Terug naar Ecclesianet.nl

Confiteor, ik belijd.

Dr. H. Klink, Hoornaar

Toespraak gehouden op de Conferentie van de Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge van 9 april 2005

‘Zuivere profetie’…
Het is mijn bedoeling deze middag op een meer persoonlijke dan op een beschouwelijke manier over dit laatste boek van de auteur te spreken.
  Ik wil beginnen met een mooi moment uit het 19e eeuwse Réveil in herinnering te roepen. Ik heb dan in gedachten het slot van de bijeenkomst van de Evangelische Alliantie, die in 1867 in Amsterdam werd gehouden. Daar was ook Groen van Prinsterer, inmiddels een al wat ouder man geworden. Hij was gewend de conferenties van deze internationale evangelische beweging te bezoeken. Ooit schreef hij een mooi verslag over de ontmoeting te Genève. Dat was in 1861. Zes jaar later bezocht hij de vergadering alleen om zijn broeders en zusters voor hun vertrek de hand te drukken. Hij had ervan afgezien om op de conferentie het woord te voeren. Toch vroeg men hem dit alsnog te doen. Met een zekere aandrang. En… hij gaf toe. Het woord dat hij toen sprak had iets van een laatste adieu. Groen sprak in het Frans.
  
Wat had hij te zeggen? Welnu, dit is zeker: hij heeft daar direct uit het hart gesproken. De toespraak was zo indringend dat men deze in hetzelfde jaar nog in druk kon kopen. Men schreef erboven: ‘La nationalité religieuse en rapport avec la Hollande’ - de nationale godsdienst en dat in verband met Holland. Gezien de inhoud zou de titel hebben kunnen luiden: de kerk en Nederland. Thuis heb ik een exemplaar van de toen gedrukte editie. Bij lezing ervan beseft men dat het niet anders kán, of degenen die de toespraak bijwoonden, zijn er diep van onder de indruk gekomen. Het waren ontroerende woorden die hij sprak. Op het eind van zijn toespraak doet Groen een beroep op zijn hoorders: “Broeders en zusters, als u teruggekeerd zult zijn naar uw land, bidt, bidt voor Nederland. Bidt ervoor dat zijn kerk, deze kerk, die ooit zo trouw was, die ooit zo illuster was, het juk van zich af zal werpen van die kunstmatige eenheid, waar het ongeloof en de lastering het evangelie tolereert op voorwaarde dat het evangelie het ongeloof tolereert. Bidt, bidt voor Nederland, bidt voor de onwakende kracht van het evangelische geloof haar zal verlossen van een wet die zoveel christelijke ouders verplicht om hun kinderen naar scholen te sturen waaruit de bijbel verbannen is.“ Een ándere uitspraak komt er in voor. Daarin krijgt Groen iets profetisch. Hij van wie gezegd werd, dat hij groef in het verleden en een omgekeerde profeet was, omdat hij niet de toekomst, maar het verleden doorlichtte, liet zijn ogen gaan over de toekomst van Europa en sprak de volgende geladen woorden uit:

Weet echter wel wat gij, diepzinnige filosofen, knappe politici, weldoeners van het moderne Europa bereikt zult hebben als gij uw droombeelden ten volle zult hebben verwerkelijkt. Gij zult dan voor u zien naties voor zovermen dan nog van naties kan spreken, die volkomen ontwricht zijn, verworden tot een willoze schare, tot massa’s, tot onaanspreekbare menigten, tot samenklonteringen van geestloze individuen, tot losse atomen, tot stof dat modder is geworden. Gij zult dan te maken hebben met een onregeerbare materie, die nog slechts dienstig is voor tweeërlei gebruik, namelijk om te worden recruten óf voor de anarchie, óf voor de dictatuur. Recruten die gij nog slechts kunt weiden op de grazige weiden van genotzucht en criminaliteit, om ze te gelegener tijd te gebruiken voor slachtvee op de slagvelden. Gij zult dan voor U zien de onbeheersbare gruwelen van een nieuwe barbarij, die gepaard gaan met de geraffineerde uitvindingen van de moderne techniek.

