Terug naar Ecclesianet.nl

Leven en werk van Hendrik Cornelis Touw (1903-1972) (II)

Drs. M. den Admirant, ‘s -Gravenhage

 

Predikant in Eerbeek (1934-1940)

Na ’s morgens door zijn voorganger, dr. P. Blaauw (Hemmen), te zijn bevestigd, deed ds. Touw in de middagdienst van zondag 14 januari 1934 intrede te Eerbeek met een preek naar aanleiding van Psalm 43: 3 en 4: ‘Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden …. ’. Blijkens een persbericht was het kerkgebouw beide malen tot in de uiterste hoeken gevuld.

    Vergeleken met die van De Kaag was de hervormde gemeente van Eerbeek -circa 2000 zielen omvattend- veel groter. In dit Veluwse dorp, waar Touw zes jaar zou blijven, kwam hij in aanraking met de sociale tegenstellingen tussen enerzijds de papierfabrikanten en grootgrondbezitters en anderzijds de fabrieks- en landarbeiders. 

    Uitstekende contacten had hij in die tijd met de dichter Willem de Mérode, pseudoniem van Willem Eduard Keuning (1887-1939), die sinds 1925 in een Eerbeekse boerderij op kamers woonde. Toen de dominee in 1934 bij De Mérodes hospita op huisbezoek was, sprak zij van een “meneer Keuning, die gedichten maakt, maar nooit bezoek wil hebben“, zo vermeldt Hans Werkman in zijn boek De wereld  van Willem de Mérode (1983). Na de verschijning van De Mérodes dichtbundel Kruissonnetten (1934) stuurde Touw hem een briefje met het verzoek eens te mogen komen. De dichter ging ermee akkoord. Het bezoek viel zo in de smaak, dat het niet bij dit ene bleef. Ds. Touw werd door zijn bescheidenheid, zijn ongeveinsde interesse en zijn ware pastorale houding langzamerhand een graag ontvangen vriend, met wie ook correspondentie werd gevoerd. Keuning, van huis uit gereformeerd, kwam echter niet bij de hervormde dominee in de kerk, omdat hij veel mensen om zich heen niet kon verdragen. Wel las hij trouw en aandachtig Eerbeeks Kerkklok, een wekelijks gemeenteblaadje. Hij gaf ds.Touw toestemming tot onbeperkte opname van zijn gedichten in dit blaadje en de predikant maakte er gretig gebruik van.

    Willem Eduard Keuning stierf op 22 mei 1939 in zijn tweeënvijftigste levensjaar. Ds. Touw leidde op 25 mei de begrafenis. In een korte rouwdienst sprak hij over lijden en heerlijkheid. “Het lijden van de tegenwoordige tijd, naar lichaam en ziel, heeft onze broeder doorleden. Maar in zijn zuchten was er óók de hoop, die gericht was op Gods uitkomst. Hij wist dat God in Christus vóór ons is, een God van schuldvergiffenis. Daarom blijft er geen plaats voor beschuldiging of scheiding. Niemand zal hem rukken uit de hand des Heren“. Op de begraafplaats las ds. Touw een gedeelte uit 2 Cor. 12:  “Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar (….) En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen“.

    In zijn Eerbeekse jaren raakte ds. Touw onder de bekoring van de theologie van Karl Barth. Mede door contacten met relaties uit de NCSV-tijd en met zijn zwager dr. Kornelis Heiko Miskotte, voor wie hij grote bewondering had, groeide Touws kritiek op de Kerk, die in zijn ogen als instituut te veel deel uitmaakte van een wereldlijk belangensysteem en te weinig aandacht besteedde aan de prediking. In een tweetal geschriften gaf hij uiting aan zijn bezorgdheid over de richting waarin de Kerk zich ontwikkelde: De burgerlijkheid der Kerk (1936) en Verontrustende prediking (1938).

