Terug naar Ecclesianet.nl

Sören Kierkegaard (II)

Dr. H. Klink, Hoornaar

In het vorige artikel zagen we dat Kierkegaard in zijn jonge leven gekweld werd door zwaarmoedigheid en angsten. We hebben gezien dat hij in een van de redevoeringen die hij later uitgeeft nader ingaat op het fenomeen van de angst. Hij typeert deze als een doorn in het vlees. In zijn dagboek tekende hij eens aan: “Ik wist niet dat er ooit zulke mensen geweest waren die dit, wat ik meegemaakt heb, ook hebben doorstaan.“ Natuurlijk zullen ze er geweest zijn, maar duidelijk is wel dat er niemand was die hem in de crises die hij meemaakte een helpende hand kon bieden. Ook wist hij niemand te noemen, die er ooit zo duidelijk over geschreven had, als hij later zou doen. En inderdaad: er is denk ik nooit iemand geweest die de dialectiek van de angst, zeg maar: de bewegingen die de angst in iemand kan maken, zó duidelijk in het licht gesteld heeft als Kierkegaard. Wie daarvan een indruk wil krijgen zou zijn latere boeken met de veelzeggende titels Het begrip angst en Ziekte tot de dood kunnen raadplegen. Vooral in het eerstgenoemde boek brengt hij geniaal de kronkelende, bliksemachtige bewegingen van de angst onder woorden.

De regenfluiter
Waar hing dit mee samen? Zoals ik al stelde, was dat eensdeels zijn jeugd: zijn zwaarmoedige vader oefende grote invloed uit op zijn ontwikkeling als mens. Anderzijds moet ook zijn eigen karakter een belangrijke rol gespeeld hebben. Maar er was meer. Kierkegaard leefde in een tijd van ‘ongeloof en revolutie’ (Groen van Prinsterer). Er voer een nieuw elan door de volkeren, dat tal van mensen veelbelovend scheen: vrijheid voor het individu, vrijheid om te zeggen en te doen wat men wilde, los van God. Velen waren er die de lucht van de nieuwe tijd met genoegen insnoven. Voor anderen was dit onmogelijk. Dat gold ook voor Kierkegaard. Veelzeggend is in dit opzicht dat hij zich ooit typeerde als een regenfluiter: “Wanneer in een eeuw een onweer komt opzetten, vertonen zich figuren als ik er een ben.“ Met andere woorden: zoals de regenfluiter, voordat iemand het in de gaten heeft, aanvoelt dat er zwaar weer op komst is, was het met Kierkegaard. Als was hij een seismograaf voelde hij aan wat er qua geestesontwikkeling in Europa zou gaan gebeuren. Daarin was hij zijn tijd ver vooruit. Het is opvallend dat hij uitgerekend in het boekje Het begrip Angst aangeeft wát de aard van de crisis is die zich in het Westen voordeed: verlies van besef van de eeuwigheid. Dat wil zeggen: men zou minder en minder rekenen met Gód. Er zou geen rekening meer mee gehouden worden dat de menselijke geest en het menselijke bewustzijn is aangelegd op de eeuwigheid, en dat de mens uiteindelijk op zoek is naar de dingen die eeuwig zijn, om dáárin zijn rust te kunnen vinden. En vooral: men zou het vaste punt uit het oog verliezen, waarin de eeuwigheid in de tijd is gekomen, in de persoon van Christus. De uniciteit van het kruis en van de opstanding zou men proberen te ontkennen, om zich uit te leveren aan de tijd en de tijdelijkheid. Kierkegaard zegt daarvan: als dát verdwenen is, als de mens overgeleverd is aan de tijd, als aan een snelstromende rivier, waarvan geen oever te bekennen valt en waarvan geen doel te bespeuren is, dán is de mens overgeleverd aan de ijdelheid. Alles is dan relatief, er is geen sprake meer van goed en kwaad, de ziel van de mens is versplinterd in de tijd en hij vindt nergens meer houvast. Dáár ligt de diepste oorzaak van de angst die de jonge Sören Kierkegaard meemaakte. Dat hij dát houvast zou moeten missen. Kortom dat hij terecht kwam in een tijd waarin de kerk niet meer zou zijn het hart van de wereldgeschiedenis en niet meer zou zijn “de schildwacht van de eeuwigheid“. En Kierkegaard was in een ‘drempeltijd’ geboren, op de drempel van de nieuwe tijd, waarin de Kerk werd losgemaakt van de Staat, en er veel op losse schroeven kwam te staan, in een tijd die hem alleen maar schrik in kon boezemen.

