Terug naar Ecclesianet.nl

Vergeten stemmen uit het recente Hervormde verleden: prof. mr. P. Scholten en prof. dr. C. Gerretson

Wie kent nog de naam van de eminente hervormde rechtsgeleerde prof. mr. Paul Scholten, overleden in 1946. Een autoriteit in Nederland. Van zijn hand is het Algemeen Deel van mr. C. Asser's Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. Paul Scholten was op de hoogte van de nood van de Hervormde Kerk in zijn dagen. Hij behoorde tot de commissie die het reorganisatie-ontwerp van 1938 voor de Nederlandse Hervormde Kerk moest schrijven. Hij was zich bewust van het grote gevaar waaraan de Kerk blootstond. Het gevaar van de ont­binding, de ontkerkelijking van de Kerk. De gedachte waarin de Kerk benaderd werd als een vereniging van groeperingen werd door de toenmalige besturen-orga­nisatie in stand gehouden. Het proces van ontkerkelij­king van de Kerk kon slechts gekeerd worden wanneer de Kerk weer als Kerk tot spreken werd gebracht. Op­dat de Kerk als Kerk weer zichtbaar zou worden was er reorganisatie nodig. Geen reorganisatie om de reor­ganisatie, maar om de erkenning van de historische Kerk als Kerk.

Het was van het hoogste belang om het diep wegge­zakte kerkelijk besef tot nieuw leven te wekken. Na­melijk het besef dat de Nederlandse Hervormde Kerk meer is dan een vereniging van allerlei groeperingen. Het besef dat de Nederlandse Hervormde Kerk een historische, door God gegeven geestelijke grootheid is, die uit haar belijdenis gekend wordt. Het besef van de Kerk die de geur van het geloof van de eeuwen draagt. Het besef van de Kerk waar het licht van dit geloof in de woeling van de tijden is blijven branden. Deze kerk, aldus de Utrechtse historieus C. Gerretson (1884 - 1958), is een geestelijk lichaam, "het lichaam van Christus, de vervulling van Zijn belofte gedurig bij ons te zijn". (Verzamelde Werken, III, blz. 328v.). In 1938 was men bang om deze Kerk te belijden. Men rekende naar eigen partij of richting toe. C. Gerretson (in een door Paul Scholten gewaardeerd artikel met het opschrift 'De Hervormde Kerk op den tweesprong') benadrukte dat de erkenning van de historische Kerk als Kerk, die weet wat belijden is, een zaak is van geloof. Hij deed dit tegenover degenen die de Kerk als een richtingen-organisatie benaderden. Daardoor zagen zij de Kerk niet als Kerk.

Waardevolle dingen schrijft Paul Scholten over de Kerk die belijdt en over het misverstaan van wat belij­den is. Een misverstaan dat samenhangt met de te­loorgang van het kerkelijk besef.

Over de belijdenis van de Kerk schrijft hij: "Het woord belijdenis drukt het feit uit, dat de Kerk het W oord Gods gehoord heeft. Het belijden geschiedt in woorden en begrippen - het geestelijk leven zoekt er zijn vorm in. Belijden is pogen te formuleren wat nooit anders dan gebrekkig geformuleerd kan wor­den. Niettemin is de formulering noodzakelijk. Ge­schiedt deze niet, dan verwatert en verslapt het ge­loofsleven. Geschiedt zij in tijden van sterk kerkelijk besef door mannen, wien de gave geschonken is, dan wordt zij houvast voor latere tijden, krijgt zij waarde voor het geloof, die eerbied vraagt en onderwerping. De belijdenis is niet Heilige Schrift, heeft nimmer het gezag van deze - doch zij heeft gezag. Een 'belijden' zonder belijdenisgeschrift is een vaagheid, die on­grijpbaar blijft en zich zelve oplost". (Verzamelde Geschriften, II, blz. 260).

Allezend moeten we conc1uderen dat deze woorden een verrassende actualiteit hebben. Maar wie heeft de fakkel die Paul Scholten in 1938 ontstak verder gedra­gen? Is zijn belijdenis van de Kerk overgenomen? La­ten we van hem leren opnieuw na te den ken over het belang van de belijdenisgeschriften en over de ge­loofskracht die ze herbergen. Er is een vacuüm (leegte) ontstaan waardoor allerlei misverstand over het gezag van de belijdenisgeschriften kon groeien. Is er haast niet een achterstand van uitleg die enkele tien­tallen jaren beslaat? Gelukkig hebben we nog waarde­volle geschriften zoals die van prof. mr. Paul Schol­ten. En ... met enig inbeeldingsvermogen kunnen we het belang ervan voor onze situatie wegen.

Is het geding van het huidige SoW-proces niet het geding om de Kerk? Waren er in de tijd van Paul Scholten de groeperingen die het zicht op de Kerk be­lemmerden, liep de Kerk daardoor gevaar, ze was er altijd nog! En, de tijd van Scholten en Gerretson is ook nog onze tijd. Al is de tijd voortgeschreden.

Er dreigt bij de aanneming van de nieuwe kerkorde geen Kerk meer te zijn zoals Scholten en Gerretson voor ogen heeft gestaan. De belijdenissen zijn in de nieuwe kerkorde nog wel genoemd. Maar ze worden tegelijkertijd door allerlei andere bepalingen ont­kracht. Bepalingen die een breuk met de vroegere be­lijdenissen betekenen. (De naam van de Kerk is ver­dwenen, aangaande de kinderdoop mist de nieuwe kerkorde de duidelijkheid van de vigerende (be­staande) kerkorde van 1951, de band tussen de Open­bare Geloofsbelijdenis en de viering van het Heilig Avondmaal is losgelaten. Er is geen artikel waarin wordt gesproken over het hooghouden van huwelijk als scheppingsinstelling van God).

