Terug naar Ecclesianet.nl

Vriendschap in Christus (III)

Ds. J.G. BARNHOORN, Nunspeet

VRIENDSCHAP IN CHRISTUS (III)

Gezinsleven

Het thema "huisdienst", zoals dit in het voorgaande ter sprake is gekomen, brengt ons onwillekeurig met het gezinsleven van Da Costa en De Clercq in aanraking. De overgang van een vriendschap op literair terrein naar een bondgenootschap, dat zich in Christus weet gegrondvest, bracht met zich mee, dat onder de aspecten van het bestaan, die in de gedachtenwisseling betrokken werden, ook het gezinsleven een belangrijke plaats innam, hetgeen inhield, dat hoogte- èn dieptepunten in het leven van de één de ander bepaald niet ontgingen, ja, dat men elkaar nadrukkelijk van een en ander deelgenoot maakte. De vriendschap tussen Da Costa en De Clercq "beperkte zich niet", aldus Dubois, "tot intellectuele en godsdienstige gedachtenwisseling. Zij omvatte ook het dagelijkse en in Christus geheiligde leven. Elk aspect van het leven werd op Hem betrokken".

In de correspondentie over het gezinsleven van beide vrienden ligt, zo ontdekken wij al spoedig, het hoofdaccent op het verdriet, dat zij te verwerken kregen, hetgeen uiteraard in een tijd van veel ziekte en (vroegtijdige) sterfte niet te verwonderen is. Vooral de Da Costa's werden veelvuldig door huiselijke leed getroffen. Behalve de vele ziektegevallen, waarvan wij horen, is er echter ook herhaaldelijk van miskramen en moeizaam verlopen zwangerschappen sprake. Kennelijk werd Mevrouw Da Costa, in tegenstelling tot de vrouw van De Clercq, door een zwakke gezondheid geplaagd, hetgeen, gevoegd bij de sociale problematiek, waarin het gezin bijna aanhoudend verwikkeld was, een bron van grote zorg geweest moet zijn. Des te opvallender is het, dat Da Costa juist in tijden van zware beproeving een grote mate van geestelijke rust en vreugde kende, hetgeen een diep gewortele Godsvertrouwen verraadt. Evenals De Clercq zag hi het gezinsleven in het licht van de eeuwigheid. Ziekte en zorg waren een verwijzing naar de kleinheid, de broosheid en de zondige aard van de mens tegenover zijn God die immers een God van beproeving is, aan wie wij echter ook dankbaarheid verschuldigd zijn: een duidelijke reminiscentie aan Zondag 10 van de oude Heidelberger.

In de nazomer van 1826 - naar de mens gesproken voor zijn gezin zonder meer een rampjaar! - schrijft Da Costa, nadat zijn vrouw door een ernstige ziekte aan de rand van het graf is gebracht, aan zijn vriend: "Gezegend zij de Hand, die het goede aldus met eeni-ge beproeving mengt, opdat wij ons hier op aarde geen tabernakelen bouwen, maar ons als gasten en vreemdelingen gedragen!". En in een brief van 17 februari 1827 lezen wij: "Gezegend en geloofd zij Zijn Naam in alles dat Hij met ons, als met kinderen in Christus onzen Heere, doet, beide dat wij begrijpen en niet begrijpen, beide dat een zake van droefheid schijnt te zijn, en waarin zich onze ziele mag verheugen. O! dat ons iedere ure van blijdschap, of van droefheid, of van angst, of van worsteling, of van strijd, of van wat het ook zijn moge, dat Hij ons in Zijne liefde en wijsheid bedeele, steeds nader aan Hem voere, steeds innniger in Christus doe wortelen, door het geloof! Hoe zalig is dit ons niet reeds op aarde! Wat zal het zijn in de aanschouwing éénmaal in den hemel, werwaarts wij toch ijverende moeten henentrekken rriet een verlangen des harten, en waar alles vrede en vreugde is in eeuwigheid onder de onmiddellijke heerschappij des Lams!" Een ontroerend getuigenis, dat ons slechts jaloers kan maken, zoals dit ook het geval is-met hetgeen hij na het overlijden - in de nacht van 3 op 4 januari 1830 -van zijn bijna tweejarig oude dochtertje Hanna Rebecca Esther ("Esthertje") aan het papier toevertrouwt, wanneer hij De Clercq verzekert, dat "de Heere niet heeft opgehouden ons rijkelijk te vertroosten, met het stille besef der zaligheid van ons kind te verblijden, en ook door de nooit gewaardeerde liefde en deelneming der broeders en zusters ...te verkwikken ..."

