Terug naar Ecclesianet.nl

De 'twee naturen' van de schrift

Dr. R. Fernhout, Ecclesia 86e jaargang 1995, nr. 16 (blz.125-127), nr. 17 (blz. 131-133), nr. 18 (blz. 138-139).
(Referaat, gehouden 4 maart 1995 op de jaarlijkse conferentie van de ‘Kring van vrienden van Kohlbrugge’ in de Marcuskerk te Utrecht).

Inleiding
Van oudsher is in de Kerk geloofd dat de schrijvers van de boeken van de Bijbel door de Heilige Geest werden geïnspireerd. Dit geloof bracht met zich mee de overtuiging dat deze schrijvers geen fouten gemaakt kunnen hebben. Natuurlijk heeft men daar vroeger ook wel moeite mee gehad, maar dan beriep men zich op een woord van Augustinus, die ooit gezegd heeft dat hij teveel eerbied kende voor de Heilige Schrift om aan te kunnen nemen dat de schrijvers ervan zich in enigerlei opzicht vergist zouden hebben. Mocht iets toch in strijd met de waarheid schijnen, dan moest volgens Augustinus de oorzaak daarvan elders gezocht worden, bijvoorbeeld in het eigen onbegrip (Ep, LXXXII (1), 3 (CSEL 34, 3541-2)). Een echo van de woorden van Augustinus horen we bij Kohlbrugge, wanneer hij schrijft: ‘Wel schaam ik mij soms voor God, dat mij dit of dat niet helder is — maar aan de meeste schijntegenstrijdigheden stoot ik mij niet; — erg genoeg dat ik zoo dom ben, dat ik alles niet vat’.*1*De jongere vriend en leerling van Kohlbrugge, Johannes Wichelhaus, heeft ons een verhandeling nagelaten onder de titel ‘Die Lehre der heiligen Schrift’*2*. Daarin betuigt ook hij, dat de schrijvers van de Bijbelboeken zich niet hebben kunnen vergissen. Wichelhaus stelt de vraag: ‘... of dan ook de Heilige Geest hen die schreven geheel en al voor dwaling en fouten bewaard heeft? Antwoord. Zo zeker als de Heilige Geest niet met zich laat spotten en zich niet laat bedillen en de arglistigheid van de mensen kent’ (blz. 294).
Deze klassieke opvatting was in de dagen van Kohlbrugge en Wichelhaus al lang geen gemeen goed meer onder de theologen. Wat was er ondertussen veranderd? Dat kan het beste geïllustreerd worden met de titel van een geschriftje van G.E. Lessing uit het einde van de achttiende eeuw: ‘Nieuwe hypothese over de evangelisten, beschouwd als zuiver menselijke geschiedschrijvers’. De inhoud van het geschriftje laat ik hier verder rusten om ons te bepalen tot de titel, want daarin schuilt het venijn. Lessing wil de Bijbelboeken, in dit geval de evangeliën, bestuderen op precies dezelfde wijze als men andere schriftelijke documenten uit het verleden bestudeert. Hij ontkent niet dat de Heilige Geest er iets mee te maken heeft, maar bij de wetenschappelijke bestudering van de Bijbel mag dat geen rol spelen. De schrijvers zijn mensen geweest van hun eigen tijd, behept met de al of niet juiste opvattingen en inzichten van die tijd en, uiteraard, mensen die zich al schrijvend konden vergissen, zoals nu eenmaal ieder auteur zich kan vergissen. Het hoeft geen betoog dat deze opvatting, waarvan ik Lessing slechts als voorbeeld aanhaal, een ware zegetocht ten deel is gevallen op het terrein van de wetenschappelijke bestudering van de Bijbel. Deze zegetocht gaat in feite nog steeds door en heeft zulke indrukwekkende en schijnbaar onaanvechtbare resultaten opgeleverd, dat ook zij van wie het hart uitgaat naar de klassieke opvatting, zich er nauwelijks aan kunnen onttrekken, om niet te zeggen erdoor in verlegenheid gebracht worden.