Ooit stuurde ik deze regels naar de bekende exegeet Martin Hengel. Hij reageerde met de woorden: “Dies ist reine Prophetie“ - dit is zuivere profetie. En Hengel heeft gelijk. Groen heeft gelijk gekregen. En dr. Aalders die in ons midden is, heeft deze voorspelling als geen van de aanwezigen hier waarheid zien worden. Zo hoog is zijn ouderdom dat hij nog heel goed weet van de Eerste Wereldoorlog. Wat een gebeurtenissen! In die jaren viel het tsarenregime en kreeg het communisme greep op Rusland. Hij weet van de crisisjaren in de jaren twintig, van de opkomst van het nationaal socialisme in de jaren dertig, van de Tweede Wereldoorlog, van de koude oorlog en de revolutie van de jaren zestig en gaat u maar door! Wat Groen in zuivere profetie voorzegde, heeft dr. Aalders in West Europa zich zien afspelen! En de vragen die door de catastrofale gebeurtenissen die Groen als een spookbeeld tekende naar boven geperst worden, kortweg de vraag naar de geschiedenis, zijn zijn diepste levensvragen geworden. En vanuit die vragen benadert hij de Bijbel.

De vraag van de geschiedenis
C.H. Dodd, een door Aalders geliefd schrijver publiceerde in de crisisjaren het boek: De apostolische prediking van het Nieuwe Testament. Het is een fraai werk, dat in de boekenkast van elke theoloog thuishoort. Dodd wijdt het laatste hoofdstuk aan ‘het Nieuwe Testament en de vragen van zijn tijd’ en zegt (soortgelijke opmerkingen zijn ook letterlijk bij Groen te vinden): elke tijd heeft zijn eigen acute vragen. Christus heeft de kerk de wereld ingezonden, om die vragen aan den lijve te ondervinden. Het zijn de overblijfselen van zijn lijden. Door de druk van de vragen wordt de kerk ertoe gedrongen en antwoord te zoeken. Ze vormen, zo zegt hij, een challenge, een uitdaging voor de kerk. Dodd bedoelt: als het goed is, worstelt de kerk met die vragen die haar door de wereldgeschiedenis opgedrongen worden en vindt zij het antwoord ervoor in de Schrift, bij Christus. Zó voegt elke tijd iets toe aan de schatten van de kerk. Zo brengt als het goed is de drukking van de melk boter voort! Op de uitdaging komt een antwoord.
  
Ik weet niet of ik het zo zou verwoorden als Dodd- de zaak is soms te ernstig om te spreken van een ‘uitdaging’ - maar dit weet ik wel dat dr. Aalders als predikant in aanraking gekomen is met de vraag die na de Franse Revolutie acuter dan te voren is geworden: de vraag van de geschiedenis. Hoe kan ik beter verwoorden wat dit inhoudt, dan met de woorden van de auteur zelf. Dr. Aalders geeft dit aan in zijn boek Luther en de angst van het westen:
Tijdens de zwarte dagen van mei 1940 toen de Duitse legerhorden in eindeloze colonnes aan de Friese dorpspastorie, die mijn vrouw en ik toen bewoonden, voorbijtrokken, heb ik Luther pas goed ontdekt. Om mijzelf enigermate af te schermen van de dreiging, de angst, de weerzin, die deze brute nazi-overweldiging met haar onvoorzienbare en heilloze gevolgen in mij hadden opgeroepen ben ik als afleiding wat gaan lezen in De servo arbitrio. Daarbij had ik een ervaring die zich moeilijk beschrijven laat, maar die zeer ingrijpend was. Het was mij, of ik de achtergronden ging zien van wat zich rondom ons afspeelde en of het tijdsgebeuren even transparant werd.
Wat zijn de achtergronden van dit alles? Waar is Gods hand? Wat is van deze boosheid die de wereld overspoelt de achtergrond en welk verweer is daartegen? Dat waren de vragen die acuut werden. Hoe goed kan ik me de gemoedsgesteldheid indenken, die Aalders beschrijft, als hij het heeft over ‘de weerzin tegen dit alles’ en… ‘de behoefte om je ertegen af te schermen’. Zeker als ik bedenk dat de auteur opgroeide in een land dat nog de kenmerken droeg van wat de historicus Huizinga genoemd heeft “het huiselijke, goede van Nederland“, zoals dat wordt aangegeven door die ene gevelsteen in Haarlem: ‘in het soet Nederland’. Iets van dat Nederland heeft de auteur gekend. Hij kwam het tegen in zijn vroege jaren in de pastorie. Maar niet minder in Nederlands-Indië waar zijn vader nog tijdens de Eerste Wereldoorlog predikant werd en waarvan hij de sfeer van opgesnoven heeft onder andere door de gesprekken die thuis gevoerd werden. Daar is hij in aanraking gekomen met A.W.F. Idenburg (de goeverneur-generaal van Nederlands Indië) en diens vrouw die in contact stonden met figuren als Abraham Kuyper. Hij kwam er in aanraking met vaak oprechte, kordate, goede mensen, die met al hun feilen en hun fouten, dicht bij God leefden en voor Hem dagelijks verantwoording aflegden van de weg die ze gingen. Mensen die het veelal heel goed meenden met de Indiërs en die ook bereid waren veel te geven voor hun welzijn.
  