Gerrit de Clercq en Willem Daniël da Costa

Van de kinderen van beide vrienden noemen wij in het bijzonder Gerrit, de oudste zoon van De Clercq (1821 - 1857) en Da Costa's eersteling, Willem Daniël (1824-1848).

Gerrit de Clercq, een jongen van grote begaafdheid - nog maar negen jaar oud was hij, toen hij een opstel over Erasmus schreef! - genoot al heel jong de bijzondere belangstelling van Da Costa, die hem, nadat hij reeds twee jaar lang Da Costa's colleges had bijgewoond, in 1836 onderricht in de Griekse en Latijnse letterkunde ging geven, waarbij ook de eigentijdse Franse en Duitse literatuur aan de orde kwamen, - lessen, die veelvuldig tot gesprekken van levensbeschouwelijke aard aanleiding gaven. Maakte Gerrits vader zich niet zelden grote zorgen over de liberale denkbeelden van zijn oudste, die geheel in de ban van Goethe's pantheïsme verkeerde, Da Costa was, hoewel hij alleszins begrip voor de bezorgdheid van zijn vriend wist op te brengen, steeds vol vertrouwen in de afloop van het proces, dat Gerrit doormaakte. Gedachtig aan de geestesgesteldheid, waarin hij zelf als vijftien- a zestienjarige jongen had verkeerd, ver-

zekerde hij zijn vriend, dat een en ander te zijner tijd wel goed zou komen: "Eens zal alles in eeuwige aanbidding eindigen", zo trachtte hij hem in een brief van 6 juli 1837 op te beuren.

In 1839 deed Gerrit in de Waalse kerk, waarvan zijn vader acht jaar tevoren lid geworden.,was, belijdenis en werd hij gedoopt, om in april van hetzelfde jaar in Leiden te gaan studeren, waar hem echter een geestelijke ontwikkeling wachtte, die zowel zijn vader als Da Costa veel zorgen baarde. Bijna een jaar na zijn doop moest Da Costa constateren, dat zijn vroegere leerling bezig was, "in atheïstisch vaarwater" te verzinken, hetgeen hem overigens niet alle vertrouwen in hem ontnam. In 1843 rondde Gerrit zijn studie af met een proefschrift over.aard en werkwijze van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, waarna hij zich als advocaat te Amsterdam vestigde. In 1851 werd hij secretaris van de N.H.M., - een betrekking, destijds door zijn vader als eerste vervuld. Zes jaar later reeds stierf hij, na kort tevoren tot het geloof van zijn ouders teruggekeerd te zijn.

De levensloop van Willem Daniël da Costa was van een geheel andere aard dan die van De Clercqs oudste zoon. Van jongs af lijdend aan epilepsie heeft hij zijn ouders de jaren door veel zorgen gegeven. Na in 1827 en in 1831 heel ernstig ziek te zijn geweest, werd hij in 1838 tot het "Instituut voor Jongeheren" te Zeist, een kostschool van de Hernhutters, toegelaten, waar hij twee jaar lang onderwijs behalve in het Latijn ook in de moderne talen en in de handelsvakken ontving, waarna hij, in Amsterdam teruggekeerd, als volontair op een notariskantoor geplaatst werd. Na enkele betrekkelijk gezonde jaren begonnen in de loop van 1843 de toevallen echter in aantal en hevigheid toe te nemen, de inleiding tot "een allersmartelijkst lijden van vijfeneenhalf jaar", aldus zijn moeder in haar "Dagboekje", waarna hij in december 1848 overleed. Willems ziekte heeft op het gezin Da Costa een zwaar stempel gedrukt, maar zijn ouders hebben hun juk op een waarlijk christelijke wijze gedragen. Het is overigens opvallend, dat de steun, die Da Costa in deze moeilijke tijd van De Clercq heeft ontvangen, allesbehalve groot geweest is. Zij haalt in elk geval niet bij de hartelijkheid, door Da Costa de oudste zoon van het echtpaar De Clercq betoond.