Hoe is deze zegetocht mogelijk geweest? Hoe kan het, dat een wijze van bestuderen van de Heilige Schrift, die het werk van de Heilige Geest buiten beschouwing laat, zó voorspoedig kon zijn? Hoe is dit mogelijk, niet als historisch verschijnsel — want dat is betrekkelijk makkelijk na te gaan — maar vanuit de Schrift zèlf, gezien de eigen aard van de Schrift. Dat is de vraag die ons thans, en die mij eigenlijk al geruime tijd, bezighoudt. Ik wil er ook meteen het antwoord op geven: Het was en is mogelijk omdat de Heilige Schrift lijkt op Jezus Christus. Dit vormt ook de reden voor de titel van dit referaat. Jezus Christus had, zo leert de Kerk, twee naturen. Hij was God en mens tegelijk, zo kan men zeggen dat ook de Heilige Schrift ‘twee naturen’ heeft, zij is goddelijk en menselijk van aard, omdat zij het product is van de Heilige Geest en van een menselijke schrijver. Ik heb de woorden ‘twee naturen’ echter wel tussen aanhalingstekens gezet, want de Schrift lijkt wel op Jezus Christus maar is, uiteraard, niet gelijk aan Hem.
Om nu met elkaar na te gaan wat deze ‘twee naturen’ van de Schrift met het oog op de door mij gestelde vraag betekenen, wil ik met u de opvattingen bijlangs gaan van enkele belangrijke personen uit de geschiedenis van de Kerk, die deze overeenkomst tussen Jezus Christus en de Schrift verdedigd hebben, en wel achtereenvolgens Origenes, Luther, Herman Bavinck en Karl Barth. Daarna wend ik mij tot Kohlbrugge bij wie we, voorzover ik kon nagaan, deze overeenkomst niet aantreffen, maar die er wel een bijzonder licht op werpt. Tenslotte eindigen we met de verrassende conclusie van een werk van een befaamd hedendaags nieuwtestamenticus, B.M. Metzger.

Origenes
We beginnen met Origenes, die in 253-254 is omgekomen tengevolge van martelingen waaraan hij tijdens een christenvervolging onderworpen was geweest. Origenes neemt een wat merkwaardige plaats in de geschiedenis van de Kerk in. Hij is tweemaal alas ketter veroordeeld, maar desondanks heeft zijn visie op de Heilige Schrift en zijn wijze van uitleg een grote invloed uitgeoefend. Hij is de eerste geweest die zoiets ontwikkeld heeft als een ‘leer’ van de Heilige Schrift. Origenes ging uit van een groot verschil tussen de hogere, geestelijke werkelijkheid en de lagere, stoffelijke of lichamelijke werkelijkheid. Jezus Christus hort als het Woord van God bij die hogere geestelijke werkelijkheid. Om aan ons mensen, bevangen in het stof, die geestelijke werkelijkheid te doen kennen, heeft Hij echter zelf, volgens Origenes, een stoffelijk lichaam aangenomen. Dat lichaam openbaart Hem, want zo komt Hij tot ons, maar het verbergt Hem tegelijkertijd, want het lichamelijke kan nu eenmaal nooit ècht het geestelijke onthullen. Hetzelfde geldt nu voor de Heilige Schrift. ‘Het Woord’, aldus Origenes, ‘is voortdurend vlees geworden in de Schriften, zodat het onder ons kon wonen’ (Philoc. XV,19). Maar tegelijkertijd is het Woord ook verborgen in de letter van de Schrift evenals het verborgen is in Jezus in het vlees. De letter van de Schrift kan, zo zegt Origenes, nooit meer zijn dan een ‘schaduw’ van de werkelijkheid waarnaar zij verwijst (MPG. 13,944A). Om desondanks in de Schrift het Woord zelf te leren kennen, hebben wij volgens Origenes een ‘geestelijke’ uitleg nodig, waarop ik nu niet verder kan ingaan.