 

Over de burgerlijkheid der Kerk

In zijn publicatie De burgerlijkheid der Kerk stelt ds. Touw de vraag, waarom de hedendaagse mens zo’n diepe, ingewortelde achterdocht tegen de Kerk heeft, en waarom de vervreemding van Kerk en volksleven onherroepelijk voortgaat. De ware oorzaak is naar zijn mening dat de Kerk is bezweken voor de verzoeking van de burgerlijkheid.

    Typische kenmerken van de burgerlijkheid zijn volgens Touw:

1.     zelfgenoegzaamheid en zelfverzekerdheid;

2.     bescherming van het bestaande;

3.   gemis aan onderscheidingsvermogen.

    Tegen deze zelfgenoegzame, conservatieve, karakterloze burgerlijke wereld is vooral van twee zijden verzet gekomen: van de kant van de grote cultuurcritici (zoals Nietzsche, Tolstoj, Dostojewski, Vincent van Gogh) en van de socialistische arbeidersbeweging. Zij bleken echter niet in staat de burgerlijkheid te overwinnen, omdat hun diepste uitgangspunten, meer dan ze zelf beseften, verwantschap hadden met de geest der Verlichting, die zij zo bestreden.

    Er was maar één macht, die geroepen en in staat was tot een radicale kritiek op de burgerlijkheid en dat was de Kerk. Van haar mocht worden verwacht dat zij kritisch zou staan tegenover de tijdgeest, en dat ze haar boodschap, het profetisch Woord, er ondubbelzinnig tegenover zou stellen. Het is echter de tragische schuld van de Kerk dat zij juist een verbond met de burgerlijkheid gemaakt heeft.

    Reeds in de algemene houding der Kerk verraden zich de drie eerdergenoemde kenmerken. Haar houding is er één van zelfgenoegzaamheid en zelfverzekerdheid. De grote vragen die de tijd haar stelde, hoorde zij niet. Zij meende haar antwoorden klaar te hebben. Daardoor ontstond die ontzaglijke vervreemding tussen haar woord en de werkelijkheid. De Kerk was zó zelfverzekerd, dat zij de kloof niet zag tussen de wereld en haar prediking. ‘Zolang de dominees nog volle kerken hebben, merken ze niet dat het volk verloren gaat’ (Hoedemaker). Blind was de Kerk voor de grote nood der wereld. Daarmee hangt samen dat de Kerk, in plaats van gericht te zijn op de Toekomst en uit te zien naar de komst van het Koninkrijk, erop uit was het bestaande te behouden en te verheerlijken. Zo ging het missionaire karakter der Kerk verloren. Ook werd de kerkelijke verdeeldheid aanvaard als gegeven. Dogmatisch werd de veelkleurige verscheidenheid van de kerken als normaal aangemerkt. De Kerk predikte en eiste geloof, niet alleen in het Evangelie, maar ook in de bestaande orde. Zij durfde niet impopulair zijn, vreesde beslissingen en wilde liever leven in een kleurloze neutraliteit. Dit alles kwam weer doordat zij het onderscheidingsvermogen voor kwaliteitsverschillen verloor. Zij vergat het geheel eigene van haar oorsprong, haar wezen, haar boodschap, haar orde, haar toekomst. Het Woord der Schrift werd omgebogen tot een bruikbare boodschap voor deze wereld. Het Evangelie werd op één lijn gesteld met allerlei politieke programma’s. Zo ging verloren het oneindig kwaliteitsverschil tussen deze wereld en de toekomende, tussen het profetisch Woord en de beginselen der christenen. Zo ging ook het karakter van de Kerk verloren en evenzeer het geloof in en de liefde voor de Kerk.

    Duidelijker nog zien we de geest der burgerlijkheid in de Kerk als we letten op de concrete uitingen van kerkelijk leven: de dogmatische bezinning, de sociale houding, prediking en zielszorg, de eredienst, de organisatie van de Kerk. Voor de hele roeping van de Kerk is niets zo noodzakelijk als bezinning op de inhoud van de christelijke prediking. De Kerk heeft haar dogmatische taak echter niet gezien. De dogmatiek kreeg wel een zekere orde, maar het was de burgerlijke orde van evenwicht en sluitend systeem, niet de kerkelijke orde van Schrift en belijdenis.