Wie iets van die sfeer wil proeven doet er goed aan Huizinga’s Neêrlands geestesmerk te lezen. Het werd in die tijd geschreven. Wie het leest, ervaart tegelijkertijd dat er tussen tóen en nú, tussen het moment waarop Huizinga onze volksaard beschreef en het hedendaagse Nederland een zeer grote, wellicht onoverbrugbare kloof is komen te liggen. En het ontgaat hem niet dat Huizinga al met zorg spreekt over een crisis die door Europa gaat. Hij spreekt al over het dat de wereld die naar haar einde holt. Huizinga vraagt zich openlijk af of de Nederlandse volksaard bestand is tegen de crisis die hij signaleert.
  
Welnu nog veel duidelijker dan Huizinga hebben wij dit zelfde gevoel. Nog veel duidelijker dan toen is het nu, dat wij leven in een wereld waar de dynamiek van de geschiedenis zich meer en meer verhevigt. Nog veel duidelijker dan toen leven wij in Nederland in een vervreemdingsproces ten opzichte van het christelijk verleden. En dr. Aalders heeft die verheviging van de geschiedenis heel bewust meegemaakt, vanaf de veertiger jaren, vanaf dat moment van de inval van de Duitsers.

Een apocalyptische tijd
In de beide oorlogen die in de 20e eeuw over de wereld gingen werd nog veel duidelijker wat vooruitziende geesten als Groen al hadden ingezien: dat wij leven in een apocalyptische tijd. In De hemel is rood drukt dr. Aalders het zó uit: “Wij beleven de tijd als een gebeuren, een geschiedenis dat ons allen in zijn machtige greep heeft. Wij worden voortgestuwd, zonder dat terugkeer of stilstand mogelijk is. Er is geen ontkomen aan de tijd. Er is alleen het rusteloos verder!“ Hij schreef dit in 1961.
  
Dit was zo in 1940. Deze dynamiek hield geen halt in 1945, ondanks het feit dat er hoop geput werd uit de bevrijding. Hij hield geen halt in 1951 toen de Nederlandse Hervormde Kerk een nieuwe kerkorde kreeg. Binnen de kortste keren kwam de kerk onder de druk te leven van de apostolaatstheologie, die zich op politiek gebied verzwagerde met de Doorbraak en ook de kerk raakte op drift. Daarom was het zo in 1961 en in 1970, de tijd van de Open Brief en het Getuigenis, toen Aalders en anderen, onder andere G.C.van Niftrik protesteerden tegen de verwereldlijking van de kerk en een vergoddelijking van de wereld. Er werd niet naar hen geluisterd, en er veranderde niets. Op staatkundig gebied nam Aalders het op voor Groen van Prinsterer en heeft hij geijverd voor eerherstel voor Groen, die zijn leven lang gewezen had op het belang van de historie en de wet voor de Staat. Dat was in de jaren zeventig. Maar zowel in de Staat als in de Kerk zette het proces van deconfessionalisering en vervreemding van het overgeleverde geloofsgoed door. Toen kwamen de jaren negentig, ingeluid met de val van de muur. Zou er dan nú verandering komen? In die jaren schreef de auteur Revolutie en Reveil en Revolutie en Perestrojka. Wellicht zou met de val van het communisme in Nederland en Europa een kentering komen. Wellicht zou de kerk terug gaan naar de bronnen en zich hervormen in plaats van de bloedloze weg te gaan van een fusie, zonder vernieuwing van binnenuit. Om die reden werd het Hervormd Pleidooi geschreven. Maar wie haakte er wezenlijk bij aan?

