Terug naar Ecclesianet.nl

Vriendschap in Christus (I)

Ds. J.G. BARNHOORN, Nunspeet

VRIENDSCHAP IN CHRISTUS (I)

In het afgelopen jaar verscheen bij Uitg. J.J. Groen en Zoon te Heerenveen onder bovengenoemde titel het proefschrift van de heer O.W. Dubois (Hillegom), die hiermee zijn studie geschiedenis aan de Vrije Universiteit te Amsterdam op een o.i, zeer verdienstelijke wijze heeft bekroond. Een proefschrift, gewijd aan de verhouding tussen de bekende Joodse dichter Isaac da Costa (1798-1860) en de literair begaafde zakenman Willem de Clercq (1795-1844), twee van de meest bekende vertegenwoordigers van het zgn. Reveil: de negentiende eeuwse opwekkingsbeweging, bekend door haar streven naar vernieuwing van het persoonlijk geloofsleven en naar hervorming van kerk, staat en maatschappij. Een beweging die, inter nationaal van karakter, na de Franse tijd is ontstaan als reactie op het dodige tij dat destijds de kerkelijke krin gen beheerste.
Aan het Reveil zijn in de loop der jaren al heel wat publicaties gewijd, waarvan, naast het enkele jaren geleden herdrukte boek "Oudere Tijdgenoten" (1888) van Allard Pierson, in de eerste plaats de werken van Dr. M.E. Kluit (een achterkleindochter van Willem de Clercq) vermelding verdienen, terwijl om ons hiertoe te beperken, ook de pennevruchten van Dr. RL. Schram in dit verband genoemd moeten worden.

Het hier door ons te bespreken boek dient zich aan als een analyse van een heel bijzondere vriendschap, door de auteur als een "vriendschap in Christus" èn als een typisch negentiende-eeuwse "romantische vriendschap'" gekenschetst: een vriendschap die zonder het geloof in Christus ten enen male ondenkbaar is, terwijl zij tevens de kenmerken van het tijdperk der "Romantiek" draagt.
Wellicht vraagt deze of gene lezer van ons blad zich af, waarom wij aan een boek als dit een, zoals uit het vervolg zal blijken, veel meer dan gewone aandacht besteden. Het antwoord op deze vraag is tweeledig van aard. In de eerste plaats achten wij het van groot belang, juist in een tijd als de onze, getekend door een steeds toenemende individualisering en verzakelij king, een verschijnsel als dat van de "christelijke vriendschap" expliciet aan de orde te stellen, waarbij wij ons afvragen, of dit fenomeen onder ons niet uiter mate zeldzaam is geworden, ja, of wij hiervan momenteel nog wel kunnen spreken. In elk geval moet het ons wel iets te zeggen hebben, dat Dr. Dubois voor de bestudering van het door hem aan de orde gestelde thema een, zoals hijzelf bepaald niet ten onrechte opmerkt, "indrukwekkende en fascinerende hoeveel heid materiaal" heeft doorgewerkt, en wel niet minder dan een 3500 brieven, tussen de beide vrienden gewis seld, en daarnaast De Clercqs "Memoires": een totaal van ruim 36000 dichtbeschreven pagina's, waarop deze vanaf 1810 tot aan zijn dood (1844) zijn beleve nissen van de dag heeft toevertrouwd. Ongetwijfeld een belangrijke reden om deze dissertatie aan de orde te stellen.
Daar komt echter nog iets bij, dat zeker voor de lezers van "Ecclesia" van grote betekenis is. De vriendschap tussen Da Costa en De Clercq - een vriendschap zoals men o.i. slechts hoogst zelden tegenkomt - is in de loop der jaren op beslissende wijze beï
nvloed door de man, wiens naam onverbrekelijk aan ons blad verbonden is: Dr. H.F. Kohlbrugge, wiens "optreden als mens en predikant" reeds in de inleiding van het door ons te bespreken boek als van grote invloed op de persoon van De Clercq en - daardoor - op diens vriendschap met Da Costa wordt aangemerkt. Van welke aard deze invloed is geweest, hopen wij in het vervolg te laten zien.

