Terug naar Ecclesianet.nl

Dr. EJ.W. Posthumus Meyjes, kanselredenaar en kerkhistoricus

Drs. M. den Admirant, Den Haag

DR. EJ.W. POSTHUMUS MEYJES,

KANSELREDENAAR EN KERKHISTORICUS

In de eerste decennia van de twintigste eeuw stond in Den Haag een predikant, die over een machtig stemgeluid beschikte. Zijn geluidsvolume maakte des te meer indruk, omdat van de dominee werd verteld dat hij slechts één long bezat. Dit verhaal berustte niet op waarheid, maar een feit was dat dr. Posthumus Meyjes gedurende zijn jarenlange ambtsbediening voor stampvolle kerken preekte, en duizenden hoorders wist te boeien. Aan deze kanselredenaar, die ook als kerkhistoricus zijn sporen verdiende en van wie recentelijk een artikel in enkele nummers van ons blad is opgenomen, is deze bijdrage gewijd.
Egbert Johannes Wernhard Posthumus Meyjes werd op 18 mei 1871 te Amsterdam geboren. Zijn vader, Jeremias Posthumus Meyjes, was daar predikant van de hervormde gemeente; diens vader Reinier, had eveneens in Amsterdam het predikambt vervuld.
Na het eindexamen gymnasium werd Egbert J.W. Posthumus Meyjes te Utrecht als theologisch student ingeschreven. Hij werd lid van het dispuut Sekor Dabar (- Gedenk het Woord), waarvan hij later voorzitter werd. In 1892 legde hij het kandidaats- en in 1893 het doctoraal en het kerkelijk voorbereidend examen af. Vervolgens hield hij op 18 april 1893 in de Domkerk onder voorzitterschap van prof. dr. E.H. van Leeuwen zijn proefpreek. Op 23-jarige leeftijd deed hij op 5 september 1894 zijn 
proponentsexamen. Omdat hij aan zijn dissertatie wilde werken, stelde hij zich nog niet beroepbaar. Op 28 juni 1895 promoveerde hij bij prof. H.G. Kleyn tot doctor in de godgeleerdheid op een proefschrift over "Jacobus Revius, zijn leven en werken". Het was een weldoorwrochte kerkhistorische studie.
De jonge proponent ontving beroepen van niet min der dan 17 gemeenten. Het beroep naar Heinenoord -waar o.a. Hendrik Pierson en A.S. Talma gestaan had den - nam hij aan. Op 28 juli 1895 leidde zijn vader hem in het ambt van verbi divini minister in met een predikatie over Maleachi 2: 5-7. Dezelfde dag deed hij zijn intrede, predikende naar aanleiding van Handelingen 10: 36a: "verkondigende vrede door Jezus Christus".
Van meet af aan trok de jonge predikant veel belangstelling. In zijn prediking naar Schrift en belij denis kreeg het bevindelijke element een verantwoor de plaats. Als gevolg van een ernstige longontsteking, die een operatie nodig' maakte, was dr. Posthumus Meyjes in het begin van 1897 enige maanden aan het ziekbed gekluisterd. Nadien onstond de legende dat deze prediker met zijn machtig stemgeluid ook daar om zo'n wonder was, omdat hij op éé
n long leefde. Op 16 mei 1897 stond hij weer op de kansel, predikende de lof des tieren naar aanleiding van Psalm 118: 16-18. In een :gedachtenispreek bij gelegenheid van zijn 25-jarige ambtsbediening (1920) zei hij hierover het volgende: "Wat was het mij goed, verdrukt te zijn geweest en met name uit de 116e .psalm hemels onder wijs te hebben mogen genieten, gelijk ik betuigen mocht in mijn eerste prediking na mijn herstel: Ik zal niet sterven, maar leven en de werken des Heren ver kondigen".
Na voor 26 beroepen te hebben bedankt, nam hij op 31 oktober 1898 de beroeping naar Middelburg aan. Dr. Posthumus Meyjes preekte op 5 maart'1899 afscheid met Handelingen 20: 32 en verbond zich een week later aan zijn nieuwe gemeente met een predika tie over 2 Timotheus 2: 19. Het duurde niet lang, of er kwamen weer beroepen, nu naar grote gemeenten: begin 1900 Amsterdam en Den Haag, in 1902 Haarlem en opnieuw Amsterdam. Inmiddels was dr. Posthumus Meyjes op 20 juli 1900 in het huwelijk getreden met Elisabeth Cornelia Fak Brouwer.