Zo schuilt er volgens deze eeste leer aangaande de Heilige Schrift, een geweldige spanning tussen enerzijds de openbaring in de letter van de Schrift en anderzijds verberging in diezelfde letter van de Schrift. Deze spanning kan bij Origenes tot een enorm voltage oplopen. Dat blijkt uit het volgende. Origenes gaat er, evenals nagenoeg iedere uitlegger van de Schrift tot aan de nieuwste tijd, vanuit dat de Bijbelschrijvers zich nooit hebben vergist. Hoewel de feitelijke gebeurtenissen die ze verhalen, behoren tot de lagere werkelijkheid, die van het lichaam en van de stof, geven de Bijbelschrijvers ze volgens Origenes tòch correct weer en hij heeft zelfs wetenschappelijk onderzoek verricht om dat aan te tonen. Maar soms, aldus Origenes, waren de schrijvers hiertoe niet in staat. De geestelijke waarheid die ze ons willen meedelen, staat zo haaks op wat er feitelijk, tastbaar en zichtbaar gebeurd is, dat zij wel aan die feiten moesten sleutelen, ze zelfs min of meer moesten vervormen. Ze waren met Origenes' eigen woorden, ‘gedwongen de geestelijke waarheid te laten verblijven in, wat men kan noemen, een lichamelijke leugen’ (Comm. in Jo. X,20) Het lijkt een beetje op wat Bertus Aafjes eens gezegd moet hebben: ‘Dichters liegen de waarheid’.
Nu ligt het denken van Origenes, in het bijzonder zijn tegenstelling tussen geest en stof, ver van ons, en terecht. Eén ding kunnen we echter van hem leren. Als Gods Woord, hetzij in Jezus Christus, hetzij in de Heilige Schrift, in de wereld van ons mensen verschijnt, dan hoeft het aan menselijke maatstaven gemeten geen indrukwekkend woord te zijn. Het schijnt zelfs in zijn tegendeel te kunnen verkeren: eenm leugen. Dat hoort bij wijze van spreken, bij de openbaring. Daarom moeten we ook voorzichtig zijn met alle naieve pogingen om aan te tonen dat de Bijbel volgens menselijke maatstaven toch gelijk heeft. Kohlbrugge heeft met betrekking tot zulke pogingen eens gezegd: ‘mij als een geleerde neer te zetten en te zeggen: zoo zit die zaak in elkaar — en dat tegenover ... (en dan noemt hij een paar Schriftcritici van zijn dagen*3*) — dat is mij te heiligschennend.’*4* Anders gezegd, juist de heiligheid van de Schrift moet ons weerhouden van apologetisch geknutsel.

Luther
Bij Maarten Luther vinden we uitdrukkingen die heel sterk doen herinneren aan Origenes. Luther spreekt echter een andere geestelijke taal dan Origenes, niet meer de taal van de tegenstellingen tussen eigne gerechtigheid en genade. In een uitleg van Psalm 22, de lijdenspsalm, staat Luther stil bij de woorden ‘Maar ik ben een worm en geen man’ (vs. 7). Dan schrijft hij: ‘De Heilige Schrift is Gods Woord, geschreven en, bij wijze van spreken, gespeld en weergegeven in letters, zoals Christus het eeuwige Woord van God is, verborgen in zijn mensheid.’ Daarom moet de Heilige Schrift volgens Luther in deze wereld ook wel hetzelfde lot ondergaan als Christus: ‘Zij is een worm en niet boek zoals andere werken’ (WA 48,31 (no.364-8)). Hoe beslissend de Heilige Schrift ook is geweest in het leven van Luther — of wellicht daarom —, zijn Schriftbeschouwing is een Schriftbeschouwing van het kruis en niet een Schriftbeschouwing van de glorie. In de Heilige Schrift komt Christus naar ons toe, niet in zijn verhoging, maar in zijn vernedering.
