Terug naar Ecclesianet.nl

Nederland bevrijd (Bevrijdingspreek)

"De HERE heeft grote dingen bij ons gedaan, wij wa­ren verheugd"
Psalm 126 : 3

Gemeente van Christus, de vijfde mei is geen gewone dag. Op 5 mei 1945 werd Nederland bevrijd. Bevrijd na vijf donkere oorlogsjaren. Ouderen onder ons heb­ben van dichtbij ondervonden, wat die inhielden. Er was in ons land veel oorlogsleed, zoals terreur en de­portaties, angst en onzekerheid. In het westen van het land was er ook nog een winter vol honger en duister­nis.

Dit alles is a1 weer een tijd geleden. Bijna een halve eeuw. 1emand zou kunnen vragen: "Moeten we er dan wel over aan de gang blijven?" Een meisje of een jongen zouden kunnen zeggen: "Die oorlog, is dat niet iets dat alleen oudere mensen aangaat? Wat heb­ben wij als jongeren ermee te maken?" Jongere gene­raties hebben in ons land alleen maar vrijheid meege­maakt, vrijheid van bloedige dictatuur.

Die vrijheid spreekt overigens helemaal niet vanzelf. Het kan ook heel anders toegaan. Ook na de tweede wereldoorlog zijn er in veellanden oorlog en onder­drukking geweest. Het waren niet alleen Hitler en zijn trawanten die gruwelijke dingen hebben gedaan. Op andere plaatsen en in andere omstandigheden zijn mensen er ook toe gekomen. Nog altijd zijn er landen waarin veel mensen worden geterroriseerd.

Daarom hebben we reden, dankbaar te zijn voor die vrijheid die ons in Nederland geschonken werd. Er is reden, God te danken voor de bevrijding van 49 jaar geleden en met de woorden van de tekst van vandaag te zeggen: "De HERE heeft grote dingen bij ons ge­daan, wij waren verheugd."

De eerste keer dat deze woorden zijn uitgesproken, is óók na een bevrijding: na Israëls bevrijding uit de Ba­bylonische ballingschap, in de zesde eeuw voor Chris­tus. Eerder hadden de Babyloniers - de wereldmacht van die dagen - het kleine Israël onder de voet gelo­pen. Veel mensen uit Jeruzalem hadden ze gedepor­teerd naar Babel. Een kleine vijftig jaar later evenwel werden de Babyloniers zelf verslagen door de Perzen. Die gaven aan de Israëlieten in Babel toestemming, te­rug te keren naar huis, naar Jeruzalem.

In Psalm 126 gaat het over deze bevrijding. Pelgrims die van heinde en verre in Jeruzalem aankomen, om er een van de grote feesten mee te maken, den ken te rug aan de ballingen die al eerder in Jeruzalem arri­veerden, bevrijd na jaren van verbanning in Babel. Nu zingen de pelgrims over die bevrijding. Ze kijken erop terug en zeggen: "Het was alsof we droomden. Dat grote wonder, we konden het gewoonweg niet vatten. We lachten en juichten zo hard we maar kon­den." Zo horen we:

Toen de HERE de gevangenen van Sion deed we­derkeren, waren wij als degenen die dromen. Toen werd onze mond vervuld met lachen, onze tong met gejuich.

Die roes van vreugde en geluk, was die er ook niet in Nederland, direct na de bevrijding? Mensen hebben later verteld, hoe uitzinnig ze waren van blijdschap: eindelijk vrij!

Zo'n roes kan niet blijven duren. In de verdere jaren veertig hernam het leven zijn gewone gang. Er moest gewerkt worden aan de wederopbouw. Wat is er dan overgebleven van het grote bevrijdingsfeest van wel­eer? In Psalm 126 is het de dankbaarheid die over­blijft. De dankbaarheid jegens God. Dankbaarheid voor wat Hij gedaan heeft. Wat God gedaan heeft, daarvan zingen de Israëlieten in deze psalm. De be­vrijding uit de tirannie van Babel zien ze als een geschenk van God. Ze schrijven die niet louter en alleen toe aan het feit dat de Perzen aan de macht gekomen zijn en humaner met hen omgaan. Door dit alles heen zien ze in Israël Gods hand in het spel.

Ze zijn niet de enigen die er zo over denken. Onder de volkeren rond Israël deden mens en ook hun zegje over Israëls bevrijding uit Babel. Ze brachten die be­vrijding met de God van Israël in verband. De 126ste psalm zegt ervan:

Toen zei men onder de heidenen:
de HERE heeft grote dingen bij hen gedaan!

In onze tekst neemt Israël deze woorden over, in een dank bare terugblik en zingt:

De HERE heeft grote dingen bij ons gedaan, wij waren verheugd.