Predikant in de Hofstad

In 1902 kwam er voor de tweede keer een beroep van de Haagse hervormde gemeente. Ditmaal nam dr. Posthumus Meyjes het aan. Zondag 21 september 1902 werd hij in de Grote Kerk bevestigd door ds. DJ. Karres. Woensdagavond 24 september hield hij in hetzelfde kerkgebouw zijn intreepreek naar aanleiding van de woorden van 2 Petrus 1: 19: "wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is...".
In de Hofstad kreeg hij de zorg voor wijk IV, waar voorheen dr. J.H. Gerretsen had gewerkt. Deze wijk, met de Nieuwe Kerk als centrum, strekte zich uit van het Spui tot aan Rijswijk. Op den duur echter werd de gehele Haagse hervormde gemeente de parochie van dr. Posthumus Meyjes. Ook in den Haag trok hij van het begin af ongewone belangstelling. Waar hij ook preekte, de kerk was altijd stampvol. Velen hadden het ervoor over, zondagsmorgens ongeveer een uur voordat de dienst begon, zich een plaatsje in het kerkgebouw te veroveren.
Dr. Jan Taal, die in zijn jongelingsjaren dr. Posthumus Meyjes van kerk tot kerk volgde en in 1912 bij hem belijdenis des geloofs aflegde, genoot met vele anderen van zijn evangelische prediking, van zijn Schrift verklaring, met zijn volle, klare en krachtige stem voorgedragen. "Wanneer ik", schreef Taal in 1950, "na zoveel jaren mij afvraag, hoe het toch gekomen is dat hij zoveel duizenden heeft weten te boeien, dan is zulks niet zo gemakkelijk uit te maken. Wanneer men zijn gedrukte meditaties leest, dan krijgt men niet sterk de indruk van iets buitengewoons: het zijn eigenlijk aaneenschakelingen van Bijbelteksten. Hij leefde in en met de Heilige Schrift: voor elke omstandigheid had hij een Schriftwoord gereed. Was het dan de wijze waarop zijn preken werden voorgedragen, die velen zo onweerstaanbaar aantrok? Ook deze had niet de onverdeelde bewondering van moderne mensen: men vond ze te antiek. Hij had de ouderwetse preektoon, een domineesgaim, die men alleen niet opmerkte, als men er van jongs af aan gewend was. Wat was dan het geheim ervan, dat men de preken, die men in zijn jeugd van hem gehoord heeft, na jaren nog in de oren hoort klinken, en dat hij zelfs op zijn oude dag - vlak voor het emeritaat - nog stampvolle kerken bleef behouden? Ik geloof dat het 't sterk persoonlijk element was, dat men in zijn preken aanvoelde. Niet dat hij zijn eigen persoon naar voren schoof: hij sprak slechts zelden over zichzelf. Doch in de manier waarop hij sprak over God en Zijn openbaring in Jezus Christus, was - door het soms irriterende intermediair van preekgalm en tale Kanaans heen -duidelijk waarneembaar de stem van de man, die in zijn leven met God had geworsteld en die in het geloof in Christus vrede gevonden had. Geen enkele bezigheid ondernam hij zonder de Heer te hebben geraadpleegd. Men kan ervan opaan, als hij zijn huisbezoek deed, klimmend op de hoge vermolmde trappen van de woningen in de volksbuurt die aan zijn zorgen was toevertrouwd, dat hij vooraf had gebeden. En ook als hij catechisaties gaf in de Nieuwe Kerk, die zo vol waren, dat als ze uitgingen, het was of er een kerkdienst eindigde. (...) Hoewel dr. Posthumus Meyjes behoorde tot de "confessionele" richting, die sterk het objectieve naar voren schuift, was hij toch subjectief in die zin, dat hij het zelf-doorleefde benadrukte (...). Doch dit subjectieve was bij hem gebonden aan de Heilige Schrift als norm. Daarom was hij tegenstander van de z.g. ethische theologie. Het is vooral door zijn toedoen geweest, dat de ethische richting, die voor zijn komst te Den Haag de meeste plaatsen in de kerkelijke colleges bezette, geleidelijk naar de achtergrond werd gedrongen, vooral na het optreden in 1906 van Dr. J.A. Cramer en Dr. J.H. Gerretsen inzake de Schriftkritiek. Persoonlijk bleef hij echter met verschillende vertegenwoordigers dezer richting bevriend. Niemand trouwens, van welke richting ook, heeft ooit aan zijn eerlijkheid, goede trouw, zijn ernst, zijn edelmoedigheid getwijfeld".
Taal ging later over tot de Rooms-Katholieke Kerk, een stap die Posthumus Meyjes niet kon begrijpen of apprecië
ren. "Ik kreeg", schrijft Taal, "sterk de indruk, dat hij de Rooms-Katholieke Kerk benaderde als een vreemde wereld, waarvan hij niet kon begrijpen dat iemand lust had er zich in te werpen of in te verdiepen. Toen het gesprek ook kwam op de liturgische bewe ging onder de Protestanten, gaf hij als zijn vrees te kennen, dat dit alles de aandacht zou afleiden van de hoofdzaak en dat was volgens hem de verkondiging van het Woord van God" J).