Vaak haalt men Luthers vrijmoedige opmerkingen over de Brief van Jakobus aan als blijk van zijn vrije houding tegenover de Heilige Schrift. Er zijn echter, geheel daargelaten hoe we zijn opmerkingen over deze brief moeten verstaan, ook heel andere uitspraken van Luther over de Schrift aan te halen. Hij stemt uitdrukkelijk in met bovenvermelde opvatting van Augustinus, dat we aan de Bijbelschrijvers geen vergissingen mogen toeschrijven (WA 102,1954-8). Met een steek onder water naar de rooms-katholieke heiligenverering zegt hij, dat heiligen bij hun schrijven kunnen dwalen, maar ‘de Schrift kan niet dwalen’ (WA 8,48519-21). Hij zet dus duidelijke de traditionele opvatting voort. Maar, aldus Luther, diezelfde Schrift moet wel een aanstoot vormen niet slechts voor ongelovigen, maar in het bijzonder voor hen die zichzelf als vroom beschouwen en hun gerechtigheid in zichzelf zoeken. We horen de onthutsende waarschuwing: ‘Zoals de wijsheid Gods verborgen is onder de schijn van dwaasheid en de waarheid onder de gestalte van de leugen, zo komt ook het Woord Gods, zo vaak het komt, in een gestalte die rechtstreeks ingaat tegen onze geest, welke zich inbeeldt op de waarheid bedacht te zijn.’ (WA 56,44631-33)
Bij de laatste woorden willen we nog even stilstaan. Het is opmerkelijk dat Luther spreekt over onze inbeelding dat wij op de waarheid bedacht zijn. Luther stond namelijk zeer wantrouwig tegenover mensen, die er zo hoog van opgeven dat zij niets anders dan de waarheid zoeken. Hij doorziet de zogenaamde hartstocht voor de waarheid als een verfijnde vorm van eigengerechtigheid. Vandaar ook zijn argwaan ten opzichte van het menselijk verstand, dat zich altijd weer als onbevooroordeeld scheidsrechter opwerpt aangaande vragen van waar en onwaar. Hij noemt het verstand ‘de hoer van de duivel’ (WA 18,16425). Aan een vriend schrijft hij dat, wanneer we tot werkelijk verstaan van de Schrift willen komen, wij elke ‘verstandelijke redenering’ moeten laten varen (WA Br. 1,14912-13). De uitlatingen zijn van een eenzijdige scherpte, zoals we die zo vaak bij Luther aantreffen. Bij zijn eigen uitleg van de Schrift heeft hijzelf ook werkelijk wel zijn verstand gebruikt. De echte uitlegger van de Schrift kan volgens Luther echter nooit ons verstand zijn, maar de Heilige Geest die juist in dit voor ons verstand aanstootgevende boek — ‘een worm’ — ons het Woord van God laat horen.

Bavinck
We maken weer een reis door de geschiedensi om terecht te komen bij Herman Bavinck, hoogleraar eerst aan de Theologische Hogeschool te Kampen en daarna aan de Vrije Universiteit, schrijver van onder veel meer een vierdelige Gereformeerde Dogmatiek*5*. Opgegroeid in een predikantengezin uit de kerken van de afscheiding, ging Herman Bavinck theologie studeren in Leiden, waar destijds in de theologie het radicale modernisme met zijn roemruchte voorlieden J.H. Scholten en A. Kuenen, toonaangevend was. Daar is Bavinck ongetwijfeld hardhandig in aanraking gekomen met de moderne Schriftbeschouwing die zo totaal verschilde van wat hij van huis uit had meegekregen. Bavinck heeft zich niet tot het modernisme laten bekeren, maar hij heeft wel de worsteling gekend die de confrontatie van resultaten van moderne wetenschap met wat de Heilige Schrift zegt, oplevert. Dit temeer omdat hij zich niet wilde opsluiten in een zogenaamd ‘schriftgetrouw’ isolement, maar juist een grote openheid toonde voor wat zich elders op het gebied van de wetenschap voordeed. Daarom was ook elk gemakkelijk antwoord op de problematiek die de Heilige Schrift in het licht van de moderne wetenschap oproept, hem vreemd.
