Terug naar Ecclesianet.nl

Inlossing van een ereschuld, Dr. H. Klink, Hoornaar

Dr. H. KLINK, Hoornaar

INLOSSING VAN EEN ERESCHULD

Het was vorig jaar zomer dat ik meerdere gesprekken voerde met de toen ernstig zieke ds. G. Jukema te Leerdam1). Ds. Jukema had enkele maanden voorafgaand aan deze gesprekken een bijdrage geleverd aan Ecclesia in de vorm van een meditatie. Hij had zich voorgenomen om zo nu en dan een artikel of meditatie voor onze periodiek te schrijven. Helaas liet zijn gezondheidstoestand hem dit niet meer toe. Helaas, voor de lezers van Ecclesia. Maar hij ervoer dit ook zélf als een teleurstelling. Hij wilde zo graag nog een paar dingen die hij voor de kerk van belang vond kwijt. Grote betrokkenheid bij het kerkelijke leven was kenmerkend voor deze pastor.

Ds. Jukema was namelijk een man van het Woord en van de daad. Nog zie ik hem voor me staan in de lange gang van de Hoornaarse pastorie, in zijn zware grijze jas. Naast hem zijn echtgenote. In zijn karakteristieke houding, met zijn zware wenkbrauwen en met een oogopslag die niet de minste twijfel liet bestaan over de vraag of hij meende wat hij zei, vertrouwde hij mij toe: "Als ik nog de kracht,en de leeftijd had, dan zou ik wat de kerkelijke situatie betreft (hij doelde op S.o.W., waar hij ernstige bezwaren tegen had) de mouwen opstropen." Nooit ging ds.'Jukema in zijn predikantsloopbaan zijn verantwoordelijkheid uit de weg. Hij tilde zwaar aan zijn roeping. Desalniettemin kan men niet zeggen dat het hem zwaar viel om zijn roeping te vervullen. Integendeel: het was hem een diepe vreugde. Hij was er in de goede zin van het woord trots op, dat hij zijn Meester en Heiland als dienaar van het Woord mocht dienen.

De preekstoel was een geliefde plek voor hem. Diepe gedachten wist hij eenvoudig te vertolken, vaak met een grote mate'van artisticiteit. Deze begaafdheid en dit verantwoordelijkheidsbesef maakten dat het hem moeilijk viel om geheel te moeten zwijgen. Hij had nog veel te vertellen: over Gods trouw, over het belang van het authentiek en eigentijds belijden. Toch was er één ding dat hem het meest bezig hield. En dat was de verhouding van de theologie respectievelijk de kerk tot de natuurwetenschappen.

De dingen hebben hun geheim
Ds. Jukema had van jongsafaan een brede belangstelling, zowel op het gebied van de talen als van de exacte wetenschappen. Zijn leven lang stelde hij belang in natuurwetenschappelijke vraagstukken. Op zijn ziekbed las hij het bekende boek van dr. A. van den Beukei, De dingen hebben hun geheim. Op de tafel lag ook een werk van Stephen Hawking, een volkomen atheï
stisch natuurkundige uit Cambridge. Ds. Jukema las tijdens zijn ziekteperiode enkele boeken meer die betrekking hebben op natuurkunde, biologie en geloof.

Wat hij zich zeer aantrok, was dat er een waterscheiding bestaat tussen de natuurkunde en de theologie, terwijl dat niet nodig is. Het boek van Van den Beukei las hij als een soort lentebode. Als een adventsbericht met betrekking tot de tijd dat deze waterscheiding niet meer aanwezig zou zijn. Het was volgens ds. Jukema van het grootste belang dat deze tijd zou aanbreken.