Op de universiteit
Hoe moest hij daarin zijn plaats vinden? Op de universiteit stond het onderwijs in het teken van de filosofie van Hegel. We kunnen diens filosofie zien als een grootse poging om toch nog greep te krijgen op de geschiedenis, ondanks de breuken die zich hadden voorgedaan. In zijn conceptie wilde Hegel de hele wereldgeschiedenis opnemen als één groot proces dat gaat naar de verheerlijking van de mens in God en van de concretisering van Gods geest in de menselijke geest. Door de geschiedenis heen gaat God zijn weg en Hegel probeerde met zijn denken vat te krijgen op dát proces. Het bood velen enig houvast. Maar uiteindelijk was Hegels filosofie pure speculatie. Het betrof een filosofische geschiedbeschouwing waarin hij weliswaar aan het christelijk geloof een belangrijke taak toedichtte, maar waarin hij weinig tot geen recht deed aan de werkelijke geschiedenis en aan het werkelijke katholieke christelijk geloof. Kierkegaard werd er niet echt door geholpen, al heeft hij een tijdlang Hegels werken ijverig bestudeerd, om er houvast in te vinden. Zodra hij echter deze levensfilosofie naast zijn eigen leven legde, zag hij het ontoereikende, ja het verkeerde ervan in. Dat neemt niet weg dat hij mede via Hegel begonnen moet zijn aan de lectuur van Plato’s werken en dáár kwam hij op het spoor Socrates, die zijn grote leermeester werd. Bij hem vond hij een eerste antwoord op de vragen die diep in zijn ziel leefden.

Kierkegaards Socratesstudie
Kierkegaard bekroonde zijn studie in 1841 met een proefschrift over Socrates en wel over het meest in het oog springende van Socrates’ leven: diens ironie. De titel van de dissertatie luidde: Het begrip ironie, een onderzoek met het oog op Socrates. Dit boek is baanbrekend geweest. Zoals bekend heeft Socrates zich er nooit toe gezet om schrijver te worden. Alles wat ons van hem bekend is, is overgeleverd door anderen. De belangrijkste getuige van zijn leven en denken is ongetwijfeld Plato geweest, die tot op hoge leeftijd (Plato is in de tachtig jaar geworden) dialogen uitgaf, waarin hij Socrates als belangrijkste gespreksgenoot ten tonele voerde. Maar… bij het ouder worden legt Plato Socrates meer en meer zijn eigen gedachten in de mond. Kierkegaard ondernam als eerste een tekstkritische analyse van Plato’s werken, met de bedoeling op het spoor te komen wat Socrates zelf gezegd heeft en wat op rekening van Plato geschreven moet worden, ook al kan men ervan uitgaan, dat veel van Plato’s gedachten wel in het verlengde liggen van wat Socrates te zeggen had. Wie het boek van Kierkegaard leest moet wel tot de conclusie komen dat Kierkegaard in zijn opzet behoorlijk goed geslaagd is. Hij heeft inderdaad kans gezien een betrouwbaar beeld te geven van hoe Socrates is opgetreden en van de wijze waarop deze in zijn tijd stond en zijn gesprekken voerde. En dat is een geweldige verdienste. Er staan meerdere passages in het boek, die van een grote mate van originaliteit getuigen. Evenwel moet gezegd worden dat Kierkegaard zich met dit boek bewoog binnen de denkkaders van het universitaire onderwijs van zijn dagen. Wellicht heeft dit te maken met een benoeming die Kierkegaard ambieerde: die van hoogleraar in de filosofie. Dat Kierkegaard zich in het proefschrift enigszins aanpaste aan het hegeliaanse denken, valt onder andere te merken aan het feit dat hij Socrates weergeeft als een man, die met zijn ironie volstrekt negatief is. Socrates markeert in het oog van Kierkegaard een volstrekt nieuw begin en stelt zich uiterst kritisch (ironisch) op tegenover de argumenten van zijn gesprekspartners betreffende vragen van goed en kwaad, recht en onrecht enz. Hij stelt daar zelf niets tegenover. Dat neemt niet weg dat hij in die negativiteit een geroepene is, die een opdracht vervult. Allerlei gedachten die in zijn tijd leefden, onderwierp hij aan een kritische toets. Zo kwam hij tot de conclusie dat de mensen - evenmin als hijzelf - iets werkelijk wisten. Daarmee zette hij de mensen aan om oprecht over zichzelf na te denken, in het licht van de eeuwigheid. Kierkegaard volgde in zijn uitleg van de platonische dialogen in grote lijnen het spoor van Hegel. Maar of hij het van harte deed is de vraag. Want de tijd was heel nabij dat hij de filosofie van Hegel verliet en mijns inziens ook diens visie op Socrates. Anders gezegd: ik heb het sterke vermoeden dat Kierkegaard door Plato te bestuderen aangeland was bij iemand (Plato èn Socrates) bij wie hij dichter bij een antwoord kwam op zijn levensproblemen dan bij zijn tijdgenoten. Ik ga nog een stap verder. Het zou me niet verbazen als Kierkegaard hierin geholpen is door de christelijke schrijver Johann Georg Hamann, die zo’n vijftig jaar daarvoor een klein maar kostelijk boekje geschreven heeft over Socrates: Sokratische Denkwürdigkeiten - het mooiste boekje dat ooit over Socrates geschreven is.

