Terug naar Ecclesianet.nl

Vriendschap in Christus (II)

Ds. J.G. BARNHOORN, Nunspeet

VRIENDSCHAP IN CHRISTUS (II)

Ontstaan en ontwikkeling van de literaire vriendschap

Het opschrift boven dit hoofdstuk zegt het al: de vriendschap tussen Da Costa en De Clercq vindt haar oorsprong in hun wederzijdse literaire belangstelling. In de loop van 1820 hebben zij elkaar tijdens een letterkundige bijeenkomst ten huize van de nu reeds lang vergeten dichter Anthony Hartsen Ieren kennen. Het was om zo te zeggen een liefde op het eerste gezicht. Was het in Da Costa "veel genie en vooral de groote kracht van geest, om voor zijne gevoelens uit te komen", waardoor De Clercq zich tot hem voelde aangetrokken, Da Costa werd in het bijzonder door De Clercqs improvisatietalent geboeid, en dat zelfs in een zo sterke mate, dat hij dertig jaar later nog precies onder woorden wist te brengen, welk een indruk De Clercq op hem gemaakt had. Een eerste kennismaking dus, die later het begin van een vriendschap voor het leven zou blijken.
Tot een echt persoonlijke ontmoeting komt het een aantal maanden later, wanneer de twee ten huize van De Clercq, zonder de aanwezigheid van derden, met elkaar in gesprek raken over de Spaanse, Portugese en Italiaanse letterkunde, - een gesprek dat later door De Clercq als "heerlijk" getypeerd zal worden.
In de loop van het volgende jaar wordt de omgang tussen hen intensiever. Aanvankelijk blijft de litera tuur het voornaamste gespreksthema, maar gaande weg wordt ook de godsdienst in de gedachten wisse ling betrokken om tenslotte zelfs de grootste plaats in te gaan nemen.
Het is in augustus van hetzelfde jaar - beide vrien den hebben elkaar intussen reeds vele malen ontmoet - wanneer Da Costa zijn vriend onthult, dat hij voor het christelijk geloof is gewonnen: een confidentie, waardoor de weg geë
ffend wordt voor "een echte vriendschap", voor "overeenstemming van hart en ziel", - een verwantschap, die ook hierin weerklank vindt, dat men steeds meer in eikaars lief en leed gaat meeleven. Vanzelfsprekend echter blijft de literatuur een belangrijk gespreksthema, en het kan niet anders, of men neemt breedvoerig kennis van eikaars publica ties, zoals het eerste deel van Da Costa's "Poëzij", en zijn door De Clercq ten zeerste bewonderde gedicht "Cain" en van de laatste een verhandeling over "De Grieken der nieuwere geschiedenis" en zijn reeds eer der genoemde, met goud bekroonde, opstel over de invloed van de buitenlandse letterkunde op de onze.
In dit verband verdient het ook onze aandacht, dat De Clercq, die, in tegenstelling tot Da Costa, geen klassieke opleiding had genoten, zich in de tijd, onder leiding van zijn vriend (die destijds op een onderwerp uit de klassieke letterkunde was gepromoveerd), in de Griekse auteur - vooral Homerus - ging verdiepen, waarbij zij zich echter voortdurend tot gesprekken over allerlei andere onderwerpen lieten verleiden: de vrienden hadden beiden een bijzonder brede belangstelling!

Van de buitenlandse schrijvers, die Da Costa en De Clercq lazen, moeten in de eerste plaats Lord Byron (als mens overigens hartgrondig door hen verfoeid!), Herder, Schiller en Walter Scott genoemd worden, van de auteurs uit ons eigen land vooral Willem Bilderdijk, die zij erg bewonderden, hoewel zij hem ook hun kritiek niet spaarden.