    De Kerk heeft een boodschap niet alleen voor het persoonlijke, maar ook voor het maatschappelijke en staatkundige leven. Op geen enkel gebied is de Kerk echter zo nalatig geweest als in haar houding tegenover de sociale vraagstukken. De Kerk is door en door verburgerlijkt. Onvoorwaardelijk koos zij voor behoud van het bestaande. Het Evangelie werd ingepast in de bestaande maatschappelijke orde.

Omdat de wezenlijke roeping van de Kerk is, haar boodschap uit te dragen, is de prediking

haar meest eigenlijke functie. Daarbij is nog altijd het tweeledige doel, dat de hoorders in hun eigen taal de grote werken Gods horen verkondigen. Maar heeft de Kerk de verstaanbaarheid niet opgeofferd aan de betrouwbaarheid, en de zuiverheid niet verminkt om maar verstaan te worden? Steeds weer werd de boodschap versmald, verengd, verkleind en werden de radicale diepten der Schrift verzwegen. In de plaats van het Koninkrijk Gods kwam de stichting der enkele ziel, in de plaats van de Toekomst des Heren de veilige rust in het heden, in de plaats van de taak van de Kerk het persoonlijk welbevinden. Verwarrend was daarbij de dubbelzinnigheid: de prediking van de genade door Christus’ offer én de vrome mens, voortgejaagd van plicht tot plicht, van wetsvervulling tot wetsvervulling. Ontegenzeglijk lag achter dit alles een terugval van het Evangelie naar de Wet, maar toch niet consequent, niet tot het oordeel toe, ‘dan zouden de mensen hun geloof verliezen’. De toon van de prediking werd, met allerlei variatie: ‘Wij die gered zijn, wij die gelovig zijn, wij moeten nu dit doen en dat doen! Wij moeten ons geloof tonen, en het Koninkrijk Gods uitbreiden, wij moeten alle terreinen des levens doorzuren en veroveren voor Koning Jezus!’.

Bij de zielszorg werd het wezenlijk verschil tussen de boodschap der Kerk en de resultaten

van de psychologie, tussen geloof en zielenleven, vergeten. Er vond een verwisseling plaats, waardoor geloof gelijkgesteld werd met berusting, gerustheid, terwijl opstandigheid als een uiterste van goddeloosheid werd gebrandmerkt. ‘In deze tijd van onzekerheid en verwarring geeft het geloof rust en een antwoord op de levensvragen!’. Zo werd de vragende, zoekende mens opgeroepen tot slapen in plaats van tot waken, tot rust in plaats van tot vragen. Hoe ver was deze zielszorg af van de stem van psalmdichters, profeten en het boek Job! Ds. Touw verwijst in dit verband naar het boek van zijn zwager, dr. K.H. Miskotte: Antwoord uit het Onweer (1936).

    Ook in de eredienst drong de verburgerlijking allerwegen door. Zo kwam in de plaats van de bediening des Woords: de leerrede of de toespraak, in de plaats van een kerkelijk-liturgisch geheel van gebeden, gezangen, Schriftlezing en offeranden: een versje zingen, een stukje lezen en ‘de kerkcent’. De prediking werd een opwekkend woord, een religieuze overdenking of een dogmatisch exposé.

    De Kerk die haar opdracht verstaat, weet dat zij ook in haar organisatie, haar regering en inrichting, gebonden is aan de Boodschap van haar Heer. Zij moet belijdende Kerk zijn. Maar omdat de Nederlandse Hervormde Kerk haar roeping niet verstond, had zij vrede met een organisatie, die haar het zwijgen oplegde over haar Boodschap. Gepoogd werd de meest uiteenlopende inzichten en stromingen te verenigen in kleurloze formuleringen, opdat er voor alles rust zou blijven in de Kerk en daardoor ook in de Staat.

