Terug naar Ecclesianet.nl

"Toen verloor ik mijn geloof"

Hoe een Joodse jongen de Kristallnacht beleefde

De schrijver van dit artikel, Jack H. Honig, is een jood, geboren in Alsenz in de Pfalz. Als jongen van zestien jaar maakte hij de Kristallnacht1) van 9 op 10 november 1938 in Neustadt mee. Hij woonde toen in het huis van de Joodse bakker Richard Mayer. Jack H. Honig woont nu in New Jersey in de Verenigde Staten. Zijn artikel werd uit het Engels vertaald door de vrouw van zijn vriend Klaus Knerr die destijds pre­dikant in de Pfalz was.

Tot op dit moment waren er nog veel - te veel - Duitse laden die meenden dat de uitingen van antisemitisme, die ze nu om zich heen zagen, wel weer zouden voor­bijgaan, net zoals in het verleden. Ze waren ervan overtuigd Duitsers te zijn, weliswaar met een Joods geloof, maar zeker geen vreemdelingen die hier asiel waren komen zoeken; Velen lieten er zich op voor­staan, dat hun voorouders al honderden jaren in Duitsland woonden en dat hun offers voor Duitsland - toen ze voor hun vaderland hun bloed en zelfs hun leven gegeven hadden - zeker niet vergeten zouden worden.

Men leefde toch in de twintigste eeuw en Duitsland was - heel anders dan het achterlijke Rusland met zijn pogroms2) en ghetto's3) een hoog beschaafd land. Ze waren te diep in de Duitse samenleving geworteld om de alarmerende tekenen te verstaan die erop wezen, dat ze in werkelijkheid toch op vreemde grond woon­den en in een vijandig klimaat leefden en dat ze op ieder moment - in het verleden, heden en toekomst ­uit die gemeenschap gestoten konden worden. En zo klampten ze zich vast aan hun eigen waanidee in plaats van een logische conclusie te trekken en het enige juiste antwoord te geven, namelijk: emigreren.

Vernietigd als parasieten
Het was in de loop van de tijd heel gewoon geworden laden te gaan vervolgen als zich bijzondere rampen zoals epidemieën, overstromingen, hongersnood of oorlog voordeden. Zo bliezen de vele problemen van na de Eerste Wereldoorlog de oude haat nieuw leven in. Spanningen die door de jaren heen waren blijven bestaan, veroorzaakten nu scheuren en samen met het gebroken glas van de Kristallnacht waren het tekenen van een verwoesting die tenslotte uitliep in een totale ondergang in Auschwitz. Door de propagandametho­des van de Nazi’s werden de reeds aanwezige gevoelens van haat en jalousie aangewakkerd tot vijandigheid die op haar beurt opgezweept werd tot een dodelijke vijandschap die overal doordrong, aIle grenzen te bui­ten ging en de hele Duitse samenleving doortrok.

En toen barstte het gruwelijk geweld los, als het ware ontketend door een wanhoopsdaad van een jonge Jood: meer dan 250 synagogen werden, overal in Duitsland, verwoest; meer dan 25000 Joden werden gearresteerd en geïnterneerd. Dat was de 'vergelding' van de Nazi’s voor die wanhoopsdaad, de aanslag op een medewerker van de Duitse ambassade in Parijs. Die 'vergelding' betekende niet minder dan een open­lijke oorlogsverklaring, een oorlog tot de dood, en die oorlogsverklaring gold een bevolkingsgroep die niet in staat was zich te verdedigen, aan wie men niet eens de mogelijkheid geboden had zich in welke omstandighe­den dan ook te schikken en die geen plaats had om naar toe te gaan dan naar het slachthuis. En daar wer­den ze leeg geschud en van alles beroofd, in hun naaktheid en schamelheid van het laatste restje men­selijke waardigheid ontdaan om tenslotte als parasie­ten vernietigd te worden. Men vergreep zich zelfs schandelijk aan hun dode lichamen die ontdaan wer­den van alles wat nog 'bruikbaar' was, alsof het puur stoffelijke gebruiksvoorwerpen waren. Dat was nu de oogst van wat men gezaaid had!

Dit moordprogramma, door de staat bedacht, georga­niseerd en uitgevoerd, en toegepast op onschuldige mensen, vrouwen en kinderen, kent, wat' omvang en wreedheid betreft, z'n weerga niet in de geschiedenis van de mensheid. Zij die er door gekomen zijn, kun­nen alleen spreken van toeval of van geluk en hebben dit zeker niet te danken aan eigen slimheid of aan een of andere vorm van genade van de onderdrukker: we kregen niet eens ook maar de allerkleinste kans om te overleven.

In een tijd, waarin beschermende maatregelen werden opgesteld voor het omgaan met onze huisdieren om mishandeling en wreedheid van de kant van de mens te voorkomen, een tijd, waarin natuurbeschermers zich voor de belangen van de in het wild levende die­ren inzetten, werd dit onmenselijke programma, dat gericht was op de tot de vernietiging van een etnische minderheid ongehinderd en ongestoord uitgevoerd, precies zoals het bedacht en geënsceneerd was.

