Terug naar Ecclesianet.nl

Het christelijk geloof en het oude testament (VIII)

Dr. W. AALDERS

HET CHRISTELIJK GELOOF EN HET OUDE TESTAMENT (VIII)

De profeet Jesaja
De profeet Jesaja wordt het veelvuldigst aangehaald in het Nieuwe Testament. Klaarblijkelijk is zijn profeti sche stem in de overgangsperiode tussen het Oude en het Nieuwe Testament van grote betekenis geweest. Als Johannes de Doper predikt in de woestijn van Judea herkent het volk in hem degene "van wie door de profeet Jesaja gesproken werd toen hij zei: de stem van een, die roept in de woestijn: Bereidt de weg des Heren, maakt recht zijn paden" (Mattheü
s 3:3). En als Jezus Christus voor het eerst optreedt in de synagoge van Nazareth leest HIJ voor uit het boek Jesaja: "De Geest des Heren is op MIJ...om aan armen het evan gelie te brengen.,.'' om dan te verklaren: "Heden is deze schriftplaats in uw oren vervuld" (Lucas 4:18, 21). Maar ook buiten de discipelkring van Jezus en Johannes de Doper was de profeet Jesaja zeer geliefd en in hoog aanzien. De vondst van de bibliotheek van de Joodse sekte van Koemran die zich ophield in de grotten bij de Dode Zee bewijst hoe grote waarde men hechtte aan het boek van Jesaja.
Vanwaar deze voorliefde' voor de Profeet Jesaja? Zij is te verklaren uit een gemeenschappelijke gericht heid op de eindtijd, op de voleinding. Heel duidelijk is die gerichtheid bij Johannes; de Doper, wiens predi king aan de oevers van de Jordaan de thema's her neemt van de Profeet Jesaja: Het Koninkrijk van JAH-WEH zal zich weldra openbaren in heiligheid en heer lijkheid! Op die grote en doorluchtige dag van JAH-WEH bereidde Johannes het volk voor door de doop in de Jordaan, een ritueel dat berouw en bekering bestendigde in een levenshouding.
En wat de Here Jezus betreft, zijn wil om zelf de doop van Johannes te ontvangen toont aan hoe HIJ zijn zending en prediking op het nauwst met die van de Doper verbindt. HIJ begint zijn openbaar optreden slechts na de gevangenneming van Johannes door Herodes Antipas, de viervorst van Galilea. HIJ heeft Johannes gezien als zijn voorloper zoals omgekeerd de Doper de Heer Jezus gezien heeft als "Die na mij komt, is machtiger dan ik; ik ben niet waardig Hem zijn schoenen na te dragen..." (Mattheü
s 3 : 11). Zo luidden beiden de nabije eind-tijd in en kondigden zij de vervulling van de beloften van de Profeet Jesaja aan: "Het Koninkrijk Gods is nabij gekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie" (Marcus 1 : 15).
Eenzelfde gerichtheid op de Voleinding en op de doorluchte dag des Heren treffen wij ook aan bij de sekte van Koemran. Hun spreken over "de heraut van goede tijding" is een verwijzing naar Jesaja 40 en 61. Klaarblijkelijk gold dus Jesaja in de overgangsperiode tussen het Oude en Nieuwe Testament als bij uitstek de Profeet van de Voleinding, van de laatste tijden, van de grote en doorluchte dag des Heren. In het boek Jesaja hebben wij zo een oudtestamentisch, dat wil zeggen voluit Israëlitisch geschrift voor ons, waarin op schier onmerkbare wijze het Israëlitisch geloof nieuwtestamentisch karakter aanneemt. De Besorah, de goede tijding, waarvan Jesaja spreekt (61 vers 1) is identiek met het Evangelie, de blijde boodschap van de Heer Jezus in Galilea (Marcus 1 vers 14). Op grond daarvan moeten wij zeggen dat het Boek van de Profeet Jesaja het bewijs is van de eenheid van Oud en Nieuw Testament. De geschiedenis van Israël sinds Abraham, waarvan wij in al de geschriften van de Tenach de historie voor ons hebben, vormt met het Evangelie, met het Nieuwe Testament, een onverbre kelijke eenheid. Zonder die voortzetting mist het Oude Testament zijn historische ontwikkeling.
Zonder die wordt het tot het tragische document van een gestagneerd groeiproces. Die er in goede trouw aan vast houden als het één en al lijken op die Japanse soldaten, die lang na 1945 nog onkundig waren van de capitulatie en die de bezetting van een eilandje in de Pacific ongestoord voortzetten.
In de Profeet Jesaja zien wij dus voor ons hoe het grote wonder zich heeft voltrokken van de onstuitbare voortzetting van Gods raad in de overigens zo duiste re en chaotische wirwar van de wereldgeschiedenis. Er zijn de Egyptenaren, de Filistijnen, de Assyriërs, de Babyloniërs, de Perzen, de Grieken en de Romeinen; en dat kleine volkje Israël ondergaat de gevolgen van het "woelen der volken", van "koningen die zich in slagorde scharen", van "het samenspannen der macht hebbers" (Psalm 2). Maar in al die boze wirwar vol voert JAHWEH als HAMMELEK, als DE KONING, zijn raad. Dat is wat Jesaja gezien heeft in het roe pingsvisioen dat hij beschrijft in hoofdstuk 6. Als uitvloeisel en gevolg van dat Koningschap is de spoedige doorbraak van Gods koningsheerschappij in deze wereld zeker.

"Dies ist von IHM dem Umscharten ausgegangen,
wundersam ist ER im Rat,
grosz in Vë
rwirklichung"
(Jesaja 28 : 29 vert. Buber/Rosenzweig).

Dat Koningschap is het ene, het blijvende en eeuwige fundament van Oud en Nieuw Testament.

(Slot volgt)