Dat zijn ook woorden voor de vijfde mei. Bij alle er­kentelijkheid voor hetgeen de geallieerde legers deden voor onze vrijheid, mogen we vooral dankbaar zijn jegens God. Door alle oorlogshandelingen heen was God zelf ook bevrijdend aan het werk. Nu mogen ook wij wel zeggen: "De HERE heeft grote dingen bij ons gedaan."

Hij van Wie Psalm 126 dit zingt, is de God van Israël. We moeten daar niet zo maar even de "God van Ne­derland" van maken en onszelf de plaats van Israël la ten innemen. Dat is in het verleden vaak gebeurd. Men schreef het joodse volk af en zei dat het niet meer het volk van God zou zijn, en men verheerlijkte Ne­derland als het "Israël van het westen."

Juist door de verschrikkingen die het joodse volk on­derging in de jaren veertig, hebben we in de kerken Israël opnieuw ontdekt, herontdekt als volk van God. Eindelijk is er weer het besef gekomen, dat we Israël niet van zijn plaats moeten dringen, maar het zijn eigen positie moeten gunnen in het geheel van Gods om gang met mensen.

Het is dan ook zinvol, op en rond de bevrijdingsdag God juist te prijzen als de God van Israël, Hem te 10­yen als een God die hart heeft voor dit ene volk en het vasthoudt door diepten heen. Door diepten heen heeft God tekenen van zijn trouw aan Israël opgericht. Hij liet de Israëlieten uit Babel terugkeren naar hun eigen land. En na de onvoorstelbare diepten van Auschwitz en andere vernietigingskampen kwam er in 1948 een eigen staat voor het Joodse volk.

Abraham Heschel, een van de vooraanstaande Joodse denkers van deze eeuw, heeft de vraag gesteld of deze staat misschien Gods antwoord op Auschwitz was. Hoe we daar ook over denken, we mogen in het ont­staan van deze staat een teken van Gods trouw aan Israël zien. God heeft de band aangehouden met Israël, zijn volk.

Deze God nu houdt zijn handen ook uitgestrekt naar de wereld buiten Israël. Ook naar Nederland. Al eeu­wen heeft in ons land het evangelie geklonken. Het spreekt van de God van Israël, die een God van bevrij­ding is. God heeft dat het diepst getoond daarin dat Hij Jezus naar het kruis liet gaan. Jezus stierf om ons Gods verlossing van zonden te brengen.

En er is nog meer gebeurd. In deze weken na Pasen horen we keer op keer: Jezus, de Gekruisigde, is door God opgewekt uit de dood. Dit betekent: het kwaad dat zich samenbalde tegen Jezus, is niet almachtig in deze wereld. God laat ons er niet aan over. Hij, Israëls God, de Vader van Jezus Christus, de opgestane Heer, Hij is een God die bevrijdend optreedt.

Hij nu was aan het werk in de bevrijding van 1945. Hij kwam het Nederlandse volk te hulp. Ook na 49 jaar mogen we er blij om zijn en ervan zeggen: "De HERE heeft grote dingen bij ons gedaan, wij waren verheugd. "

Zo ging het toe in het verleden. Maar hoe is het in het heden met ons gesteld? In de oorlogstijd en kort daarna leefden er hoge verwachtingen. Mensen die onder de druk van de omstandigheden op elkaar aan­gewezen waren, wilden voortaan saamhorig zijn. En doordat in oorlogstijd vele kerken volliepen, leefde er de hoop dat de Nederlandse samenleving het stempel van het evangelie zou gaan dragen.

Wat is er van dit alles geworden in het bevrijde Neder­land? Spoedig werd het op grote schaal al weer: "ieder voor zich". Na de moeizame jaren van weder­opbouw kwam er welvaart voor een brede kring van mensen, maar ook het materialisme van "nooit ge­noeg". ,

Al heel snel na de oorlog herleefde in ons land ook het antisemitisme. Het laat zich nog altijd horen. Waar in de voetbalstadions anti-joodse leuzen opklinken.

Waar men spreekt van een "jodenstreek" of in het za­kenleven soms iemand typeert als "een echte jood". Antisemitisch taalgebruik!

En bijna een halve eeuw na de oorlog met zijn volle kerken be schouwen velen in ons land kerk en evange­lie als een achterhaalde zaak, als iets uit de sfeer van het museum.

Op 5 mei 1945 werden we bevrijd. Maar hoe vrij zijn we? Hoe vrij van machten die veel bederven? Mach­ten die de verhoudingen tussen mensen stuk maken, het leven vervlakt en verveeld maken en de aandacht voor God verdringen, ze doen zich voortdurend gel­den in onze maatschappij. Het leven in het heden kent veel kwaad en leed.