De Nederlandse Hervormde Kerk is vanuit haar historie Kerk. Haar belijdenisgeschriften herinneren daaraan. Zij wortelt in de geloofskracht van haar be­lijden. Wat is belijden? Ook daarover schrijft Paul Scholten zeer behartigenswaardige dingen. "Een be­lijdenis is niet een reglement, dat men, als men op ee­nig punt een leemte voelt of als bepaalde deelen aan bestaande inzichten minder juist voorkomen, eens kan gaan herzien, hier wat schrappend, daar aanvul­lend, elders nieuw formuleerend. Een belijdenis is een getuigenis, die de Kerk alleen kan uitspreken als zij dat moet doen, als zij in geloof zeker is daartoe geroe­pen te zijn. Belijdenis kan nooit een compromis (overeenkomst) zijn tusschen stroomingen in de Kerk, waarin zij den grootsten gemeenen deeler zouden zoe­ken van haar gezamenlijke overtuigingen. Het is een dwaasheid te meenen, dat de Kerk een nieuwe belijde­nis zou kunnen krijgen doordat zij op een willekeurig oogenblik haar bekwaamste theologen bijeenroept, die dan eens zouden moeten overleggen, wat hun nu allen gemeen is. Belijdenis wordt altijd geboren uit den nood der tijden. Als afweer noodzakelijk is van dwaalleer, als de Kerk geroepen wordt naar binnen of naar buiten het karakter van haar geloof te accentue­ren". (Verzamelde Geschriften, II, blz. 261).

Wat is de les die we uit de geschriften van Scholten en Gerretson kunnen trekken? De les van de heront­dekking van de Kerk. Een herontdekking die naar Scholten's overtuiging tot waarachtige eenheid brengt. "Is er werkelijk Christelijk, dat is Kerkelijk leven ... dan krijgen de woorden van de Kerk, als zij werkelijk haar woorden zijn, volheid en kracht, om­dat zij uit het geloof gesproken zijn. Zij laat haar woord hooren en haar woord is gehoorzaamheid aan Gods Woord, krijgt daardoor een klank, zóó sterk, een vorm zóó vast, dat iedere Christen het hoort en aangrijpt. Als de kerkklokken luiden, hoort dorp en stad den oproep tot den dienst. Ais de Kerk waarlijk spreekt, hoort de gemeente en volgt". (Verzamelde Geschriften, II, blz. 141).

Niet elke vernieuwing is ook een hervorming. Een dergelijke uitspraak las ik bij de beroemde Engelse parlementariër uit het eind van de 18e eeuw Edmund Burke. Er is vernieuwing die een breuk betekent met de geloofskracht van het verleden, en dat is geen ver­nieuwing. Dan ontbreekt wat Jean Guitton in zijn boek L 'Eglise et l'Evangile noemt "permanence, identite des profondeurs (duurzaamheid, identiteit van de diepten)". Ook in de Kerk kan er geen sprake zijn van vernieuwing als de identiteit van de diepten ontbreekt. Kortom, een vernieuwing is geen vernieu­wing als deze niet aansluit op de geloofskracht van de eeuwen. Scholten spreekt van een grond die gelegd is. "Wij kunnen daarop verder bouwen, niet eraan voor­bijgaan". (Verzamelde Geschriften, II, blz. 274).

Eenheid kan er slechts zijn in de herontdekking van het bijzondere van de Kerk, die het geheim van het bovenmenselijke meer van de liefde en genade van God belijdt en verkondigt. Het bijzondere van deze Kerk is dat zij de heerlijkheid en grootheid van de Here Christus belijdt. In deze belijdenis maakt zij de overvloed van liefde bekend die antwoord is op de diepe vragen van zonde en schuld en lijden. Hierin ziet Scholten de kracht van de verkondiging van de Kerk. "'Ik ben de Waarheid' heeft Jezus gezegd, aan de Kerk heeft Hij de prediking der waarheid toever­trouwd. De Kerk heeft die waarheid te verkondigen. Zij heeft de mens voor Gods gebod (daaronder ver­staat Scholten het geloofsgebod) te plaatsen, ook de mens als hij staat tegenover degeen van het andere geslacht, ook de mens als hij als deel van zijn volk voor de levensvragen van dat volk wordt gesteld. De Kerk heeft aan te geven wat zij als uitstraling der ene Waarheid in al deze verhoudingen, als de waarheid van het ogenblik ziet, hoe het is van den beginne. Maar zij kan dit alleen, indien zij zelf naar Gods Woord luistert, waarlijk als Kerk leeft, spreekt en handelt". (Verzamelde Geschriften, II, blz. 140).

De bovenmenselijke liefde en gerechtigheid van God in Christus is het geheim dat de Kerk verkondigt. In de onthulling van deze overvloed geeft de Kerk vol­gens Scholten als draagster en verkondigster van Gods Woord haar leden het geloofsgebod in handen. (Ver­zamelde Geschriften, II, blz. 138).

Zulk een herontdekking, zulk een belijdenis van de Kerk is, om met Gerretson te spreken, een zaak van gelóóf. Een daad van gelóóf. Hier wordt niet naar standpunt of richting gerekend. Is dat wel het geval, dan wordt zulk een belijdenis als bedreigend ervaren. Echter, ze is niet bedreigend, maar nodigend. "Zie", zegt Gerretson, "men leert, dat de Kerk is het lichaam van Christus, en men zingt, dat het Christus is, die Zijn Kerk in stand houdt. Nu van tweeën een. Of dit alles is niet meer dan theologische oratorie (rede­kunst), Of men gelooft het waarlijk, zó, dat men krachtens dat geloof handelen durft". (Verzamelde Werken, III, blz. 335).

Dr J. W. Kirpestein (Gouda)