Dan zien we Herman Bavinck dezelfde weg gaan als, in zo geheel andere omstandigheden, Maarten Luther en tot antwoorden komen die aan Luther ontleend zouden kunnen zijn. Het is de vraag of hij dit zelf beseft heeft, want hij noemt Luther in dit verband niet, evenmin als Luther Origenes noemde. Het is blijkbaar niet zozeer de afhankelijkheid van een voorganger die de antwoorden bepaalt, als wel de Heilige Schrift zelf, die juist in zulke conflictueuze situaties haar eigen aard onthult. Bavinck schrijft: ‘Christus is vlees geworden, een dienstknecht zonder gedaante of heerlijkheid, de verachtste onder de mensen... En zo is ook het woord, de openbaring Gods ingegaan in het creatuurlijke, in het leven en de historie van mensen en volken, in alle vormen van droom en visioen, van onderzoek en nadenken, tot zelfs in het menselijk zwakke en onedele toe; het woord is schrift geworden en heeft zich als schrift aan het lot van alle schriften onderworpen’ (GD I,405). Evenals bij Luther vinden we dus bij Bavinck een Schriftbeschouwing van het kruis; de Schrift weerspiegelt Christus' staat van vernedering. Elders schrijft hij: ‘Christus heeft een kruis gedragen en een dienstknecht is niet meer dan zijn heer. De Schrift is de dienstmaagd van Christus. Zij deelt in zijn smaad. Zij roept de vijandschap op van de zondige mens’ (GD I,411).
Dit betekent ook voor Bavinck niet, dat hij breekt met de oude traditie, dat de Schrift vrij is van dwalingen. Ook in dit opzicht handhaaft hij de overeenkomst tussen de Schrift en Christus' vernedering. Hij zegt: ‘Gelijk het menselijke in Christus, hoe zwak en nederig ook, toch van het zondige vrij bleef, zo is ook de Schrift sine labe concepta (d.w.z. “onbevlekt ontvangen“)’ (GD I, 406). Desondanks geeft Bavinck eerlijk toe, dat de Schrift wel aanleiding geeft tot veel twijfel. Voor Bavinck is dit echter niet een pijnlijke bijkomstigheid, maar het hoort heel wezenlijk bij de ontmoeting tussen de Heilige Schrift en een zondig mens. Wij zullen ons vertrouwen niet stellen op een Schrift die naar menselijke maatstaven perfect is, maar op de Here zelf die in deze nederige gestalte tot ons wil komen. Zó wordt menselijk verstand en inzicht beschaamd gemaakt. In dit verband horen we hem, als iemand die kennelijk zelf heeft ondergaan wat hij beschrijft, zeggen: ‘Er is geen enkele gelovige, die niet op zijn wijze de tegenstelling heeft leren kennen tusschen de “wijsheid van de wereld“ en de “dwaasheid Gods“.’ (GD I,412)*6*.

Barth
Na Bavinck maken we een wat kortere reis door de geschiedenis en komen we bij iemand die gedurende een groot aantal jaren nog een tijdgenoot van Bavinck is geweest, namelijk Karl Barth. De Schriftbeschouwing van Barth — andere theologische opvattingen van hem laat ik rusten — is van orthodoxe zijde vaak fel bekritiseerd en wel om twee redenen. De eerste reden is dat de Heilige Schrift volgens Barth niet zelf Gods Woord is, maar dat de Here God in de Heilige Schrift, telkens wanneer Hij dat wil, zijn Woord laat horen. Ik ben het ten dele eens met deze kritiek, maar vraag mij wel af of de opvatting van Barth nu in feite zoveel verschilt van de klassieke Gereformeerde opvatting dat de Heilige Schrift pas als Gods Woord wordt verstaan als de Heilige Schrift pas als Gods Woord wordt verstaan als de Heilige Geest het hart daarvoor opent. Een tweede verwijt aan het adres van Barth is altijd geweest, dat zijn Schriftbeschouwing de poort wijd opent voor Schriftkritiek. Ik vermoed dat men Barth in dit opzicht niet juist heeft begrepen; we zullen er straks op terugkomen. Hier zij echter reeds gezegd, dat als er één groep is die van het begin af aan tot nu toe met de Schriftbeschouwing van Barth niet uit de voeten heeft gekund, het juist de Schriftkritische uitleggers zijn.