Nu natuurkundigen, aldus ds. Jukema, gaan inzien dat de door hen onderzochte werkelijkheid niet op zichzelf rust, maar dat er een sturende werkelijkheid achter de zichtbare werkelijkheid is, nu is het de taak van de kerk zich met deze gedachte solidair te verklaren. Om vervolgens aan te geven, wie deze Grote Onbekende, die orde schept in het heelal is! Van den Beukel geeft in zijn boek namelijk aan dat ook onder natuurkundigen het besef baanbreekt dat er achter onze werkelijkheid een niet nader te omschrijven "onzichtbare hand" orde schept. Hij doet dat op een voor ons niet te traceren manier. Vooral de zogenaamde kwantummechanica2) maakt dit duidelijk. Terzijde zij opgemerkt dat niet alleen Van den Beukel hier de vinger bij legt. Ook de Franse christen-denker Jean Guitton wijst op deze dingen in zijn boek God en de wetenschap, dat enkele jaren geleden bij Ambo werd uitgegeven.

Zozeer hield deze kwestie ds. Jukema bezig dat hij er keer op keer over begon tegenover degenen die hem regelmatig bezochten. Zijn rotsvaste vertrouwen in God, het zicht dat hem vergund werd op de heerlijkheid die wachtte, dat alles maakte hem er meer dan ooit van overtuigd dat God in zijn kenbaarheid en zijn genade dichtbij is. Dat de scheidingswand tussen deze werkelijkheid en Hem uiterst dun is! Over deze dingen gingen de gesprekken ook met ondergetekende. Ds. Jukema vertrouwde me een en ander maal toe dat hij graag over deze materie had willen publiceren! Toen hij daar keer op keer op terug kwam, deed ik hem het voorstel om iets van de gesprekken in Ecclesia door te geven. En zo zaten wij in zijn woning, in alle rust met elkaar te spreken. Ds. Jukema had vooral het woord. Zijn vrouw, mijn vrouw en ikzelf, wij luisterden vooral. En wat mezelf betreft, ik verwonderde me over de scherpzinnigheid en de exacte, heldere wijze waarop hij zijn gedachten wist te formuleren !

Na de drukte van mijn promotie ben ik eraan toe gekomen om uit de aantekeningen die ik tijdens onze gesprekken maakte iets aan de lezers van ons blad door te geven. Daarbij zij opgemerkt dat het uiterst moeilijk is om de levendigheid van het onderlinge gesprek via het geschreven woord tot uitdrukking te brengen. Desalniettemin wil ik een poging wagen, niet alleen om de gedane belofte aan ds. Jukema na te komen, maar ook om het belang van hetgeen ds. Jukema te berde bracht.

Kerk en fysica
Allereerst gaf hij aan dat een gesprek over natuurkunde en de Openbaring van God door ons niet gevoerd werd als door fysici. "Wij mogen dat alleen doen als theologen, zodat wij niet het verwijt krijgen dat we ons op vreemd vakgebied genoemde begeven." Zeer te spreken was ds. Jukema over het boek van Van den Beukei. "Dat boek vind ik een geduchte bijdrage aan het gesprek over de vraag wie God is. Wij kunnen ons nut ermee doen inzake het Godsbegrip. Want daarmee is het droevig gesteld!" Ds. Jukema schilderde hoe men aan de linkerkant van de ke,rk wat dat betreft helemaal vastzit aan het verouderde natuurkundig beeld. Dat wil zeggen: aan de materialistische theoretische natuurkunde. Materialistisch wil in dit geval zeggen: de natuurkunde die voor geen enkele vorm van een inwerking van "het hogere"1 op de door haar onderzochte werkelijkheid ruimte laat! Theoretisch wil in dit geval zeggen, dat het uitsluiten van deze inwerking theoretisch is vastgesteld. Men hanteert dit als een dogma.

De linkse theologie, die elke vorm van een ingrijpen van God ontkent, heeft zich op deze visie van werkelijkheid vastgepind. Deze visie kan echter met argumenten die de natuurkunde zélf te berde brengt, worden afgewezen.