Wie heeft onze prediking geloofd?
Dat is een nijpende vraag. Het is de vraag van de profeten en in het bijzonder van Jesaja: “Wie heeft onze prediking geloofd…?“ Wie?
 
Dat kun je ook nu met recht vragen. Er wáren er wel. Ze werden gevonden op de Conferenties in de Marcuskerk, waar indertijd veel jonge mensen kwamen, als dr. Aalders zijn lezingen hield. Men vond er iets van het enthousiasme wat wij nu beleven met al die jongeren die onder de indruk zijn van Paus Johannes Paulus II. Maar verder…?
  
Het geluid van de auteur en van anderen, die in zijn geest spraken, drong niet of nauwelijks door in de Kerk en ook niet in de Staat. En de vraag die Groen in 1861 bewoog om tóch een toespraak te houden voor de Evangelische Alliantie werd steeds nijpender: waar gaat het heen met Nederland en met de kerk in de maalstroom van het revolutionaire denken? Dit denken is is de Kerk en de Staat binnengedrongen en heeft haar tot in het hart aangeraakt. Wat blijft er dan nog over van de Kerk en van de Staat, als het zo is? En…, als die beide als grootheden wegvallen - iets waar Burke zo voor vreesde - wat is dan het gevolg?
  
Onlangs had ik er een indringend gesprek over met de auteur: waar kun je op steunen? Hij zei: “Als je denkt ik zoek mijn steunpunt in de Staat, dan sta je in een moeras. Als je denkt: ik zoek het in de Kerk dan staat je andere been ook in een moerassige grond. Wat dan?“ Waar kun je op steunen?


Confiteor- ik belijd
Welnu, eigenlijk wordt díe noodsituatie aangegeven in de titel van dit laatste boek: Confiteor. Dat betekent: Ik belijd. Het wil zeggen: áls dan de verbanden waarin wij stonden bezig zijn weg te vallen, als wij als in het open veld komen te staan, zonder beschutting, dan blijft er niets anders over dan dit woord confiteor, dat in dit verband wil zeggen: ‘maar ik belijd’. Niet voor niets is het motto van dit boek dat van de zogenaamde shakers (de ‘geschudden’, dat wil zeggen: degenen die ontwaakt zijn door de gebeurtenissen die ze ondervonden). Het waren mensen die de angst kenden van de geschiedenis. Hun motto in een apocalyptische situatie is: “let us walk softly. Let us walk softly - voorzichtigheid is geboden, om te luisteren naar welke weg Gód, de Goede Herder, wijst.

De Emmaüsgangers
Dat brengt me op een tweede aspect waar ik de nadruk op wil leggen. Ik verwijs dan naar de voorzijde van het boek Confiteor. Daarop ziet u de Emmaüsgangers. Tussen hen in loopt de opgestane Christus. Hij is ánders afgebeeld dan de twee discipelen: grootser - een hemelse gloed gaat van Hem uit, een halo, een lichtende kring om het gezegende hoofd is niet al te nadrukkelijk maar toch duidelijk zichtbaar door de schilder op het doek gebracht. Hij houdt zegenend zijn hand omhoog. Zijn voeten staan op de aarde, althans: zij raken de aarde aan, maar in het gaan zijn zij niet afhankelijk van de aarde. Het schilderij tekent ons de Opgestane, de Vreemdeling, die met de beide mannen de weg aflegde naar Emmaüs.
   
