Terug naar Ecclesianet.nl

Ds. J. Van Bolhuis (1854 - 1907) Slot

Drs. M. DEN ADMIRANT, 's-Gravenhage Ds. J. VAN BOLHUIS (1854 - 1907) Slot

Rebekka en Jakob

Anno 1905 verscheen een geschrift onder de titel: Rebekka en Jakob, belangrijke feiten uit hun leven naar de verklaring van Calvijn, Zwingli en Luther*). In dit bijna 60 pagina's tellende boekje geeft ds. Van Bolhuis weer wat de genoemde reformatoren in hun uitleg van Genesis hebben gezegd over de manier waarop Jakob van Ezau het eerstgeboorterecht kocht (Gen. 25 : 27-34), en over de wijze waarop Jakob, geholpen door zijn moeder Rebekka, de zegen van Izaak wist te verkrijgen (Gen. 27 : 1-40).
Van Bolhuis wijst er in zijn "voorwoord" op, dat in christelijke kringen vaak in afkeurende zin over deze daden gesproken wordt, ondanks het feit dat in de Heilige Schrift bijna geen van de patriarchen zó
op de voorgrond wordt gesteld als juist de aartsvader Jakob. Wat ons vooral moet verwonderen, is dat over Jakobs handelwijze zo lichtvaardig wordt geoordeeld, zonder dat nota is genomen van hetgeen de reformatoren er over hebben geschreven.
De uiteenzettingen van Calvijn, Zwingli en Luther aangaande Genesis 25 : 27-34 kunnen volgens Van Bolhuis als volgt worden samengevat.
1. Gods vrijmachtig welbehagen is de grond en oor zaak van genadige zegen en rechtvaardige Verwerping.
2. Gods verkiezing is niet ledig in de uitverkorenen; daarom is Jakob "oprecht" gemaakt, terwijl Ezau "onheilig" was.
3. Rebekka's liefde voor Jakob vloeit vooral voort uit de vrije zegening Gods: "de meerdere zal de mindere dienen".
4. Ezau veracht het voornaamste van de eerstgeboorte, namelijk de zegen van Christus en het eeuwige leven, en verkiest alleen het aardse.
5. Jakob heeft hier niet onbillijk of hard gehandeld. Hij ontsteelt niets, maar koopt wat hem is toegezegd. Jakob valt te prijzen, omdat hij zijn begeerte naar voedsel beteugelt en zich alleen richt op het geestelijk goed en het eeuwige leven, in de eerstgeboorte beloofd.
Het kopen van de eerstgeboorte is, zo vervolgt Van Bolhuis, geen daad van woeker, waarbij Jakob misbruik maakt van Ezau's verlegenheid. Veeleer moet de handelwijze van Jakob zó
worden verklaard, dat hij hetgeen hem door God was toegezegd, dus zijn goed recht van Godswege, ook nog heeft betaald om het in vrede te mogen bezitten.
Als men de koop met een voorbeeld wil verduidelijken, zou het volgende voorbeeld, dat in de geest van de hervormers is, daartoe kunnen dienen. Een vader heeft twee zonen en geeft beiden een geschenk. De oudste ontvangt een bijbel, de jongste een mooi stuk speelgoed. Maar de oudste veracht zijn geschenk, denkt: wat heb ik aan een bijbel, en behandelt dit boek met opvallende minachting. De jongste echter, die als kind ook veel van zijn speelgoed houdt, houdt van jongsaf van Gods Woord en zoekt het eeuwige leven. Er komt een tijd, dat de oudste begerig kijkt naar het speelgoed van de jongste en hem erom vraagt. De jongste zegt: "Geef mij je verachte bijbel, dan mag hij het speelgoed houden".
Ds. Van Bolhuis erkent dat zo iets in het leven weinig zal voorkomen, maar hij wijst erop dat ook de koop van Jakob in de Bijbel wordt vermeld als een zeer zeldzame zaak. Het is dan ook een vrucht van Gods verkiezing en van de Heilige -Geest als een jongeling "oprecht" wordt, als hij God begint te zoeken en varen laat wat anderen gretig najagen.
De uitleg van de hervormers van Genesis 27 is als volgt samen te vatten.
1. Het geloof van Izaak is danig in de war, omdat hij afwijkt van de godsspraak: de meerdere zal de mindere dienen. Maar dit beginsel des geloofs blijft in hem, dat hij onder de leiding van de Heilige Geest door zijn zegen aan zijn zoon de beloofde erfenis wil bevestigen. Blind naar het lichaam, is hij ook tijdelijk geestelijk verblind.
2. Wat Rebekka en Jakob hebben gedaan, hebben ze gedaan door het geloof, zich houdende aan de godsspraak.
3. Hun geloofsdaad is echter bevlekt geweest met zonde, met list, zoals de Heidelbergse Catechismus zegt in antwoord 62: "Onze beste werken zijn in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt". Calvijn verontschuldigt deze zonde evenwel als een afwijking om Gods Woord te gehoorzamen, en stemt dus feitelijk met Luther in, die zegt, dat wanneer de tweede tafel der Wet in strijd komt met de eerste, de tweede voor de eerste moet wijken. Luther en Zwingli zeggen ronduit: Er is niet gezondigd!
4. Izaak onderwerpt zich aan Gods leiding en keurt de daad van Rebekka en Jakob goed. Hij ziet heel wel in, dat hij niet bedrogen is om hem te doen dwalen, maar dat hij door deze zaak van de dwaalweg op 's Heren weg is teruggebracht.
5. Het is alleen Ezau, die in haat en vijandschap aan de naam Jakob iets bedriegelijks toedicht.