In de jaren dertig is het met name Goethe, door wiens werk zij - vooral Da Costa - worden geboeid, terwijl van de Nederlandse schrijvers vooral Nicolaas Beets ("Gedichten") en Anna Louisa Geertruida Toussaint ("Het huis Lauernesse") graag door hen gelezen wor den.
In 1840 doet Da Costa van zich spreken door zijn gedicht "Vijf en twintig jaren. Een lied in 1840", door hem in het "Koninklijk Nederlandsch Instituut" voor gedragen ter gelegenheid van zijn benoeming tot lid der Tweede Klasse van dit genootschap. Het is een lied, waarin, met verwijzing - naar de "toekomst en het Koninkrijk des Verlossers", een poë
tische verbeel ding van de gebeurtenissen in de jaren 1815 - 1840 wordt gegeven. De voordracht blijkt dermate succes vol, dat zij op vele plaatsen herhaald moet worden.
Het is bepaald niet overdreven te stellen, dat èn Da Costa èn De Clercq, in het algemeen gesproken, tot het literair establishment van hun dagen behoorden. Da Costa, sinds 1818 lid van de "Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde", schitterde als voorzitter van het dichtgenootschap "Concordia' Crescimus", terwijl De Clercq sedert hetzelfde jaar lid van de "Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen", in 1835 de eervolle benoeming tot lid van het "Koninklijk Nederlands Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten" ten deel viel.

De overgang van de literaire naar de christelijke vriendschap

De overgang van de literaire vriendschap naar een ver houding, waarin de godsdienst resp. het geloof een belangrijke, ja, op den duur zelfs de belangrijkste rol gaat spelen, is niet te denken zonder de bekering van Da Costa tot het Christendom - een gebeurtenis, die bij De Clercq grote ontroering en blijdschap teweeg brengt. In zijn "Memoires" heet het: "Stomme aanbid ding voor de wegen van God was alleen alles hetgeen ik uitspreken kon. Overtuiging mijner ellende en nie tigheid.... Nooit was de overtuiging meer levendig, dat het Christendom geen rok moet zijn, die wij af- en aannemen, maar wel de overtuiging van ons hart, zoodanig dat ons geheele leven Christendom wordt. Nu begrijp ik den gehelen Da Costa met alle zijne gedichten en denkbeelden ..."
Behalve Da Costa's bekering tot het Christelijk geloof moet in dit verband tevens vermeld worden, dat er op die gedenkwaardige avond in augustus ook bij De Clercq zelf een beslissende innerlijke ommekeer plaatsvond: de definitieve wending van het rationele naar het "innig-orthodoxe" christendom, - een wen ding waartoe Da Costa in een belangrijke mate heeft bijgedragen. De Clercq krijgt nu in zijn vriend behal ve een literaire gids ook een godsdienstige raadsman, hetgeen een definitieve wijziging in hun relatie ten gevolge heeft. Door Da Costa raakt De Clercq ervan overtuigd, dat Christus waarlijk God is en dat de wedergeboorte van de mens door Hè
m geschiedt, ook al is het geloof in Christus een gave van de Heilige Geest, door wie wij immers tot de Zoon - en door Deze tot de Vader - geroepen worden.

Jood en christelijk

Da Costa's overgang naar het Christendom riep zowel in Joodse kringen als in de kerk overwegend afwij zende en zelfs vijandige reacties op. Door het gros van de "gemoedelijke mensen", de liberale en "verdraag zame" kerkleden, werd Bilderdijks geesteskind als een fanaticus gezien, die met het zwaard in de hand gereed stond om, aldus De Clercq in een brief van 26 oktober 1822, "alle Remonstranten uit het land te drijven", ja, allerwegen werd zijn instelling als "verwoestend en gevaarlijk" voorgesteld. Voor Da Costa zelf echter was zijn keuze voor het Christelijk geloof allesbehal ve een breuk met zijn verleden. Integendeel zelfs: hij zag het Christendom als "de ontvouwing en vervulling van het zuiver goddelijke Jodendom, namelijk dat in het Oude Testament is vervat in Mozes en de Profeten". Het Oude en het Nieuwe Testament vormen een eenheid. Het Nieuwe Testament verhoudt zich tot het Oude als de sleutel tot het slot. En alleen Christus is in het bezit van "de echte kruissleutel Gods"!