Laten we eens proberen dichterbij bij deze mensen te komen. Wat hebben zij meegemaakt? Wat gaat er door hen heen? Ik kan het in één woord zeggen: het zijn mensen die door de gebeurtenissen van kort geleden hun oriëntatie volstrekt zijn kwijt geraakt. Wat zij te berde brengen tegen de Vreemdeling bewijst het. We horen hen zeggen: “Wij dáchten en wij hóópten...“ Daarin komt diepe teleurstelling en de twijfelmoedigheid naar voren. Het zijn mensen die hoorden bij de kring van Jezus’s discipelen. Waarschijnlijk moeten we ze rekenen tot de 70, die ooit door Jezus werden uitgezonden om Israël te laten weten dat het Koninkrijk der hemelen nabij was.
  
Wat waren zij vol van hoop toen Jezus naar Jeruzalem kwam! Tijdens de intocht. Het apocalyptisch reveil uit Galilea zou zich nu voortzetten in Jeruzalem! Maar hun hoop werd in enkele dagen tijd de grond ingeboord.
  
Hoor wat ze zeggen: “Wij hoopten dat Hij het was die het Koninkrijk zou oprichten, maar onze overpriesters en leidslieden… De hoop op het Koninkrijk Gods hebben zij, zijn prediking hebben zij mèt Hem aan het kruis geslagen. En nu, nu is het over en uit. Ook al zeggen anderen dan dat het graf leeg is. Kortom: het zijn gedesillusioneerde mensen, die hun oriëntatie kwijt zijn. Wat blijft er nu nog over?

U zult het met me eens zijn: het is alsof deze geschiedenis geschreven is voor apocalyptische situaties, situaties waarin je het gevoel hebt nergens meer steun te vinden voor je voet: “Wij hóópten“en “wij dachten“…!
  
Nu zijn wij hier bijeen als Vrienden van Kohlbrugge. En we moeten zeggen: zulke situaties kennen wij ook uit Kohlbrugge’s leven. Mag ik herinneren aan één moment uit het leven van Kohlbrugge. Ik denk aan het moment dat hij hier in Utrecht alleen in zijn huis zat, eenzaam, na het overlijden van zijn vrouw, enkele uren voordat hij een reis zou maken naar Duitsland. Met drie kinderen was hij achtergebleven. Hij zat te wachten op de koets die hem zou ophalen. Tot overmaat van ramp had hij hevige kiespijn. Wat moet er door hem heengegaan zijn. Zo trof een voor hem toen onbekende man hem aan: de bankier Kol. Deze kwam naar binnen, omdat hij behoefte had aan een gesprek met de prediker Kohlbrugge. Samen hebben ze zitten praten, tot de koets kwam, Kohlbrugge op één van zijn ingepakte koffers. Daar kreeg Kohlbrugge er een nieuwe vriend bij. Zo zaten ze daar als twee Emmausgangers. - Zo zien we hem met Kol vertrekken naar Duitsland. En dáár vond hij zijn Elberfeld.

De ‘Vreemdeling’ die met hen optrekt
De fijnzinnig Franse schrijver Jean Guitton heeft ooit van de geschiedenis van de Emmaüsgangers gezegd dat deze één van zijn lievelingsgeschiedenissen is. Hij vergelijkt de tocht die deze volgelingen van Christus maken met onze levensreis. Daarop krijgen wij te maken met de raadsels van het leven en met de doodlopende weg van de geschiedenis die niet automatisch uitmondt in het Koninkrijk van God. Als Guitton daarop gewezen heeft, wijst hij op de Vreemdeling die bij hen komt en hen aanspreekt. Guitton stelt: zo gaat het steeds opnieuw. Zó gaat Christus met ons en geeft Hij tekst en uitleg van wat Hij doet en wijst Hijhen de weg naar bóven en laat Hij zien hoe veel grootser en rijker het allemaal is, dan zij zich zelf maar hadden kunnen indenken! Zien we dat niet bij Kohlbrugge? En bij Groen van Prinsterer? Zij voelden als regenfluiters aan, hoe het in Europa met de Kerk zou gaan. Zij waren trouw en hadden het volste recht om te klagen: onze leidslieden…, ons volk - dat zo gezegend was… Wat doen zij, wat doet het met het Evangelie, met Christus? Wij trekken met Groen en met Kohlbrugge op. En wij vragen het ons ook af.
  