    Het gevolg van dit alles was een vervreemding van Kerk en wereld. Naar de Kerk werd niet meer geluisterd, omdat zij zo zelfverzekerd haar eigen woord gesproken had. Door haar houding trok de Kerk juist die volksgroepen aan, die de meest typische vertegenwoordigers waren van de burgerlijkheid: de kleine burgerij, de middenstand. Deze burgerij noemde zich zelfbewust ‘het christelijk volksdeel’. Bij andere groepen, die kritischer stonden tegenover de burgerlijke levenshouding, in het bijzonder bij de arbeiders, de intellectuelen en de jeugd,  groeide daarentegen een steeds dieper wantrouwen jegens de Kerk.

    Ook in de verburgerlijkte Kerk hebben nu en dan profetische stemmen weerklonken. In een tijd waarin het Woord schaars was, werden zij gesteld om van dat Woord te getuigen. De mensen stootten zich aan hen, want een profeet is voorbestemd tot ergernis. Als zulke profetische stemmen noemt ds. Touw: Da Costa, Kohlbrugge, Gunning en Hoedemaker en de beide Jonkers (de gebroeders ds. G.J.A. en prof. dr. A.J.Th. Jonker). Da Costa, ‘een der feestverstoorders onder het beschaafde deel der natie’ (Pierson), was de incarnatie van alles wat in verzet kwam tegen de geest dezer eeuw. Kohlbrugge, ‘de machtige eik, geplant in een klein tuintje’, kende maar één hartstocht: het Woord te prediken. Uitgeworpen door de gehele wereld, wetenschap en kerk, verjaagd van alle kansels, was hij er een levend getuige van, dat alleen in het Woord te blijven goed is. Daarom gaf hij geen eigen gedachtesysteem van het Woord Gods, geen ‘theologie van Kohlbrugge’, maar wilde alleen Schriftuitlegger zijn. Hij zag de radicale diepten der Schrift zoals weinigen, het radicale oordeel en de radicale genade. Hij getuigde dat de zondaar alleen door geloof wordt gerechtvaardigd en dat de heiliging geen wet, maar goddelijke belofte, genadige toerekening is. Alle aandacht richtte hij van het vrome ik naar het heil in Christus. Toen iemand hem eens vroeg, wanneer en waar hij bekeerd was, antwoordde hij: ‘op Golgotha’. 

    Voor de toekomst van de Kerk is beslissend, dat zij zich laat gezeggen door deze profetische stemmen. Het zou haar enige redding zijn. Het profetisch Woord is de enige hoop der Kerk.

    In een slothoofdstuk over de Boodschap der Kerk, roept de auteur op, ernst te maken met de opdracht van de Kerk. Wat wij nodig hebben is terugkeer van de Kerk tot haar eigenlijke Boodschap en enige roeping. Zij mag niet zelfverzekerd zijn. Haar enige zekerheid ligt in het profetische Woord. De Kerk is er niet om het bestaande te beschermen. Middelpunt van haar Boodschap is de komst van het Koninkrijk. Ze moet uitzien naar de Toekomst des Heren. Ook dient ze volle ernst te maken met het apostolaat; zij heeft een missionaire roeping.
    Touws boekje kreeg ongewone en levendige belangstelling. Het kritische geschrift lokte vele reacties uit, maar het bezorgde de auteur geen vijanden. In de kring van zijn collega’s was men ervan overtuigd dat Touw zijn kritiek geuit had uit diepe bezorgdheid over de richting waarin de Kerk zich ontwikkelde. Na de verschijning van het geschrift schreef Miskotte op 2 november 1936 in zijn dagboek: ‘In vele opzichten uitmuntend. De jongen heeft er zelf zo onder geleden. Men ziet dat het geen aesthetische reactie is’.