Regine Olsen
In deze ontwikkeling in Kierkegaards leven speelde ook zijn ontmoeting met Regine Olsen een grote rol. Zij was een elegante, eenvoudige jonge vrouw van wie hij veel ging houden. In september 1840 vroeg hij haar zich met hem te verloven. Dit gebeurde enkele dagen later. Zij was toen bijna 18 jaar. Kierkegaard was 10 jaar ouder. Zij had een zuiverende invloed op Kierkegaard, juist vanwege haar onschuld en haar jeugdige prilheid en reinheid. Door de ontmoeting met haar werd een verantwoordelijkheidsbesef bij Kierkegaard wakker, zoals hij dit voor die tijd niet had gekend. Vóór hun verloving betekende leven voor hem: in diepe ernst omgaan met zijn zwaarmoedigheid, maar óók: spelen met gedachten, die kwamen en die gingen als vlinders. Houvast had hij weinig. De ontmoeting met haar maakte dat anders. Het bracht hem ertoe serieus te studeren, toekomstplannen te ontwikkelen, te werken aan zijn proefschrift en te denken aan een vaste betrekking op de universiteit. Zijn studie en de verloving met Regine Olsen brachten Kierkegaard dichter bij een antwoord op angstige vragen die voortdurend opwelden in zijn gekwelde en beangstigde ziel. Het antwoord moest te vinden zijn bij Gód. Maar hoe moest hij Hem vinden? En sterker: hoe kon hij Hem zó vinden, dat hij in de ontmoeting met Hem ook een antwoord vond op de vraag hoe hij van zijn angsten kon afkomen?

Uit de schuilhoeken
Zoals gezegd is pleit er veel voor aan te nemen dat Kierkegaard al tijdens zijn studie een begin van een antwoord op deze vraag gevonden heeft. Ongetwijfeld hangt zijn Socrates studie (en naar ik vermoed de studie van Hamann over Socrates) ermee samen. Waarin lag het antwoord? Welnu, wat Socrates volgens Kierkegaard beoogde, was de mensen af te brengen (te reinigen) van hun vooroordelen. Volgens Hegel belandde men door de ironie in het volstrekte niets. Van Hamann heeft Kierkegaard kunnen leren dat Socrates weliswaar de mensen van hun waanwijsheid wilde afbrengen, maar dat hij dit niet deed uit volstrekte negativiteit, maar om de mensen te brengen tot een dieper inzicht van zichzelf in hun verhouding tot God. Socrates zag zich als een geroepene. Zijn boodschap was in feite een voorafschaduwing van Paulus, die in de brief aan de Korinthiërs zegt, indien iemand denkt dat hij wijs is, dat hij dwaas worde. Paulus wilde de mensen brengen tot erkenning van hún kleinheid, tot ootmoed en tot de erkenning van de wijsheid van God. Iets soortgelijks had Socrates beoogd in het kader van de Atheense maatschappij van zijn dagen. Hij wilde de mensen attent maken op de zorg voor hun ziel, voor hun betrekking tot de hoogste waarheid, die in het verborgene ligt. Hij wist zich daartoe geroepen, getuige zijn daimonion, de merkwaardige ‘stem’ die hem van jongs af aan kenbaar maakte wat hij níet moest doen! Wat Socrates als zijn roeping zag, was waanwijze mensen te brengen tot het ware gnoti seauton (ken uzelf): de erkenning dat zij verantwoordelijk waren voor God, om ze zo tot een verantwoord en ethisch leven te brengen. Daartoe gebruikte hij het wapen van de ironie. Maar de ironie was niet volstrekt negatief, maar een doorgangsstadium naar erkenning van verantwoordelijkheid voor God! Wat Socrates beoogde was de mensen te brengen uit de schuilhoeken van een bestaan, waarin God niet werkelijk een belangrijke rol speelde tot erkenning van zijn wil…