Maar zou nu Christus, die opgestaan is en lééft ook óns niet ook in het vizier hebben en zou het niet mogelijk zijn dat Hij naast ons komt lopen? Wat deed Hij met die twee op weg naar Emmaüs? Hij kwam tot hen. Hij kwam naast hen lopen. Hij gaat tussen hen inlopen. Hij informeert en vraagt, heel belangstellend. En zij vertellen wat er is gebeurd, zij storten hun hart voor Hem uit. Hij loopt daar - alleen dat al - in hemelse heerlijkheid als de Opgestane. Hij is niet meer van deze aarde. Niet omdat Hij zomaar is weggegaan, nee, Hij heeft het aardse tot het laatste toe doorleden. Maar Hij is door de dood heen gebroken. En daardoor is Hij wel betrokken op de aarde, hoewel Hij niet meer vàn hier is! Sterker: Hij is gebleken te zijn degene die álle macht heeft. Hij is de Zoon van God, aan wie de Vader omdat Hij, in vrijwillige lijdzaamheid als levende Getuige tot in de dood trouw heeft willen zijn, de waardigheid gegeven heeft om de Pantocrator te zijn van deze wereld. Hij is de Zoon. En Hij komt vol van zorg naast hen lopen. En aan Hém vertellen ze wat hun harten bezwaart. Het echec dat ze beleefd hebben. “Wij dachten.“ Eigenlijk is het één grote klacht… het oude verbond heeft afgedaan, nu dít gebeurd is. We zijn op een dood punt gekomen.

De boodschap aan de Emmaüsgangers
En wij…. Het is goed ons te realiseren, dat onze situatie nagenoeg dezelfde is. Wat is er over van het zout van het protestantisme, dat op zich goed was, van het authentieke katholieke geloof? De auteur van Confiteor heeft zich die vraag zijn leven lang zeer aangetrokken. De situatie kennen wij dus enigermate. Maar dan is het goed naar het vervolg te kijken. Want dan gebeuren er twee dingen. En die zijn wezenlijk van belang.
  
Allereerst begint de Vreemdeling te spreken, nadat Hij lang geluisterd heeft. Hij legt voor hen de Schriften open. Hij spreekt over de Vader. In het licht van het Oude Testament en mag ik erbij zeggen, de Septuagint. Hij spreekt over wat de Vader gedaan heeft in de geschiedenis van Israël: over de profeten, over Jesaja en over Daniël en zó belicht deze Vreemdeling het werk van de Zoon, van Jezus Christus. In het licht daarvan maakt Hij duidelijk hoe Jezus’ leven geweest is, hoe Hij dan wel gestorven is, maar in het licht van de Schriften móest Hij lijden, sterven én opstaan! Moest Hij niet langs de weg van het lijden het nieuwe Koninkrijk Gods aan laten breken? Was er een andere weg, gezien de hardheid van het volk en de tegenstand van de leidslieden? En heeft de Zoon - toen Hij blijkbaar bij het licht van de Schriften inzag, dat de weg zó moest gaan - zich niet bereid getoond die weg te gaan, om zó tot zijn héérlijkheid in te gaan!
  
Dan… als dat moment bereikt is, zijn ze in Emmaüs aangekomen. En dan is er door deze uitleg iets gebeurd. Hun harten zijn gaan gloeien bij het horen van deze woorden. Iets van de samenhang van het werk van de Vader en de Zoon, dat zo op elkaar betrokken is en dat niet zonder belofte kán zijn, dringt tot hen door! Het is al bij de avond. Hun harten branden.
  
