Terug naar Ecclesianet.nl

Boekbespreking: M.D. Geuze, De gave van de profetie

Door Drs. Barnhoorn, Nunspeet

Opnieuw ligt een publicatie van de hand van Drs. M.D. Geuze, een van de dienstdoen­de predikanten in ons goede Nunspeet, vóór ons. Ds. Geuze heeft in de loop der jaren verscheidene brochures het licht doen zien, waarvan ik er in ons blad twee besproken heb, t.w.: "De Zegen van Pinksteren" (1998) en: "Onze hoop: de Redder komt als Rechter" (2000). In deze brochures, die aan uiteenlo­pen­de thema's zijn gewijd, leren wij Ds. Geuze kennen als een gedreven mens. Een gedreven­heid, die, kenmerkend voor zijn pastoraat, b.v. ook tot uiting komt in de grote nadruk, die het gebedsleven bij hem krijgt, en in de Open Brief over het herstel van Christus' gemeente, die, destijds ook in "De Waarheids­vriend" afge­drukt, landelijke bekendheid heeft gekregen.
In november j.l. werd mij door Uitgeverij Gideon te Hoornaar een exemplaar van Geuze's nieuwste ontwerp toegezonden, met het verzoek er in "Ecclesia" aandacht aan te besteden. Ditmaal geen brochure, maar een omvangrijker publicatie van 166 pagina's, getiteld: Profetie. Onmisbaar voor de christe­lijke gemeente en door de uitgever gepresenteerd als "een welkome studie over een miskende gave en een vergeten opdracht" *.
Wie met de pennenvruchten van Ds. Geuze is vertrouwd, zal ontdekt hebben, dat het hem in zijn publicitaire arbeid er steeds om te doen is, de gemeente te bepalen bij thema's, die de Kerk in de loop der eeuwen zo niet geheel heeft laten liggen, dan toch min of meer verwaarloosd heeft. "Onbetaalde rekenin­gen", die haar nu gepresen­teerd worden. Onbetaalde rekeningen? Is dat niet te boud gesproken? En de Reformatie dan? Is ons in haar niet alles geschonken, wat de Kerk zich maar wensen kan? Deze vraag wordt ook in het pas verschenen boek van Ds. Geuze gesteld, en wel in het "Woord Vooraf", dat door de onlangs overleden hoogleraar Prof. Graafland is geschreven. Deze nu is van oordeel, dat er "ook toen" - dus in de tijd van de Hervorming - "belangrijke facetten van de Bijbel onopge­merkt en dus onbespro­ken bleven". En als voorbeeld noemt hij de gaven van de Heilige Geest. Vandaar dat hij er zijn blijdschap over uitspreekt, dat mensen als Ds. Geuze hiervoor oog gekregen hebben.

Onder deze gaven van de Geest neemt de profetie een belangrijke plaats in. Een plaats, in het oog van Ds. Geuze zó belangrijk, dat hij zich uitvoerig in een en ander heeft verdiept. Het resultaat van zijn studie heeft hij in het nu verschenen boek neergelegd. Een boek, dat, zoals wij van hem gewend zijn, uit een aantal Bijbelstudies is opgebouwd. Een goede opzet. "Sola Scriptu­ra": alléén de Schrift, zoals de Hervormers zeiden.

Nu gaat het uiteraard niet aan, deze Bijbelstu­dies stuk voor stuk uitvoerig te bespreken. Dat zou een teveel aan plaatsruimte vergen. Wel zou ik echter een hardnekkig misver­stand, dat nog steeds bij veel Bijbelle­zers leeft, uit de weg willen ruimen. Bij het Bijbelse woord "profetie" moeten wij niet - in elk geval niet in de eerste plaats - aan "voorspellen" denken. En ook het werk van de prediking wordt er niet mee aangeduid. Het gaat hier om het uitdragen van een boodschap, die men van Godswege ontvangen heeft, een "spreken voor Gods rekening", om met de titel van een bekend boek te spreken.

Dat wij hier een terrein vol voetangels en klemmen betreden, valt niet te loochenen. De geschiedenis heeft tal van valse profeten voortgebracht. En het is alleszins begrijpelijk, dat de Kerk, met dergelijke mensen geconfron­teerd, voor het verschijnsel "profetie" huiverig is geworden, waardoor men met het badwater ook het kind heeft weggewor­pen. Maar "het gebruik heft het misbruik niet op", zoals de Romeinen ons hebben voorgehouden. Vandaar, dat ik u aanraad, u grondig in het boek van Ds. Geuze te verdiepen en het - dat vooral! - in groepsver­band, b.v. als leden van een bijbelkring, met elkaar te bespreken. De aan elk hoofdstuk van het boek toegevoegde gespreks­vragen kunnen u hierbij een uitstekende dienst bewijzen.

Kanttekeningen
Allereerst een en ander over de vormgeving. Het boek is helder geschreven, waardoor het voor een brede lezerskring toegankelijk is. Veel van wat Geuze ons te zeggen heeft illustreert hij aan de hand van niet zelden heel uitvoerige citaten, die behalve aan Nederland­se vrijwel uitsluitend - hoe veelzeggend! - aan Engelse publicaties zijn ontleend. Al citerend echter valt hij de door hem aangehaalde auteurs meermalen in de rede valt door een in zijn ogen noodzakelijke correctie aan te brengen, hetgeen het lezen er niet gemakkelij­ker op maakt.