De andere benadering is die van fundamentalisten. Het is de weg van wat ds. Jukema "de zwaren" noemde. "Zij zweren bij een Godsbegrip dat helemaal verwijderd is van de bovengenoemde vraagstelling. Daar zit een misverstand in. Je kunt ook met hun visie niet uit de voeten. Nu gaat het erom dat Van den Beukei aantoont, hoe de nieuwe, allermodernste natuurkunde ten eerste een nieuw mensbeeld tevoorschijn roept, met name voor de natuurkundigen. Maar vooral gaat het erom dat in deze nieuwe moderne natuurkunde God weer zichtbaar wordt. En daar moet de kerk op bedacht zijn. Anders zou de poging van Van den Beukei om theologie en fysica weer bij elkaar te brengen, mislukken. En dat zou zeer te betreuren zijn voor de kerk."

"Eigenlijk moetje zeggen dat Christus al een poging deed om dit nieuwe Godsbeeld duidelijk te maken. Dat komt naar voren in zijn gesprek met de Sadduceeën over de opstanding uit de doden. Dat is natuurlijk een heel belangrijk onderhoud. Ken je de discussie tussen Maarten 't Hart en ds. Ter Linden uit Amsterdam? Deze laatste gaf een boekje uit óver God en zijn schepping. Daarop reageerde Maarten 't Hart, die beruchte dy-heart, die bijna opzichtig God door

wil strepen. In een artikeltje dat ik recent las wordt duidelijk gemaakt dat 't Hart, die opgegroeid is in Maassluis wonderlijk genoeg nog steeds vast zit aan zijn oude godsbeeld. Alleen hij heeft het oude godsbeeld ingewisseld tegen het spiegelbeeld ervan. Het oude was: Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen. Het nieuwe is: Wie God verlaat, heeft helemaal niets te vrezen. Nu, deze discussie tussen 't Hart en Ter Linden laat zien hoe belangrijk de thematiek is die aangesneden wordt door Van den Beukei.

In feite kun je zeggen dat het bij velen in de Kerk en in de samenleving zo is, dat zij een radicaal of een voorzichtig spiegelbeeld aanhangen, qua Godsbegrip van wat zij vroeger geleerd hebben. Ter Linden staat daar wat tussenin. Hij wil een Godsbeeld dat meer geënt is op de Schrift. En daarom is wat Van den Beukei schrijft in zijn boek De dingen hebben hun geheim zo belangrijk. Met name om zicht te krijgen op de opstanding van Christus en op zijn verschijningen na de opstanding, op zijn werk in de schepping, op wat er gebeurt bij de storm op het meer van Galilea en bij de wonderbare spijziging en ga zo maar door. Dat hangt allemaal samen met de werkelijke God, met de werkelijke Christus.'1

"Maar om terug te komen op ons uitgangspunt: Je kunt natuurlijk in de kerk je weg gaan als spelers in een afgesloten arena. De deuren zijn dicht, er is geen contact met de buitenwereld. Je kunt er je rondjes lopen en lof oogsten. Maar dat gaat dan zo binnen je eigen kringetje, voor je eigen publiek. Dat is niet zo moeilijk. Maar... als de deuren dan open gaan en je moet de stad en de wereld in, dan vervliegen de woorden, omdat ze geen draagkracht hebben. Zo moet het niet. Er is veel meer mogelijk. De tijd van de materialistische theoretische natuurkunde is voorbij. Dat wordt niet door de kerk gezegd, nee, dat zeggen de fysici zelf. Dat is een inzicht waar men toe gedwongen wordt, ook al zijn er die dat niet willen zien. Ze moeten op den duur wel.

Kijk en dan gaan kerk en natuurkunde hand in hand. Zoals ze hand in hand kunnen, ja behoren te gaan. Je moet niet rond blijven rijden in die arena. Het is niet zo van: hier is de natuurkunde en daar is de kerk, alsof de Kerk een soort laboratorium is, afgesloten van de wereld als een soort heiligdom. En dan loopt de kerk daar met een boodschap die wereldvreemd is. Dat is een vergissing. Men moet op de hoogte zijn van deze dingen. Om er op in te spelen."