Ter kenschetsing van de existentiële achtergrond van Barths Schriftbeschouwing wil ik graag een bekend gedeelte aanhalen uit het voorwoord van de tweede uitgave van zijn commentaar op de Brief aan de Romeinen. ‘Ik weet,’ zo zegt Barth, ‘wat het betekent jaar in jaar uit de kansel op te moeten gaan, (de Heilige Schrift) te moeten en te willen verstaan en verklaren en het tòch niet te kunnen, omdat men ons op de universiteit ongeveer niets anders had bijgebracht dan de beroemde “eerbied voor de geschiedenis“, die ondanks de mooie uitdrukking eenvoudigweg een afzien betekent van elk ernstig, eerbiedig verstaan en verklaren (van de Heilige Schrift) ... Jawel, uit de nood van mijn taak als predikant ben ik ertoe gekomen, meer ernst te maken met het willen verstaan en verklaren van de Bijbel.’*7* Eén van de werken die door Barth is geraadpleegd om tot een nieuw verstaan van de Schrift te komen is de reeds door mij genoemde verhandeling geweest van Kohlbrugges leerling Wichelhaus over de ‘Leer van de Heilige Schrift’ (KD I/2, 544). Trouwens toen ik zelf dit werk van Wichelhaus las, vielen mij zoveel overeenkomsten op met de theologie van Barth, dat het de moeite waard zou zijn eens na te gaan in hoeverre Barth door Wichelhaus beïnvloed is.
De Here God heeft zich, aldus Barth, midden in de geschiedenis geopenbaard in Jezus Christus, zijn Zoon en zijn Woord. De schrijvers van de Bijbel hebben deze openbaring op een heel bijzondere wijze meegemaakt en zij leggen door de Heilige Geest in hun geschriften daarvan getuigenis af. In de schriften van het Oude Testament getuigen ze van de Jezus Christus die zij verwachten en in het Nieuwe Testament van de Jezus Christus die zij zich herinneren. De Heilige Schrift is dus niet zèlf openbaring, maar zij is een getuigenis van de openbaring. Daarom moeten we, volgens Barth, ook niet menen dat we door wetenschappelijke bestudering van de Bijbel Gods openbaring in onze greep kunnen krijgen. Maar wanneer we eerbiedig luisteren naar dit getuigenis van profeten en apostelen, dan mogen we op grond van zijn belofte, verwachten dat God zèlf de Schrift tot openbaring maakt. God zelf gebruikt de Heilige Schrift als middel om aan ons evenals aan hen zijn eeuwige Woord, Jezus Christus te laten horen. Dan valt de afstand in de tijd en plaats tussen ons en die eerste getuigen weg, want we horen dezelfde Christus, sterker nog, de kloof tussen tijd en eeuwigheid valt weg want wij horen met hen hier en nu het eeuwige Woord van God. En dan blijkt er volgens Karl Barth een duidelijke overeenkomst te zijn tussen de Heilige Schrift en Jezus Christus. Hij komt tot de volgende krasse uitspraak: ‘(De Heilige Schrift) is op haar eigen wijze en in haar eigen maat waarlijk God en waarlijk mens, d.w.z. getuigenis van de openbaring dat ook zèlf tot de openbaring behoort en een litterair document uit de geschiedenis door bepaalde mensen geschreven.’ (KD I/2, 555)