Gezondheid van Da Costa en De Clercq

Ook Da Costa en De Clercq zelf hebben veel lichamelijk lijden gekend. Zoals vele anderen in de kringen van het Reveil hadden zij bepaald geen sterk gestel. Het heeft er overigens alle schijn van, dat de voornaamste oorzaak van hun kwalen in hun geestesgesteldheid gezocht moet worden: naar alle waarschijnlijkheid hebben wij hier vooral met psychosomatische klachten te maken, die door een zwak en gevoelig zenuwgestel veroorzaakt werden. In hun houding tegenover een en ander "weerspiegelde zich echter", aldus Dubois, "niet alleen het unieke van de eigen persoonlijkheid, maar ook het idealistisch levensgevoel van de Romantiek, waarbij het lichaam gevoeld werd als een last en gesteld tegenover de geest. De lichamelijke existentie was een hindernis voor de ontwikkeling van de zoveel hoger aangeslagen geestelijke. Dit levensgevoel vinden we ook bij romantische calvinisten als Da Costa en De Clercq, maar dan in een traditioneel-c&ristelijke toonzetting. De typische gevoelsvroomheid van het Reveil, dat gezien kan worden als het godsdienstig correlaat van de Romantiek, gaf hieraan nog een extra accent".

Dubois, die zich voor een en ander beroept op C. de Deugd ("Het metafysisch grondpatroon van het romantische literaire denken. De fenomenologie van een geestesgesteldheid", 1966) en O. Noordenbos ("De crisis der Verlichting", 1956), verwijst in dit verband naar Bilderdijk, "de meest uitgesproken vertegenwoordiger van het romantisch calvinisme", aan wie "De Clercq en Da Costa in hun christelijk-roman-tische ziektebeleving verwant zijn".

Deze verwantschap moge onmiskenbaar, althans waarschijnlijk zijn, het komt ons voor, dat op de legitimiteit van de term "romantisch calvinisme", met inbegrip van de gedachtenwereld, die hierachter schuilgaat, wel een en ander'valt af te dingen. In elk geval menen wij te mogen stellen, dat de verbinding van Romantiek en Calvinisme bij deze en gene veel minder vanzelfsprekend is dan door Dubois wordt verondersteld, al achten ook wij uiteraard de invloed van de tijdgeest op een geestesbeweging als het Calvinisme zonder meer van reële betekenis.

De Belgische Opstand (1830 - 1831).

Een belangwekkend hoofdstuk in de studie van Dr. Dubois is gewijd aan de geruchtmakende Belgische opstand in de jaren 1830- 1831, waarbij-uiteraard ook het befaamde "drievoudig snoer" God-Nederland-Oranje ter sprake komt, dat zeker voor Da Costa bepaald geen theoretisch concept, maar veeleer een diep doorleefde overtuiging was.

Hierbij valt ons tweeërlei op, en wel: a) dat Da Costa en De Clercq, als vele anderen "diep geschokt door de gebeurtenissen in de zuidelijke helft van het Verenigd Koninkrijk", de Belgische Opstand in het licht van Gods plan met Nederland en Oranje zagen; b) dat zij de gebeurtenissen een plaats in het wijder perspectief van de wederkomst van Christus en de vestiging van Zijn Rijk gaven. Met andere woorden: zij zagen hun eigen tijd als eschatologische tijd!

Een en ander impliceert - en hierin ligt, vooral waar het Da Costa betreft, hun originaliteit - dat er een nauwe samenhang bestaat tussen hun visie op het "drievoudig snoer" aan de ene kant en hun eschatologische denkbeelden - in Reveilkring noch daarbuiten gemeengoed! - aan de andere kant, zij het, dat na 1831 hun belangstelling in dezen gaat verflauwen, om overigens met de troonsbestijging van koning Willem II (1840), "de held van Da Costa's dromen", weer tot nieuw leven te worden gewekt.

Terloops zij hieraan nog toegevoegd, dat ook iemand als Groen van Prinsterer "de dingen van de dag" in geloofslicht zag, in het perspectief van zonde en verlossing, van de grote strijd tussen de "civitas ter-rena" en de "civitas Dei", zoals hij deze op een bede-dag in augustus 1831 door de Waalse predikant Jean Charles Isaac Secrétan had horen beschrijven: "een strijd niet om geld of grondgebied, maar om beginsels en inderdaad een groote en algemeene worsteling tus-schen duisternis en licht", - een strijd, waarin, aldus Groen, door God wellicht ook voor ons vaderland een rol was weggelegd.