Gods openbaring
Van den Beukei wijst op Einstein. "Wat kunnen we veel leren van deze laatste geleerde. Hij was een Jood en in zekere zin een gelovig man. Hij noemde God 'de Oude'. Toen hij gewezen werd op de kwantummecha-nica protesteerde hij heftig. "God dobbelt niet", zei hij. Daar kun je respect voor hebben. En toch heeft Einstein zich in zijn taxatie van de kwantummechani-ca vergist."

"Als ik het mag zeggen, dan zie ik het zo: De schepping is door God gemaakt. En wij zijn daarin als mens uniek. Wij zijn naar het beeld van God geschapen. De dingen zijn er, en wij gaan ermee om. Wij verplaatsen

dingen, staan er min of meer boven. Dat doen ook fysici. De atoomfysici doen proeven. Dit en dat is de uitkomst. Maar de kwantummechanica laat zien dat God in dat alles vrij is. Hij staat boven dat alles. Als je daarover leest dan zie je dat wij wel in staat zijn om dingen te verschuiven. Daar zijn we mens voor. Maar we zijn niet in staat om te voorspellen welke gevolgen dat schuiven heeft. Wij denken soms: nu gaat er dit en dat gebeuren, maar dan gebeurt er iets heel anders. Achter de kosmische werkelijkheid staat God. Daar bevindt zich een ontzagwekkende mysterieuze macht, die de Bijbel God noemt (op een andere manier, met een andere naam kan Hij zich niet manifesteren). En de Joden hebben voor God een eigennaam, bijvoorbeeld zoals Einstein over 'de Oude' sprak. Hoe is zijn Naam dan? Dat wordt duidelijk aan de verschijning van God bij Mozes, bij de brandende braamstruik: 'IK BEN DIE IK BEN1. Daar heb je diezelfde 'Oude'. Achter de coulissen van de schepping vandaan treedt Hij naar voren! IK BEN DIE IK BEN. Je kunt het ook vertalen met: 'IK BEN ER.' 'Jullie dachten dat jullie alleen waren met de werkelijkheid om jullie heen. Maar IK BEN ER'. Toen kreeg Mozes die bijzondere opdracht om naar de farao te gaan. Mozes aarzelde. Zoals een - negerpredikant op de Kirchentag in Duitsland tijdens een morgenwijding zei: 'Who am I? Shall I have to go to great pharao?' ('Wie ben ik? Moet ik naar de grote farao gaan?') Met zo'n opdracht kun je verlegen zijn. In het besef van je kleinheid en nietigheid. Maar de mysterieuze-"Oude' maakt hem duidelijk dat Gods werkelijkheid oneindig veel meer gewicht in de schaal legt, dan het gewicht van Egypte. Daar heb je het: deze werkelijkheid van God komt tevoorschijn, treedt op in deze wereld, ook en juist in de mensenwereld en doorbreekt onze gesloten visie op de werkelijkheid. Wij worden ertoe opgeroepen om dat te erkennen".

De opstandingswerkelijkheid van Christus
"Hetzelfde zie je, in groter potentie nog, op de dag van de Opstanding. Christus komt door gesloten muren en door gesloten deuren. De wetmatigheden worden doorbroken. En nu zijn wij en waren de discipelen maar simpele mensen. Op zijn allereenvoudigst reageren zij. Zij menen: 'het zal een geest zijn'. Maar nee: Hij eet brood en vis. Daar wordt de gesloten fysische werkelijkheid doorbroken! Je voelt wel dat je op deze manier de Paasboodschap op een veel bredere voet kunt neerzetten dan wanneer je alleen maar praat over een paar mensjes die Jezus kwijt zijn. Want die gesloten wereld, en die kaders waarin de discipelen denken is een theoretische werkelijkheid. Het is de werkelijkheid van de moderne theoretische natuurkunde. Die kan alleen maar theoretiseren vanuit de materie.