Met betrekking tot de - weinig gevarieerde - woordkeus van de schrijver bepaal ik mij tot de opmerking, dat de veelvuldig door hem gebezigde uitdrukking openbaar komen - een woord, ontleend aan de "kanaänietische" sprake en in reformatorische kringen kennelijk even onuitroei­baar als de heidense goden in het Kanaän van weleer - door openbaar worden moet worden vervangen.

De beoordeling van de inhoud van een boek als Geuze's Profetie hangt uiteraard in belangrijke mate af van de reikwijdte, die men toekent aan de geestesga­ven, die de Nieuw-Testamentische gemeenten waren toebedeeld. Is men van mening, dat deze alleen in de tijd van de apostelen c.q. de Vroege Kerk gevonden werden of gaat men er, met de schrijver, van uit, dat zij de Kerk als een blijvend bezit geschon­ken zijn?

Met Geuze ben ik, althans tot op zekere hoogte, van mening, dat het laatste het geval is, maar zijn exegese - op pag. 41 - van de woorden "zij zullen profeteren" in Handelingen 2 : 18 acht ik als bewijsplaats voor deze opvatting te enen male onjuist. Hij stelt namelijk, dat de profetie van Joël 2 : 28v. (over de uitstorting van de Heilige Geest op de dienstknechten en dienstmaagden) "van kracht blijft voor alle "laatste dagen", tot de terugkomst van de Heere Jezus". En hij beroept zich dan op de woorden "zij zullen profete­ren", door Petrus in zijn Pinksterpreek "veelbeteke­nend" (Geuze) aan Joëls voorzegging toege­voegd (Hand. 2 : 18). Maar houden deze woorden van Petrus (die in een aantal handschriften, waaronder de Codex Bezae, ontbreken!) wel een voorzeg­ging van een blijvende werking in? Naar mijn mening is dit beslist niet het geval en moeten zij als een nadere uitwerking van Joëls profetie gezien worden. De voorzeg­ging, dat ook het dienstpersoneel in de laatste dagen zal profeteren, is op het Pinksterfeest in vervulling gegaan.

"Verversching"
Eveneens op pagina 41 bepaalt Geuze ons bij de grote rol, die het profetisch optreden van vrouwen in het Nieuwe Testament vervult: "Vrouwen mogen in de gemeente bidden en profeteren - een boodschap doorgeven die ze van God ontvangen (I Corinthe 11 : 5)". Hier worden wij geconfronteerd met één van die "belangrijke facetten in de Bijbel", die in de tijd van de Hervorming "onopgemerkt en dus onbespro­ken" (Graafland) zijn gebleven: de onbetwistbare gelijkwaar­digheid van man en vrouw als Gods profetisch instrumentarium ten dienste van de gemeente. Dit doet de vraag bij ons opkomen, hoe men in het licht van een zo uiterst belangrijk gegeven - de vrouw als "een profetisch vat van de Heilige Geest" (een citaat uit On Spiritual Gifts van E.O. Taplin) - er nog aan kan vasthouden, dat alleen mannen door God geroepen worden de gemeente als ambtsdrager te dienen. De opmerking, in dit verband door Geuze zelf naar aanleiding van I Cor. 14 : 34 - 36 gemaakt, brengt ons in elk geval niet verder.

Dit brengt ons als vanzelf tot een vraag van wijder strekking. Als "discipel van het Koninkrijk der hemelen" (Mattheüs 13 : 52) weet de dienaar van het Woord zich geroe­pen om "uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen te voorschijn te brengen" (let wel: de nieuwe dingen worden vóór de oude genoemd!) en zich dus te allen tijde open te stellen voor de "onfeilb're profetieën van Gods vast getuigenis" (Da Costa) als openbaring in het hier-en-nu. Houdt dit niet in, dat men het als vóór-ganger een heilige plicht moet achten, de gemeente bij voortduring te wijzen op het feit, dat men zich door hardnekkig aan overgeleverde vormen vast te houden verzet tegen de Heilige Geest, die, volstrekt souverein als Hij is, "wegen schrijft in de tijd", en dat een geloof, dat zich voor een voortgaande openbaring afsluit, in feite een dood geloof is? In dit verband zou ik collega Geuze met nadruk willen wijzen op de figuur van Da Costa, die, met een open oog voor de profecyen, herhaalde­lijk heeft gewezen op de noodzaak van, zoals hij zei, een verversching van het erfgoed, dat ons het voorgeslacht is nagelaten.

Wij moeten eindigen. Het zal de lezers van ons blad duidelijk zijn, dat wij het boek van Ds. Geuze hartelijk ter lezing en - dat vooral! - ter bespreking aanbevelen, terwijl wij de schrijver zelf een ruime verspreiding en een zegenrijke werking van zijn pennenrucht toewensen.

*) Het boek kost € 9,90 en is onder ISBN-nummer 90-6067-841-9 in elke goede boekhandel verkrijgbaar.