De hoofdpersonen

Aan de beschrijving van aard en ontwikkeling der verhouding tussen Da Costa en De Clercq gaat een uitvoerige schets van beider levensloop vooraf, die wij, alvorens tot de behandeling van de vriendschap zelf over te gaan, in hoofdlijnen willen weergeven. Isaac da Costa werd de 14de januari 1798, als telg uit een aanzienlijk koopmansges lacht van Portugees-Joodse oorsprong, te Amsterdam geboren. Op achtjarige leeftijd toegelaten tot de Latijnse School in zijn woonplaats, verliet hij deze vijfjaar later met een oratie (!) over "De twaalf werken van Hercules". Het volgende jaar maakte hij naam door zijn "Lof der Dichtkunst", zijn eerste vers in het Nederlands, nadat hij voordien uitsluitend Latijnse (!) verzen geschreven had. Van 1811 tot 1815 bezocht hij het Athenaeum Illustre, eveneens in Amsterdam, om zich vervolgens als student te Leiden te laten inschrijven, waar hij in 1818 in de rechten en drie jaar later in de letteren promoveerde. Van beslissende betekenis voor zijn verdere ontwikkeling is vooral de kennismaking - in 1818 - met Willem Bilderdijk geweest, wiens privatissi-mum in de vaderlandse geschiedenis - Bilderdijk was in 1817 van Amsterdam naar Leiden verhuisd - in hem (naast verscheidene andere studenten, zoals zijn neef Capadose en de gebroeders Van Hogendorp) een enthousiast toehoorder vond. In 1822 werd Da Costa, die intussen tot het Christendom was overgegaan, samen met zijn vrouw, Hanna Belmonte, en met Abraham Capadose, in de Leidse Pieterskerk gedoopt. Een jaar later was zijn naam op aller lippen door de publicatie van zijn "Bezwaren tegen de geest der eeuw", dat, uiterst fel van toon en eenzijdig van inhoud, een lawine van negatieve reacties opriep, waarbij vooral zijn gevoelen, dat de koning niet onvoorwaardelijk aan zijn eed op de grondwet gebon den zou zijn - een gedachte, waarin men de invloed van Bilderdijk onderkent -het in brede kringen ont gelden moest. En hoewel Da Costa jaren later als een allerwegen gerespecteerd burger van Amsterdam uit dit leven zou scheiden, is hij als adept van zijn Leidse leermeester decennialang bij vele van zijn tijdgenoten verdacht gebleven.
Willem de Clercq zag op 15 januari 1795 als zoon van een Amsterdamse graanhandel aar het levenslicht. Al op heel jeugdige leeftijd leerde hij lezen en schrij ven. Als kind van vijf jaar schreef hij verhalen, terwijl hij ook een grote liefde voor het toneel aan de dag legde. Aanvankelijk door zijn ouders voor het predik ambt bestemd, werd hij na het plotseling overlijden van een neef in het familiebedrijf opgenomen, een werkkring die hem overigens veel tijd voor zelfstudie liet, waardoor hij de grondslag voor een "fenomenale kennis op bijna elk terrein" wist te leggen. Na de dood van zijn vader hoofd van de firma geworden, maakte het bedrijf, tengevolge van een internationale graan-crisis, verscheidene moeilijke jaren door, zodat zijn benoeming - in 1824 - tot secretaris van de kort tevo ren door koning Willem I opgerichte Nederlandsche Handel-Maatschappij zonder meer een uitkomst voor hem was. Een en ander bracht een verhuizing naar Den Haag met zich mee, waar De Clercq, in 1827 tij delijk met het directeurschap van de Derde Afdeling der Maatschappij belast en drie jaar later tot het team van directeuren toegetreden, tot 1831 met zijn gezin gewoond heeft, om vervolgens terug te keren naar Amsterdam, waarheen in verband met de Belgische Opstand, de zetel van de N.H.M, kort tevoren was overgeplaatst.
De Clercq, wiens carriè
re niet denkbaar geweest zou zijn zonder publicaties over zakelijke onderwer pen als zijn "Memorie over den graanhandel" (1822) - een publicatie waardoor de aandacht van de koning op hem werd gevestigd - heeft met name grote ver diensten voor de Twentse textielindustrie gehad, waar van hij zelfs zonder meer de grote stimulator genoemd kan worden. En wat meer is, de grote drijfveer hierbij was niet van zakelijke, maar van maatschappelijke aard: een sterk ontwikkeld sociaal besef, waardoor hij zich uitermate verdienstelijk heeft gemaakt.
Van zijn literaire scholing getuigt ondermeer zijn met goud bekroond opstel naar aanleiding van een prijsvraag, door het Koninklijk Nederlandsch Instituut uitgeschreven: "Welken invloed heeft de vreemde let terkunde inzonderheid de Italiaansche, Spaansche, Fransche en Hoogduitsche, gehad op de Nederlandsche taal- en letterkunde sints het begin der vijftiende eeuw tot op onze dagen?" - een publicatie die lange tijd de enige (!) vergelijkende literatuurge schiedenis is gebleven.

(Wordt vervolgd)