En dan komt het tweede. Vanzelfsprekend nodigen zij Hem uit om binnen te komen. Hun harten zijn aangestoken door zijn uitleg. Wat een groots licht laat Hij over het leven van Jezus vallen. Er begint hoop te gloren. Allerlei dingen herkennen ze uit wat Jezus eerder heeft gezegd, het is niet totaal nieuw, maar in het licht van deze uitleg komt er een nieuwe gloed in. Ze dringen bij Hem aan: het is avond geworden, kom binnen. En daar… gebruikt Hij de maaltijd met hen. Hij is het die het brood breekt. Graag zou ik u het schilderij van Rembrandt laten zien om aan te geven hoe hij dit gebeuren geschilderd heeft. We zien hoe de Vreemdeling terwijl Hij het brood breekt en uitdeelt het schuin omhoog houdt, om naar boven te kijken. Zijn oog is gericht op de hemel. De Emmaüsgangers kijken met stijgende verbazing naar zijn gelaatstrekken en zijn handeling en íneens gaat het voor hen open: Hij is het zélf!
  
We tekenen hierbij aan dat het Lucas is die ons dit vertelt. Lucas was de trouwe reisgenoot en leerling van Paulus. Hij heeft al eerder over het Avondmaal gesproken. Als hij vertelt hoe Jezus het Avondmaal instelt, is hij de enige van de evangelisten die er de nadruk op legt dat Jezus zei: ‘Ik beschik u het Koninkrijk.“ En die beschikking in zijn bloed en offer aan het kruis is een nieuw testament. Een nieuw verbond. Niet meer het verbond van Exodus, niet meer dat van de Wet, niet meer dat van de tempel, het is een nieuw verbond in zijn bloed tot vergeving van de zonden. Met andere woorden: zijn lijdens- en stervensweg was een doorgang tot een nieuw verbond, waartoe Hij zijn discipelen in het Avondmaal de toegang verschafte: het verbond van het koninkrijk der hemelen! Dat ontvingen de discipelen in de nacht van het verraad, zonder dat zij de reikwijdte van de woorden die toen gesproken werden en de daad die toen verricht werd, beseften. Nu lijft Jezus deze twee mannen in dat verbond in. En… zij zien ze de Opgestane en Zijn heerlijkheid. Hij geeft het hun dat zij mogen delen in Zijn heerlijkheid - waarvan ze nu iets zien - en in zijn heilsgoederen!

De zorg van Christus over Zijn gemeente
Wat overkwam de Emmaüsgangers, die op de voorzijde van het boek van dr. Aalders te zien zijn? Hun viel ten deel wat de schrijver van de brief aan de Hebreeën zegt in hoofdstuk 12: zij proefden de krachten van het Koninkrijk der hemelen en mochten naderen tot het hemelse Jeruzalem. Zij kregen deel aan Hem en aan zijn Koninkrijk en aan de goederen daarvan. Aan Christus en alles wat Hij heeft. Aan zijn leiding, zijn kracht, zijn heerlijkheid. En Christus is om met een woord van de oudtestamenticus Ernst Wright te spreken The God who acts, de God die hándelt. Dat gaf aan deze mensen een verwijding van hart die zijn weerga niet kent. Waren onze harten niet brandende in ons. Zo komt Christus, nog steeds. En zo laat Hij steeds opnieuw zijn heerlijkheid zien.

Iets dergelijks ondervond Luther in zijn “Turmerlebnis“ toen Hij kon zeggen dat bij het licht van de Schrift de Heilige Geest voor Hem de deuren van het paradijs opende. Dat gaf aan hem die soevereine vrijheid, zodat hij adequaat kon reageren op steeds maar weer nieuwe situaties, op de aflaathandel, op de boerenoorlog, op de aanval van Erasmus en gaat u maar door. En dat gaf hem die bijna triomfantelijke zekerheid, als hij in 1531 toen de Reformatie aan een zijden draadje hing, waardoor hij bijna goedmoedig de spot drijft met Melanchton die zo bezorgd was. Wat hij dan aan Melanchton schrijft, heeft wel wat weg van wat de Vreemdeling zegt tegen de Emmaüsgangers: “o gij dwazen van hart“, gij beperkte mensen, die u zo laat leiden door uw beperkte gezicht op de dingen. Beste Philippus, jij maakt je zorgen, maar dat is omdat je denkt dat de toekomst van de kerk in jouw handen ligt. Maar dat is niet zo. Als het zo zou zijn, zou ik me ookzorgen maken. Maar nu ligt het in Christus hand. Kijk eens naar die sterren. Wie houdt ze vast. Jij niet. God zorgt ervoor dat ze blijven hangen en hun baan beschrijven, als Hij zijn hand weghaalt, is het systeem uit heelal en storten ze neer. Wie houdt die wolken drijvend, en zorgt ervoor dat ze niet hun enorme watermassa’s laten vallen. Heb jij dat in de hand? Het doet denken aan de manier waarop God Job toespreekt! Christus zal regeren én het laten merken!
 