Hetzelfde speelt bij Maria Magdalena. Als ze 's morgens bij het graf komen, zijn ze geschokt. Het graf open, de steen weggerold! Dat kon uiteindelijk maar een paar dingen betekenen. Grafroof was op het laatst de conclusie. Er moet immers een hand zijn geweest die die steen wegrolde. Overstuur gaan de vrouwen terug naar Jeruzalem. Alleen Maria Magdalena blijft achter. En dan ziet ze daar de tuinman. Ja, dat moet de tuinman zijn. Ze kijkt niet eens goed en vraagt, want

dat kan niet anders: 'Waar hebt u Hem gelegd?' En dan ineens die stem, de stem van haar Meester. Daar wordt de materialistische natuurkunde doorbroken!"

"Zo is het met de storm op zee. Ze denken: het is een spooksel. Dat kon niet anders, althans: weer volgens de wetten van de materialistische natuurkunde. Denk ook maar eens aan de Emmaüsgangers. Dat er een man naast hen komt lopen en meegaat om te eten dat valt te begrijpen. Maar dan ineens blijkt Hij de Christus te zijn, de Opgestane, waarop Hij niet meer gezien wordt. Dat is een doorbraak van de gesloten werkelijkheid."

De mens in de geschapen werkelijkheid
"En nu is dit het mooie, dit geeft ons kansen, dat de natuurkunde zelf laat zien dat er zo'n mysterieuze macht is, die ingrijpt in het verloop van de dingen. En daardoor is ze overrompeld. Als dat weer tot de mensen door gaat dringen! Beseffen wij wel dat wij, jij en ik rondlopen in een wonderwereld? Dat hebben wij vaak niet door. Want als wij iets vaak zien gebeuren, dan maken wij gemakkelijk een vergissing. Dan gaan we namelijk denken dat het geen wonder meer is. Als iets heel weinig gebeurt, dan zeggen we: hoe bestaat het? Maar als iets vaak gebeurt, zeggen we dat niet. Het merkwaardige is dat wij die dingen afmeten aan de vraag of iets dikwijls of weinig gebeurt. En dat is dom. Alsof, als er iets dikwijls gebeurt, het plotseling geen wonder meer is. Als wij met elkaar praten en we snappen elkaar, dan wemelt het op dat moment van de wonderen. Jij verstaat mij en jij snapt mij. Je kunt horen. Je kunt het ermee eens worden. Je kunt willen, en dat allemaal in je geest: het wonder van de uitwisseling van gedachten. Dat is een volstrekt wonder en het voltrekt zich duizendvoudig. Je moet nooit zeggen dat dat geen wonder is. Ik wil maar zeggen: waar je ook kijkt, aan alle kanten is de werkelijkheid doorzichtig tot op God. Je kunt als het ware God en de engelen zomaar bezig zien. De scheiding tussen hier en daar is ragfijn."

"Het is voor mij altijd een fundamentele vraag geweest hoe ik de mensen door mijn preken duidelijk kan maken dat wij met de boodschap van de Bijbel geconfronteerd worden met de Levende God. Welnu, als wij deze dingen tot ons door laten dringen dan kunnen wij als je het goed beschouwt, uiterst modern preken. Dat God met ons, midden in het leven staat. Dat is niet stichtelijk. Het is geen geprevel. Die presentie is prediking en geen geprevel. En dat is van belang. Ook met betrekking tot de vraag hoe wij onszelf zien en ons leven. Toen ik onlangs in het ziekenhuis een man ontmoette, die er verlopen uitzag en ernstig ziek was, dacht ik: die man heeft van zichzelf niets overgelaten. Het is een typisch afbraakmens. Hij leeft als in een onbewoonbaar verklaarde woning. Wat kan een mens, die zichzelf niet heeft kunnen scheppen toch een bouwval worden! Ook deze mens was toen hij geboren werd een bouwwerk van God. Hoe kan hij zichzelf zo in de vernieling krijgen? Die man moet, zo verlopen stonden zijn ogen en zo getekend was zijn gezicht, zondig geleefd hebben. Dat kan alleen als je er niets van snapt. Als je helemaal niet begrijpt, dat je zelf een wonder bent, door God in deze wereld geplaatst, zodat je geen respect hebt voor het bouwwerk en voor de Bouwmeester. Als je vandaag de ontluisterende programma's ziet voor de t.v., de super-oversexualisering, waarbij mensen hun eigen lichaam mishandelen (want dat is het wat ze doen, of het nu hetero- of homoseksuele mishandeling is), dan zeg je: ze mishandelen Gods bouwwerk.