Ingetrapte deuren
Ik was juist zestien jaar geworden en werkte als hulpje in de keuken van het Joodse bejaardentehuis in Neustadt. Ik sliep in het huis van mijn tante Bertha, omdat de Neurenberger wetgeving het verbood, dat Joden en Ariërs van verschillend geslacht - voor zover ze nog geen zestig waren - onder een dak sliepen. Tegen twee uur in de nacht schrokken we wakker van een vreselijk lawaai: deuren bezweken onder bruut geweld. Even later stonden SS-mannen in zwarte unifor­men voor ons; ze bevalen ons ons aan te kleden en maakten ons duidelijk, dat we mee moesten en niets mochten meenemen. Mijn oom fluisterde me toe, dat hij vanuit het raam van zijn slaapkamer, over de hui­zen heen, gezien had, dat de synagoge in brand stond. Ook uit het bejaardentehuis op de heuvel sloegen de vlammen. Wij, mannen en jongens, kregen het bevel naar beneden te gaan naar de vrachtwagens die daar klaar stonden. We stapten voorzichtig over kapot geslagen meubels en gebroken serviesgoed en klom­men op de vrachtauto. Daarop zat al een aantal an­dere Joden. Toen red en we door onze straat, waar aan weerszijden onze niet-Joodse buren stonden, die dit spektakel blijkbaar nogal verheffend vonden. Toen langs de brandende synagoge; we zagen hoe politieagenten hun best deden om nieuwsgierigen op een vei­lige afstand te houden. Brandweerlieden stonden erbij om te voorkomen, dat het vuur op de naburige 'ari­sche' huizen zou overslaan.

We werden naar het hoofdkwartier van de Gestapo in Neustadt gebracht. Nooit heb ik zo'n groot aantal Joodse mannen bij elkaar gezien als hier, zelfs niet op Grote Verzoendag. Natuurlijk waren rabbi Siegel en cantor Wolff daar ook, evenals de mannen uit de fa­milie Kern, die uit een priesterlijk geslacht stamden en die altijd met de nodige egards4) behandeld werden, waarop ze krachtens hun afkomst ook meenden recht te hebben. Maar ook de heer Berg was er, die met een christelijke vrouw getrouwd was en wiens zoon rooms-katholiek was opgevoed. Daar zat ook de heer Brodsky die pas kort geleden uit Polen hier naar toe gekomen was, die alleen Jiddisch sprak en in zijn on­derhoud voorzag door met een grote koffer met garen en band langs de deuren te gaan; hij zat daar naast de heer Bruck, de eigenaar van een wijnkelder van inter­nationale reputatie. lederen zat zo maar door elkaar, ook de Joodse slager Max Mayer, die in de oorlog een been verloren had.

De hel van Hitler
Ze vertelden allemaal hetzelfde verhaal: hoe ze hun huis waren binnengedrongen en alles kort en klein geslagen hadden. Over de brandstichting in de syna­goge en het bejaardentehuis en dat die radeloze oude mensen in hun nachtkleding door de stad dwaalden. Enkele mannen waren in gebed verzonken, anderen probeerden de Gestapo gunstig te stemmen door neer­buigend vriendelijk tegen hen te doen. De meesten za­ten, met de angst op hun gezicht, zo maar stil voor zich uit te staren. Mijn oom zei zachtjes tegen mij: 'Let er maar op, we worden allemaal doodgeschoten, wees flink, hoor!'

Ik huilde, niet om mezelf of uit angst. Een beeld had ik maar steeds voor ogen: mijn grootouders, totaal ontredderd, weerloos, geen dak meer boven hun hoofd, alles verbrand. Wanneer ik daaraan denk, springen ook nu nog de tranen in mijn ogen. Toen, op dat moment, verloor ik mijn geloof in God.

Dwaas genoeg had ik nog wel vertrouwen in de mens­heid, want ik dacht, dat onze dood zeker overal in de wereld bekend zou worden en dan zouden Amerika, Frankrijk en Engeland zeker ingrijpen om aan deze terreur een einde te maken.

Helaas! Ook dit geloof bleek het niet te kunnen uit­houden. Jaren zouden we er nog over doen, voordat het ons duidelijk werd, hoe slecht dit geloof gefun­deerd was. Dat zou pas echt aan het licht komen op het moment, dat de poorten tot de ingangen van Hit­lers allervreselijkste hel opengebroken werden, om de onbeschrijfelijke gruwelen te onthullen, waartoe de mens in staat is.

1. Kristallnacht = de nacht van 9 op 10 november 1938, waarin in Duitsland een grootscheepse pogrom tegen de loden plaatsvond.
2. Pogrom = Russisch: relletje, gebruikt voor hevige uitbarsting van jodenhaat zich uitend in plundering, vernieling, moord en an­dere misdaden.
3. ghetto = aparte, meestal ook afgesloten stadswijk voor loden, hun als verplichte woonplaats toegewezen.
4. egards = eerbewijzen, bewijzen van achting.

Vertaald uit 'Evangelischer Kirchenbote' door drs. G. P. Olbertijn, Gouda.