). Ook van Jozua (Jozua 1 : 14) en van de Richters (Richteren 6 : 12). Eveneens geldt het van de engelen als "krachtige helden" (Psalm 103 : 20). Zo is geloven in eschatologische tijden een zaak van heldhaftigheid, trouw, stoerheid, onverzettelijkheid. En zal zulk geloof in de eindtijd nog gevonden worden?

De Profeet Jesaja vond het niet bij de koning, niet aan het hof, niet in de Tempel. Nochtans weet hij dat het er zijn en blijven zal in Israël (Jesaja 7 : 14). De meest indrukwekkende tekening van wat geboerah-geloof in jesajaanse zin kan zijn, vinden wij in de oudtestamentische Job-tragedie. Het aangrijpendst is het woord dat hij spreekt in de uiterste nood en eenzaamheid: "Maar ik weet, dat mijn Verlosser leeft en ten laatste zal Hij over mijn stof opstaan" (Job 19 : 25).

Dit alles is de besorah van Jesaja, de goede tijding die hij in het uur van zijn roeping van God zelf ontvangen heeft om aan het volk Israël uit te dragen. De besorah van Gods troonsbestijging in Sion, van Zijn alomvattende koningsheerschappij, van Zijn geschie-denisafsluitende Heil!

Ons rest nu deze vraag: Wat houdt het in als de Heer Jezus in de synagoge te Nazareth op deze jesajaanse goede tijding teruggrijpt en uitroept: "Heden is deze Schrift in uw oren vervuld" (Lucas 4 : 21)?