Een ambtgenoot, dr. L.D. Terlaak Poot, schreef over Meyjes' prediking: "Deze bazuin gaf geen onze ker geluid! De duizenden zouden hem niet vijf en der tig jaren lang gevolgd hebben, als zij niet zondag aan zondag gedrenkt werden uit de Fontein van levend Water en gespijsd met dat Brood dat opvoedt, naar Boven voedt tot het eeuwige leven". Terlaak Poot ver telt van een hoge regeringsambtenaar, behorende tot de Doopsgezinde Broederschap, die dr. Posthumus Meyjes eens ging horen in de Willemskerk en thuis gekomen zei: Zijn dogmatische inzichten zijn niet de mijne, maar die man staat te prediken onder een geo pende hemel".
"Hoe leefde hij in en uit de Schriften!", aldus dr. Terlaak Poot, die in dit verband de volgende herinne ringen ophaalt. Op zekere morgen liepen Ebbo Kraan (later gereformeerd predikant te Vlaardingen) en hij zelf over het. Bezuidenhout, op weg naar de Daendelsstraat,. om in het Christelijk Gymnasium eindexamen te 'doen. Aan de overkant zagen ze dr. Posthumus Meyjes aankomen, al vroeg op pad om op huis- en ziekenbezoek te gaan. Met luide stem riep hij hun toe: "Hij zal genade en ere geven!'.!2).
Volgens de Haagse godsdienstonderwijzer A. Weenink, die hem van zeer nabij kende, leefde Posthumus Meyjes zo met en in de Psalmen, dat hij allerlei gevallen met psalmnummers in verband bracht. Toen de predikant verhuisde van de Daendelsstraat naar Jan van Nassaustraat 63, deed hem dit denken aan de woorden van Psalm 63: "want Uwe goedertierenheid is beter dan het leven".
Dr. Posthumus Meyjes ontplooide veel activiteit. In het lokaal van de Middernachtzending "Opstanding en Leven", in de beruchte Bagijnebuurt, hield hij wekelijks bijbellezingen. Hij was onder meer voorzitter van de Haagse afdeling van de Confessionele Vereniging en mede-oprichter en secretaris-curator van het Christelijk Gymnasium in Den Haag.
Tot zijn wijk behoorde ook het stadsdeel langs de Rijswijkseweg, het Laakkwartier, dat zich snel in de richting van Rijswijk uitbreidde. Op initiatief van dr. Posthumus Meyjes werd de Laakkapel (aan de Deimanstraat) gebouwd. Deze kapel, de huidige Andreaskerk, werd op 16 december 1924 in gebruik genomen in een dienst waarin dr. Meyjes voorging.

