Terug naar Ecclesianet.nl

Dr. Rudolf Kögel, een Duitse vriend van Mr. G. Groen van Prinsterer (1)

Ds. L.J. Geluk, Rotterdam

In 1908 verscheen een aardig boek over mr. G. Groen Prinsterer. De schrijver, mr. T. de Vries, probeerde daardoor hem wat meer bekendheid in Nederland te geven. Al in 1895 had hij vastgesteld dat het nauwelijks voorstelbaar, maar helaas werkelijkheid was, dat zelfs in christelijke kring de persoon en het werk van deze staatsman, denker en historicus, die als Christus-belijder tientallen jaren streed tegen ongeloof en revolutie, bijna onbekend waren.

Om deze onbekende dichter bij de mensen te brengen, schreef De Vries zijn Mr. G. Groen van Prinsterer in zijne omgeving. Bovendien verzorgde hij een uitgebreide bibliografie van mr. Groen van Prinsterer, die in hetzelfde jaar het licht zag. In het genoemde boek belicht De Vries een aantal mensen die voor Groen veel hebben betekend, familieleden, leermeesters, vrienden, mede- en tegenstanders. Wie daar niet in voorkomt is dr. Rudolf Theodor Johannes Kögel. Toch kan hij zeker worden beschouwd als een vriend van de familie Groen. In een brief van 7 februari 1861 schreef J.H. Gunning jr., die toen nog als predikant in Hilversum stond, aan mevrouw Groen, dat hij in bepaald opzicht in zienswijze van dr. Kögel verschilde, maar de éénheid in geloofsgrond niet vergat noch miskende. Hij betreurde dit verschil wel, want Gunning moest wel “zuinig zijn met de restjens van (zijn) goeden naam in de gemeente“. Hij vervolgde: “De heer Kögel, die, meen ik, het voorrecht heeft van uw huis te frequenteren, mag dezen brief gerust lezen, en leze er dan van mijnentwege eene hartelijk, broederlijke groete voor zich bij“. Wie was dan deze dr. Kögel, die zo dikwijls te gast was bij de familie Groen? Hij was de predikant van de Duitse Evangelische Gemeente in Den Haag van 1857 tot 1863. Dikwijls bezochten de heer en mevrouw Groen de diensten die deze predikant leidde. Groen en dr. Kögel namen samen met andere vrienden deel aan een Bijbelkring, waarover dr. Kögel jaren later een alleraardigst artikel heeft geschreven. In vele brieven van de hand van mr. Groen en van mevrouw Groen komt zijn naam voor, steeds in positieve zin. In 1860 schreef mr. Groen vanaf Oud-Wassenaar, zijn “buiten“, aan zijn vriend Æ. Mackay dat hij de prediking van Kögel zeer miste. Van zijn Verspreide Geschriften zond Groen in hetzelfde jaar een exemplaar aan dr. Kögel, die van zijn kant in 1865 een bundeltje met 16 van zijn preken onder de titel Lasset euch versöhnen mit Gott opdroeg “Herrn Consistorialrath Prof. Dr. A. Tholuck in Halle a.d. Saale und dem Niederländischen Staatsrath Herrn Groen van Prinsterer im Haag“. De Duitse vriend van de familie Groen was dus predikant van de Duitse gemeente in Den Haag. Wat was dat eigenlijk voor een gemeente? Daarvoor moeten we even terug in de historie.

Een Duitse gemeente in Den Haag
De gemeente die dr. Kögel in Den Haag diende was een nieuw gestichte gemeente, waarvan hij de eerste predikant was. Maar het was niet de eerste gemeente in Den Haag, waar de diensten in de Duitse taal werden gehouden. Het was op initiatief van de verdreven keurvorstvan de Palts, de “winterkoning“ van Bohemen, Frederik V, door zijn moeder een kleinzoon van prins Willem van Oranje, dat er een Duits sprekende predikant verbonden werd aan de Hervormde (of Gereformeerde) gemeente van de hofstad. De Haagse kerkenraad had daar in zijn vergadering van 17 juli 1626 in toegestemd. De eerste predikant werd Philippus Ludovicus Velbach, die in Bohemen predikant was geweest. Behalve in de taal zouden de diensten van de Duitstalige gemeente in niets verschillen van de diensten zoals deze in de Hervormde gemeente werden gehouden. Na het vertrek van haar eerste predikant, kreeg de gemeente in 1632 een opvolger en dat is zo doorgegaan totdat in 1818 de laatste predikant met emeritaat ging. Deze laatste predikant was Matthias Jorissen, die vooral bekend is geworden door de prachtige berijming van alle 150 Psalmen op de bekende Geneefse melodieën. Hij was in 1782 aan de gemeente verbonden en werd krachtens een koninklijk besluit (!) per 31 maart 1818 op 78 jarige leeftijd emeritus, overigens met een zeer royaal pensioen. Hetzelfde koninklijk besluit hield in de opheffing van de gemeente per 1 april 1818. De Duitse gemeente had dus na kleine twee eeuwen opgehouden te bestaan. Wie een dienst wilde bijwonen die in de Duitse taal werd gehouden, was aangewezen op de Lutherse kerk, gelegen aan de Lutherse Burgwal. De gemeente aldaar was omstreeks 1614 opgericht en bestond voornamelijk uit leden die uit een van de vele gebieden van het Duitse rijk zich in Nederland hadden gevestigd. Aan haar was dikwijls een drietal predikanten verbonden, van wie er op zijn minst één was die de diensten in het Duits leidde. Met deze situatie, wél een Lutherse, maar géén Hervormde gemeente in Den Haag was in de vijftiger jaren van de 19e eeuw een Haagse arts niet tevreden. Het was Ernst graaf van Bylandt, die woonde in de Nobelstraat. Zijn vader had als officier in het leger van de Palts gediend en was gestorven toen Ernst nog maar negen jaar was. Na zijn medische studie had de jongeman zich in Den Haag gevestigd als arts. Hij werd de lijfarts van de broer van koning Willem II, prins Frederik. Hij was het die enkele medestanders rondom zich verzamelde en overlegde of niet weer een Duitse gemeente in Den Haag zou kunnen worden opgericht. Men voelde de noodzaak daartoe des te meer, omdat er in de Lutherse gemeente inmiddels geen Duitse diensten meer gehouden worden, zodat het zelfs voorkwam dat Duitstaligen overgingen naar de Room-katholieke kerk, omdat men daar gemakkelijk een zielzorger kon vinden met wie men in de moedertaal kon spreken.