Op de weergave en samenvatting van de uitleg der reformatoren laat Van Bolhuis in zijn geschrift nog een schets van het leven van Jakob volgen. Dit stuk, getiteld: De aartsvader Jakob en de behandeling zij ner geschiedenis bij het onderwijs der jeugd, ver scheen eerder in het Amsterdamsch Zondagsblad, jaargang 1893, nrs. 37 en 39. Samengevat komt de inhoud op het volgende neer.
1. De aartsvader Jakob mag niet van oneerlijkheid en hebzucht worden beticht.
2. De Heilige Schrift behandelt Jakob met dezelfde eerbied als Abraham en Izaak; in zekere zin treedt zijn naam zelfs het meest eervol op de voorgrond. Daarom is het zonder twijfel ook onze plicht, bij iedere gele genheid achting en eerbied voor deze patriarch te wekken en te versterken.
3. Hierbij behoeven we echter volstrekt niet te verhe len dat ook de aartsvaders, evenals de profeten en de twaalf apostelen, mensen waren, zodat wij ons over het menselijke in hen niet hebben te verwonderen.
4. Daarom moeten wij hun 'loven ook meten met de maatstaf der Wet. Omdat echter het Verbond Gods met hen het genadeverbond was en zij de belofte van de Messias in geloof hooggehouden hebben, viel hun wel vaderlijke kastijding, maar ook genadige vergeving en bedekking van hun zonde ten deel. En waar God bedekt heeft, daar staat het niet aan ons om te ontdek ken; waar God rechtvaardig verklaard heeft, daar staat het toch niet aan ons om daarna te veroordelen.
5. Als we het leven van de aartsvaders, ook dat van Jakob, zó
behandelen, krijgt God Zijn eer, en blijft de nagedachtenis van Zijn vrienden bij ons in zegening. Dan blijft het woord van Psalm 146 : 5 staan: "Welgelukzalig is hij, die de God van Jakob tot zijn hulp heeft, wiens verwachting op de HERE, zijn God, is".

*) In 1959 werd dit boekje door de Vereeniging tot Uitgave van Gereformeerde Geschriften heruitgegeven in een geheel nieuwe bewerking van de hand van ds. D. van Heyst. Deze heruitgave is nog steeds leverbaar.