Kerkhistorische studies

Ondanks zijn drukke werkzaamheden vond hij toch nog tijd voor de studie van de vaderlandse kerkgeschiedenis, die hem steeds bijzonder boeide. Reeds als predikant in Middelburg diepte hij uit het kerkeraads-archief gegevens op en bewerkte ze tot artikelen. Ook het archief van de Haagse hervormde gemeente bood hem rijke stof tot onderzoek. Na een tweetal publicaties van andere aard, getiteld "Op het Fundament der Apostelen en Profeten" (1907) en "De Opgang uit de Hoogte" (1917), verscheen in 1918 onder de titel

"Kerkelijk 's-Gravenhage in vroeger eeuw" een bundel schetsen betreffende de geschiedenis der hervormde gemeente in de zeventiende en achttiende eeuw. In 1921 publiceerde dr. Meyjes een biografie over "Joannes Völlenhove, een Haagsch Dichter-Predikant uit onze Gouden Eeuw" (in het Jaarboek- van Die Haghe). Daarna wijdde hij zijn aandacht aan de geschiedenis van de negentiende en het begin der twintigste eeuw. Zo verschenen artikelen over "Het Kiescollege in de Nederduitsch Hervormde Gemeente te 's-Gravenhage 1867-193!", over de Willemskerk en over de predikanten Ch.J. Bryce en dr. J.A. Gerth van Wijk. Bij het overdragen van zijn wijk aan de jongste predikant publiceerde dr. Meyjes in 1931 in de 's-Gravenhaagsche Kerkbode "Herinneringen uit wijk IV derNed. Herv. Gemeente (1902-1931)".
Een uitnemende publicatie is het van 1935 daterende werk "Hervormd 's-Gravenhage in de negentiende eeuw". De in dit boek opgenomen schetsen behandelen de negentiende eeuw in het bijzonder uit het oogpunt van de strijd voor kerkherstel. In die tijd beleefde de Haagse hervormde gemeente heel moeilijke jaren. "Het braambos brandde in het vuur, maar het werd niet verteerd", aldus dr. Meyjes in zijn woord vooraf.

Emeritaat en levenseinde

Na een 44-jarige evangeliebediening verkreeg dr. Posthumus Meyjes per 1 juli 1939 eervol emeritaat. Sinds april van dat jaar kon hij wegens ziekte zijn ambtswerk niet meer verrichten. Een afscheidsdienst moest achterwege blijven. Daarom richtte dr. Meyjes zich in juli 1939 schriftelijk tot de hervormde gemeente. Hij wilde niet spreken van een afscheidswoord, omdat hij hoopte "nog menigmaal de Blijde Boodschap van Gods ontfermende genade in Christus Jezus, onze getrouwe Zaligmaker, te mogen verkondigen". Deze hoop ging echter niet in vervulling. Dr. Meyjes leefde nadat hij emeritaat had verkregen nog ruim negen jaar, maar nimmer besteeg hij in die tijd de kansel. De laatste jaren van zijn leven waren niet de gemakkelijkste. Tijdens de bezetting werd dr. Meyjes (die weduwnaar was) met zijn dochter geëvacueerd, eerst naar Bennekom, daarna naar Zeist en tenslotte naar Bodegraven. In juni 1945 mochten ze naar Den Haag terugkeren. Als gevolg van het bombardement van het Bezuidenhout, begin maart 1945, waren het grootste deel van dr. Meyjes' boedel, zijn schilderijen en dierbare souvenirs in vlammen opgegaan.

Dr. Posthumus Meyjes overleed op 25 februari 1949 op ruim 77-jarige leeftijd. Bij de teraardebestel-ling op Oud Eik en Duinen hield de voorzitter van de kerkeraad, ds. A.J. Wormgoor een toespraak, waarin hij opmerkte dat met het verscheiden van ds. Posthumus Meyjes een stuk geschiedenis der Haagse hervormde gemeente was afgesloten. Hij had in deze gemeente een plaats ingenomen, die niemand hem na zou kunnen bezetten ...

1. Jan Taal, Herinneringen aan wijlen Dr. E.J.W. Posthumus Meyjes, in: Het Schild, jrg. XXVII (1945-'50), biz. 225 e.v.

2. L.D. Terlaak Poot e.a., Soli Deo Gloria, in memoriam Egbert Johannes Wernhard Posthumus Meyjes, 's-Gravenhage z.j., biz. 14, 15. Vele gegevens voor het bovenstaande artikel zijn aan dit boek ontleend.