Dan komt de onvermijdelijke vraag die we tot nu toe telkens hebben gesteld: Wanneer die menselijke getuigen op bijzondere wijze door de Geest van God tot schrijven zijn gebracht, wat voor gevolgen heeft dat dan voor het concrete woord van de Schrift? Anderen hebben zich wel eens uit de problemen willen redden door te zeggen dat de boodschap van de Schrift weliswaar door de Heilige Geest is ingegeven, maar dat de manier waarop die boodschap onder woorden is gebracht geheel en al het werk is van de menselijke schrijvers, met al hun fouten en beperktheden. Anders gezegd, de inhoud zou van de Heilige Geest zijn, de woorden van de mens. Barth verzet zich met klem tegen deze opvatting. Het getuigenis is zijns inziens niet los verkrijgbaar van de woorden waarin dit getuigenis vervat is. Hierin kiest hij dus voor de traditionele opvatting dat de inspiratie door de Heilige Geest zich uitstrekt tot op de concrete uitdrukking en het concrete woord toe, ofwel Barth aanvaardt de ‘woordelijke inspiratie’ (KD I/2, 575). Tegelijkertijd staat Barths visie echter haaks op de traditionele opvatting. In het verleden heeft men namelijk, zoals we zagen, aan de ‘woordelijke inspiratie’ altijd de conclusie verbonden dat de Bijbelschrijvers zich niet hebben kunnen vergissen. Deze conclusie nu onderschrijft Barth niet. Integendeel, de opvatting dat de Heilige Schrift zonder fouten zou zijn, omdat ze door Gods Geest geïnspireerd is, heeft hij fel, en niet altijd even billijk, bestreden. Dus wèl woordelijke inspiratie, maar tegelijkertijd óók fouten en vergissingen.
Hoe komt Barth daarbij? De Schrift zelf leert volgens hem, dat alle mensen feilbaar zijn. Hij noemt de tekst niet, maar we zouden, bijvoorbeeld, kunnen denken aan wat Paulus schrijft in de Brief aan de Romeinen: ‘... het blijve: God waarachtig en ieder mens leugenachtig’ (Rom 3,4). Uiteraard wist men dat vroeger ook wel, maar zodra het ging om de Bijbel dan werd de feilbaarheid van de schrijvers als het ware even tussen haakjes gezet. Volgens vreogere theologen hief de Heilige Geest de feilbaarheid van de Bijbelschrijvers op wanneer zij schreven, zodat ze geen fouten of vergissingen konden maken. Dit nu ontkent Karl Barth ten enenmale. Zo werkt de Heilige Geest niet volgens hem. We moeten aan de Bijbelschrijvers geen onfeilbaarheid toeschrijven, maar juist integendeel aannemen dat zij, naar het getuigenis van de Schrift, zich niet alleen in ieder woord kònden vergissen, maar zich ook in ieder woord hèbben vergist (KD I/2, 588). De radicaliteit van dit laatste mag ons niet ontgaan. Barth heeft niet, zoals de orthodoxe critici hem hebben verweten, geleerd dat er hier en daar in de Schrift wel eens een vergissing kan voorkomen, maar dat de Heilige Schrift naar haar menselijkfe zijde één en al vergissing is.
De spanning die we al bij Origenes constateerden is bij Barth tot een huiveringwekkend uiterste opgelopen. Volgens Origenes moesten de Bijbelschrijvers de geestelijke waarheid wel eens weergeven in een lichamelijke leugen. Barth vermijd weliswaar het woord leugen, maar toch, de Bijbelschrijvers kunnen van het eeuwige Woord van God, ondanks de ‘woordelijke inspiratie’ niet anders getuigen dan in puur menselijke woorden en per definitie en naar hun aard er altijd ‘naast’ zijn. Maar, aldus Barth, ‘naar hetzelfde getuigenis van de Schrift hebben zij (de Bijbelschrijvers), gerechtvaardigd en geheiligd door genade alleen, juist met hun feilbare en falende mensenwoord Gods Woord gesproken.’ En dat wonder verplaatst zich volgens Barth van de feilbare en zondige lezers en hoorders van vandaag. Hij schrijft: ‘Dat wij in de Bijbel dit werkelijk wonder, het wonder van Gods genade aan zondaren, deelachtig worden, dàt (...) ligt ten grondslag aan de werkelijke waardigheid en het gezag van de Bijbel (KD I/2, 588).