Staatkundig-historisch gedachtengoed

Hoezeer De Clercq ook door persoon en denkwereld van zijn vriend geboeid werd - Dubois stelt zelfs, dat hij "in de ban van Da Costa's geest een genie was"! -men kan beslist niet stellen, dat hij geen oog voor de zwakke kanten van zijn karakter had, laat staan, dat hij zijn vriend blindelings volgde. In elk geval verschil den zij ontegenzeggelijk van elkaar waar het hun staatkundig-historische opvattingen betrof. De Clercq, gematigd als hij was in zijn denkbeelden was in dezen een kind van zijn tijd. Als vriend (en bewonderaar) van Joan Melchior Kemper, de bekende Leidse hoog leraar in het staatsrecht, kon hij zich onmogelijk met Da Costa's absolutistische ideeën (geen constitutione le monarchie!) verenigen, waardoor er menigmaal een botsing ontstond, die, vooral door Da Costa's felheid van toon, de vriendschap danig op de proef stelde, zoals in de herfst van 1822, tijdens een discussie over Da Costa's "Vijf Bijschriften" (politieke gedichten over de eerste vijf Oranje vorsten) en een half jaar later, n.a.v. een gedachtenwisseling over soevereiniteit en het recht der Volkeren op opstand tegen hun wetti ge vorst. Bij deze botsingen kwam duidelijk aan het licht dat De Clercq aan persoonlijke verhoudingen de voorrang gaf boven ideeën - Dubois spreekt in dit ver band van "de vrouwelijke kant van De Clercqs karak ter"-, terwijl Da Costa in veel mindere mate bereid was, terwille van persoonlijke betrekkingen, hoe dier baar deze hem ook mochten zijn, ook maar iets van zijn diep gewortelde overtuigingen af te doen. Niettemin bleek de vriendschap, als in het geloof in Christus gegrond, sterk genoeg om de meningsver schillen, hoe groot ook, te kunnen overleven. Het is dan ook bepaald ontroerend, te zien, hoe juist de christelijke gezindheid (Phil. 2!), die hen beiden bezielde, er steeds weer garant voor bleek te staan, dat Da Costa en De Clercq elkaar "de waarheid" (= Christus!) konden zeggen. Bijzonder illustratief is in dit verband een schrijven van De Clercq, in diens Haagse jaren, waarin hij zijn vriend waarschuwt tegen diens neiging, het isolement te zoeken en zijn per soonlijke vijanden als vijanden van het Rijk van God te beschouwen: "... ik zie in mijn verbeelding ... die scheiding, die de Hartekenner eerst bij het einde der eeuwen zal doen, reeds hier door u daargesteld", - een waarschuwing, waarop Da Costa ootmoedig reageert door zijn vriend te danken (!) voor diens "recht innige en christelijke raadgevingen, die ik niet zonder vrucht voor mijn hart hoop te heb ontvangen". Ja, zelfs ver zoekt hij De Clercq, hem ook in het vervolg zijn kri tiek niet te onthouden: "dat zijn wij malkander immers verschuldigd als vrienden, en wat meer zegt, als chris tenen ..."
Nu is het echter tekenend voor het karakter van De Clercq, dat hij zijn vriend graag in diens huis, te Amsterdam een bezoek bracht, maar dat hij, "uiterst gevoelig voor het oordeel van anderen", aldus Dubois, steeds aarzelend stond tegenover een bezoek van Da Costa aan Den Haag, hetgeen hij zichzelf overigens kwalijk nam. Maakte hij dan, strikt eerlijk als hij was, zijn vriend deelgenoot van zijn gevoelens, dan gebeur de het wel, dat deze onmiddellijk naar Den Haag reis de om zijn broeder in Christus op te zoeken, waarna beiden met grote dankbaarheid op hun ontmoeting terugzagen.

Een huisdienst bij Da Costa

Typerend voor het gezinsleven van de Da Costa's waren de huisdiensten, die in de familiekring gehou den werden. Toen De Clercq eens zo'n dienst bij woonde, maakte dit een diepe indruk op hem. "In jaren", zo schrijft hij in zijn "Mémoires", "was ik niet zoodanig ontroerd geweest. Ik zag weder mijn eigene nietigheid en Gods genade in Christus voor mij, zooals dit in vroegere merkwaardige gebeurtenissen van mijn leven geschied was... ik moest diep getroffen erkennen: Dit is door den Heere geschied". Dr. Dubois tekent hierbij aan: "Het rijke en diepe gevoelsleven van de Romantiek en de innige gevoelsvroomheid van het Reveil gaan hier hand in hand. In deze jaren twintig bevinden wij ons nog middenin het romantische Reveil, waarvan de bevindelijke De Clercq en de bevlogen profetische Da Costa de representanten waren. Dit romantische Reveil had een wereldmijdend karakter. Sterk was het besef wel in de wereld, maar niet van de wereld te zijn ..."

Op deze typering van een en ander hopen wij in het vervolg terug te komen