God schiep de mens immers groots! Ken je het verhaal van die ene man die zei: 'Zon u bent groot, maar ik ben groter, want u weet niet dat ik er ben, en ik weet wel dat u er bent'? Kijk zo heeft God ons gemaakt, in deze wereld van wonderen. En nu is God nog veel groter.

Want Hij heeft ons het vermogen gegeven, als mensen met een geest en een wil om te interveniëren in processen. Om de dingen die zich aandienen in de wereld te verplaatsen. Maar zelfs wij kunnen niet voorzeggen wat het gevolg is van onze handelingen. Daarin is Gód de handelende en daarin is Hij vrij."

Het raakpunt tussen natuurkunde en geloof
"Dat God de handelende is en dat Hij vrij is, dat is het antwoord op de vraag waar de natuurkunde ons voor stelt. De werkelijkheid is transparant. Alleen al daaruit zie11 je: God is vlakbij. Hij breekt door ons beperkte we.rkelijkheidsbewustzijn heen en stelt zich present. De scheidingswand tussen hier en de werkelijkheid hierboven is dun, flinterdun. Dat wordt zelfs uit wetenschappelijk onderzoek duidelijk. En wij mogen ons gelukkig prijzen dat wij die God die voortdurend werkzaam is, van zo nabij kennen. Want dat is het wat Christus ons leert. En dat is pure genade: een kind èn dienaar van Christus te zijn."

Naschrift
Zomaar enkele overwegingen van een bewogen man, die zelf zo dichtbij de werkelijkheid van de "overzijde" leefde, dat hij op het eind van zijn leven, om met de titel van een bundel van Ida Gerhardt te spreken, raakte aan de "zomen van het licht".

1. Ds. G. Jukema werd geboren op 13 oktober 1920 te Rinsumageest en overleed op 1 oktober 1997 te Leerdam. Hij werd predikant op 23 januari 1949 te Middelstum en diende vervolgens de gemeenten te Nijverdal, Enschede, Scheveningen en Berkel en Rodenrijs. Op 1 mei 1981 ging hij met emeritaat, waarna hij samen met zijn vrouw in Leerdam woonde.

2. Zeer vereenvoudigd gezegd komt men aan de hand van de kwantummechanica tot de conclusie dat bepaalde elementaire gebeurtenissen op de schaal van atomen niet precies voorspeld kunnen worden. Men kan zich alleen uitspreken over de waarschijnlijkheid, de kans dat iets zal gebeuren. Men zou de "wetmatigheid" die zich op het vlak van atomen afspeelt, kunnen vergelijken met de uitkomst van het werpen van een dobbelsteen. De uitkomst van het éénmaal werpen kan niet worden voorspeld. Wel weten we dat de kans om drie te gooien, één zesde is. Daarom kan men zeggen dat bij een aantal worpen van zesduizend het aantal keren dat we drie gooien dicht bij de duizend ligt. Een verder kenmerk van de kwantumfysica is de zgn. golf-deel-tje dualiteit. In dit geval spreken we over licht. Licht is een golf-verschijnsel, maar zoals gebleken is, heeft licht ook een deeltjeskarakter. Beide theorieën zijn volkomen geldig, maar zonder enig logisch verband met elkaar. Ook stelde men vast dat een onbekende, niet te herleiden factor zorgt voor een onzekerheidsrelatie en voor onvoorspelbaarheid in de relatie tussen een impuls van een lichtkwantum en de uitkomst van deze impuls, waar het licht-kwantum een deeltje raakt. Daarmee is het determinisme (de leer dat dingen noodzakelijkerwijs vanwege vaststaande natuurwetten onder bepaalde omstandigheden zó en zó moeten gebeuren) van de baan. Zie hierover o.a. A. van den Beukel, De dingen hebben hun geheim (Baarn, 1990), blz. 41-48.