Ondertussen dreef Luther vanuit die zekerheid ook de spot met de leidslieden en de priesters van toen en maakte hij zich over hen geen illusies. Hij doet dat ook niet over de toekomst en houdt zelf rekening met het feit dat de kerk zichzelf monddood kan maken, door totaal wereldgelijkvormig te worden. Maar dan, aldus Luther is de wolk van Gods genade overgedreven en hin ist hin. Er blijven enkelingen over die gelovig zijn, zoals in de dagen toen Jozef niet meer regeerde in Egypte en de farao’s vergaten wat Jozef had gedaan. Juist dan gaat Christus zijn weg met de enkelingen als met de Emmaüsgangers. Ging het zó ook niet met in het volk van Israël?

Die liefde en die zorg ondervonden de Emmausgangers. Die doop ondergingen zij. En deze gedesillusioneerde mensen zijn getuigen geworden, door deze ontmoeting. Guitton heeft gezegd dat dit gedeelte een van zijn lievelingsgedeelten was uit de Bijbel. Ik voeg eraan toe: het is geschreven voor mensen in een apocalyptische situatie.

Als het tegen het einde loopt
In het licht daarvan wil ik nog wijzen op een opvallend iets. De Emmaüsgangers zeggen op het einde van de reis tegen de Vreemdeling: “het is avond, kom binnen.“ Het geeft wellicht aan dat juist dan, wanneer wij het gevoel hebben dat het in de wereld op een einde loopt, dat de wereldgeschiedenis haar einde tegemoet gaat, er alle reden is om aan te dringen: “Here Christus laat uw heerlijkheid ons zien en… laat ons U volgen, zo zoals U het wilt.“ Ja dit gedeelte is geschreven voor apocalyptische tijden. Als veel ons ontvalt hebben wij de Schriften, hebben wij Christus, de Pantocrator.
  
Wij staan, ook als de kerk ons zou ontvallen, in de traditie van het voorgeslacht dat daaruit leefde! Die traditie reikt van Abraham en Mozes tot Jesaja en Daniël, tot de Nieuw Testamentische gemeente, de vroege kerk, de Reformatie en het Réveil. Wij, ja op ons rust de taak, juist nu er zoveel opgedolven kan worden door veel studie om wat opgedolven kan worden, te verwerken en een antwoord te geven op de - vergeef me het woord - de uitdaging van nu, dat wil zeggen van een tijd waarin wij ons niet zomaar meer gedragen weten door een kérk.

Nogmaals: Confiteor - ik belijd
Het is een moeilijke weg. Een moeizame weg.
Maar wel een beloftevolle weg. Wie is beter af dan hij die straks binnen zal komen en te horen zalkrijgen, na zoveel arbeid, soms tot in hoge ouderdom toe: “Kom binnen gij gezegende des Heren, omdat u trouw geweest bent!“Deze vergezichten vindt u in het boek Confiteor. En dit vergezicht doet ons moed vatten om te doen waartoe Aalders óns oproept: trouw te zijn, desnoods alleen. Confiteor betekent: “Ik belijd.“
  
Het boek eindigt met de woorden: “dare to be a Daniel, dare to be alone.“ Durf een Daniël te zijn, durf desnoods alleen te staan! Het is de weg geweest van Kaj Munk en van Dietrich Bonhoeffer en van Kierkegaard en van Hamann en van Groen van Prinsterer en van Kohlbrugge. Gezegend hij die zijn naam bij de húnne kan voegen.

Zo zij het. Ik dank u.