Een way out
Welnu, kwam de angst waaraan Kierkegaard leed niet daarvandaan dat hij zich voor God verborg in allerlei schuilhoeken. En ….maakte de reinheid van Regine Olsen niet hetzelfde duidelijk? Kierkegaard was dan wel geniaal, en hij wist de mensen te bespelen, hij leidde een leven waarin scherts en onbetrokkenheid de boventoon voerden. Maar daartegenover hield de reinheid van Regine stand. Dat was een macht, die hij niet wilde en kón bezoedelen met zijn geestigheid, omdat reinheid samenhing met zuiverheid en goedheid. En daarvoor wilde Kierkegaard met eerbied buigen. Kortom: Kierkegaard werd zich door zijn studie en door zijn omgang met Regine Olsen werkelijk bewust van zijn verantwoordelijkheid voor God. En dat was de weg tot zijn redding. Hoe dan om te gaan met zijn angsten? Hier ligt een belangrijk punt. Hij heeft geleerd ze in verband te brengen met het geloof in God en met de socratische levensinstelling van zijn grote held. Socrates hield de mensen voor dat zij hun denkpatronen moesten loslaten en vanuit hun schuilhoeken oprecht moesten worden voor God, ook al kwamen ze dan naakt en kaal voor Hem te staan. Daarin lag zijn roeping. Hij wilde zijn tijdgenoten reinigen van allerlei vooroordelen en vastgeroeste denkpatronen. Was Kierkegaards angst ook niet iets waarvan hij gereinigd moest worden? Zo kreeg hij er oog voor dat de ban van de angst langzamerhand gebroken kon worden. Angst was niet iets om nog eens extra bang voor te zijn, maar het was een uitdrukking daarvan dat hij zijn vertrouwen nog niet volledig in Gód gesteld had. Wat Kierkegaard getuige zijn vroege dagboekaantekeningen nu leerde, was dat hij, wanneer hij het zó zag, van de angst wellicht gebruik kon maken. Ze was er het teken van dat hij zijn vertrouwen nog stelde op dingen van hier beneden, die voorbij gaan. Sterker daar kwam de angst mede uit voort! Wat nu als de angst hem helpen kon om hem naar God toe te drijven, zoals Socrates zijn gesprekspartner, daarbij hielp? Dit waren de overwegingen die in Kierkegaard omgingen. Het heeft hem verheugd om zijn levensweg te gaan zien als een weg van loutering, als een weg naar God toe, in het besef van de verantwoordelijkheid die hij voor Hem had! Was er dan toch een weg uit de angst? Die was er. Toen Kierkegaard dit ging inzien, tekende hij in zijn dagboek aan: vreugde, grote vreugde. Bij God had hij rust gevonden. Nog veel later schrijft hij in een van zijn christelijke redevoeringen over de zondige vrouw uit het Evangelie die Jezus’ voeten wast. Ze wordt omgeven door farizeërs die alleen al door hun aanwezigheid en hun priemende ogen haar aan alle kanten herinneren aan wat er is misgegaan in haar leven. Maar ze merkt er níets van! Ze ziet ze niet eens, omdat Hij daar is: de Zoon van God, die in de tijd gekomen is en haar in zijn troost omgeeft. Heel mooi schrijft hij: Zo kan God ons doen vertrouwen op Hem, Zijn nabijheid doet ons vergeetachtiger maken dan een zwakzinnige grijsaard, dan een gespeend kind. Daartoe is Christus bij machte, Hij die als de Zoon van de eeuwige God in de tijd gekomen is. Aan het eind van zijn studie heeft Kierkegaard van ver de contouren van deze rust gezien. Eerst later heeft hij die rust gevonden.

Moderne ‘ironie’
Tot slot. Het is opvallend dat de geschriften van Hamann en Plato (over Socrates) Kierkegaard zeer geholpen hebben in het hervinden van de weg naar een authentiek christelijk geloofsleven. Hij heeft via Socrates oog gekregen voor wat er in zijn dagen misging in Europa. Het revolutionaire, romantische denken is het tegendeel van het socratische denken. Socrates wilde de mensen afbrengen van hun vooroordelen en waanwijsheden en brengen tot een vorm van geloof in God. Daarmee stond hij op de drempel van een nieuwe tijd. Kierkegaard zag in dat zijn tijdgenoten ook afstand namen van het verleden. Dit lijkt op een reiniging, maar het was een reiniging uit pure negativiteit. Deze reiniging richtte zich tegen geheel het bestaande en tegen heel de historie en de geschiedenis. Kortom, de kritische instelling van Kierkegaards tijdgenoten leidde tot revolutie. Kierkegaard verwoordde dit alles in zijn proefschrift, toen hij nog stond voor de religieuze doorbraak in zijn leven en voor de verbreking van zijn verloving met Regine Olsen, waartoe het helaas gekomen is. Me dunkt, daarin stond hij heel dicht bij die ander, die soortgelijke dingen enkele jaren later zou verwoorden in zijn boek Ongeloof en Revolutie, mr. G. Groen van Prinsterer, die, op een heel andere wijze, met een veel grootser conceptie, maar niet als theoloog of filosoof op dezelfde breuk die zich in Europa voordeed, gewezen heeft.