Dat is ook het geval in het Israël dat in Psalm 126 aan het woord is. Na de bevrijding uit de Babylonische ballingschap maken de Israëlieten veel teleurstellingen mee. Het leven ziet er nog niet zo stralend uit als ze gehoopt hadden. Voorlopig heerst er nog diepe armoe en gaat het onderling nog hard tegen hard. Het be­staan na de bevrijding is in dat Israël povertjes en grauw.

In deze nood klinkt een gebed. Het gebed dat God een keer zal brengen in het lot van zijn volk. We horen:

HERE, wend ons lot,
als beken in het Zuiderland.

Met deze woorden bidt Israël om een grote verande­ring. Een die doet den ken aan de waterbeken in het zuidelijk deel van Israël. De beken daar, dicht bij de woestijn, drogen in de zomer uit, maar door de win­terregens kunnen ze opeens overvol worden. Wat een verschil!

Met een beeldspraak die hieraan ontleend is, bidt Psalm 126: laat God het leven van de Israëlieten ook volop veranderen! Hij deed dat al eerder: Hij bevrijdde Israël uit Babel. Laat Hij dan doorgaan met zijn bevrijdend werk! Hij blijft toch de God van de bevrijding?

God, die bevrijding geeft, en ook in 1945 bevrijding schonk uit de greep van de ondergangsmachten, Hij blijft dezelfde in zijn trouw. Aan Hem mogen we de noden van ons volksleven voorleggen. Noden die ook aanwezig zijn in ons eigen bestaan. De noden die voortkomen uit onze liefdeloosheid jegens God en de naaste. Over die noden mogen we met God in gesprek gaan. En van Hem, de Getrouwe, mogen we ook veel verwachten voor de toekomst.

Op grond van Gods trouw spreekt Psalm 126 ten slotte vol vertrouwen over de toekomst. Dat gebeurt met beelden die ontleend zijn aan het agrarisch leven. We zien gewoon gebeuren wat hier gezegd wordt! Daar gaat een boer die zijn akker bezaait. Met zijn bak vol zaaigoed stapt en stapt hij voort. Hij heeft er een reusachtig karwei aan. Maar straks is hij blij. Dan draagt hij opgetogen zijn korenschoven. Met dit beeld voor ogen bidt onze psalm:

Wie met tranen zaaien
zullen met gejuich maaien.
Hij gaat al wenende voort,
die de zaadbuidel draagt;
voorzeker zal hij komen met gejuich
dragende zijn schoven.

Op deze manier geeft Psalm 126 stem aan het vertrou­wen, dat het moeitevolle leven, met zijn tranen, zijn zorgen, niet het laatste is dat Israël zal meemaken. Het zal anders worden. De tranen zullen plaats maken voor gejubel. De jubel na de bevrijding uit de Babylo­nische ballingschap zal herhaald worden. Israël gaat een grote toekomst tegemoet.

Van de grote toekomst die Israël te wachten staat, spreekt de bijbel ook verderop, tot in het Nieuwe Testament. God is een God die toekomst schenkt. Hij gunt die ook aan ons, de gemeente die Hij naast Israël in zijn kring heeft gezet. God geeft toekomst. Hij, de bevrijdende God, die verlossing geeft van zonde en daar zijn eigen Zoon voor over had, Hij blijft bevrij­dend aan het werk, ook in de wereld van nu.

Dat is een wereld waarin nog altijd tranen zijn te zien en zuchten zijn te horen. Een wereld waarin de hard­heid van mensen ons kan bezeren. Een wereld waarin het dagelijks werk ons zwaar kan vallen, door tegen­slag of tegenwerking. Een wereld waarin de kerk - al­thans in Nederland - vaak tegen de stroom op moet roeien, tegen de stroom van "maak je maar niet druk om een God."

In een wereld waarin dit alles plaats vindt, hoeven we niet moedeloos te worden. We mogen moed putten uit de bevrijdende trouw van God. Hij heeft op onze we­reld zijn hand gelegd. Hij deed dat door Jezus Christus, de gekruisigde en opgestane en ten hemel ge­varen Heer. Door Hem brengt God in deze wereld de volheid van zijn Koninkrijk. Hij, de Bevrijder geeft dan redding uit alle nood. Hij geeft een toekomst waarin de jubel niet meer onderbroken wordt.

Zover is 't nog niet. Ook niet 49 jaar na de bevrijding van Nederland. Wanneer we deze bevrijding herdenken, kan dat niet meer zijn dan een herdenken tussen een lach en een traan. Maar we mogen uitzien naar een toekomst waarin de tranen voorbij zijn en het la­chen blijft.

Die toekomst is te danken aan God. Aan Hem die grote dingen doet. Hij deed dat op een unieke wijze in persoon en werk van Jezus Christus. Hij deed dat ook op de vijfde mei 1945. Grote dingen deed God. Grote dingen, om dankbaar van te zingen. Amen.

Dr. B. van ‘t Veld