Karl Barth is ver gegaan, verder dan iemand als Bavinck. Maar als je nu aan Barth zou vragen: ‘Wijs dan eens een fout of een vergissing van de Bijbelschrijvers aan,’ dan zou hij antwoorden: ‘Nee, dat gaat niet.’ Waarom niet? Schriftkritische uitleggers hebben er geen enkele moeite mee om vergissingen en fouten aan te wijzen. Maar, om aan te tonen dat iets juist of onjuist is hebben we een maatstaf nodig en waar willen we die maatstaf vandaan halen? Als reeds profeten en apostelen feilbare mensen zijn hoeveel temeer dan hedendaagse uitleggers. Om een vergissing te kunnen vaststellen zouden we, aldus Barth, aan de huidige wetenschap en het huidige wereld- en mensbeeld goddelijke wijsheid of een Salomonsoordeel moeten toekennen end at gaat natuurlijk niet (KD I/2, 564). Daarom wil Barth ook geen concrete vergissingen aanwijzen, maar slechts spreken van de feilbaarheid van de Bijbelschrijvers in het algemeen, om dat ze zondige mensen waren en bleven. Deze feilbaarheid vormt voor hem de noodzakelijke aanstoot van de Schrift en deze aanstoot wordt op geen andere wijze overwonnen dan in het geloof van hem of haar, die juist in dit feilbare mensenwoord het onfeilbare Woord van God, Jezus Christus gehoord heeft.
De ‘twee naturen’ van de Schrift staan bij Barth dus haaks op elkaar. Ze is tegelijkertijd onfeilbaar Woord van God en feilbaar woord van de mens. ‘Maar,’ zo kunt u zich terecht afvragen, ‘kunnen we dan nog wel over een overeenkomst met Jezus Christus spreken, want Jezus Christus was naar zijn menselijke natuur toch niet feilbaar?’ Barth aarzelt inderdaad wat in dit opzicht. Hij geeft toe dat de overeenkomst tussen de twee naturen van de Schrift en die van Jezus Christus maar in beperkte mate opgaat. Hij zou het Bavinck niet zonder meer na kunnen zeggen, dat de Schrift ondanks haar aanstootgevende nederigheid ‘onbevlekt ontvangen’ is. Toch meen ik dat Bavinck en Barth veel dichter bij elkaar staan, dan op het eerste horen lijkt, temeer daar Barth zou uitdrukkelijk afziet van elke poging om feitelijk vast te stellen dat de Schrift dwaalt en zulk een vaststelling eigenlijk ook onmogelijk acht. Wat Barth met volle inzet heeft willen verdedigen is een Schriftbeschouwing van het kruis, evenals Luther deed. En zoals Luther tot formuleringen is gekomen, waarvan je je afvraagt ‘kan dat nog wel?’ zo is ook Barth met zijn feilbaarheid van de Schrift tot een uiterste gekomen, waarvan je met enig recht kunt zeggen ‘is hij hierin niet te ver gegaan?’

Kohlbrugge
De laatste vraag (‘is Barth hierin niet te ver gegaan?’ roept een herinnering op aan soortgelijke vragen die eens aan een ander zijn gesteld en dan niet met betrekking tot de twee naturen van de Schrift, maar met betrekking tot de twee naturen van Christus zelf. Die ander was Kohlbrugge. Het is in het bijzonder zijn ‘Overdenking van het eerste hoofdstuk van het Evangelie van Matteüs’*8* geweest dat tot zulke vragen aanleiding heeft gegeven. Ik wil u een lange aanhaling uit dit werk geven om te laten zien hoever ook Kohlbrugge durfde te gaan. Het geslachtsregister uit het eerste hoofdstuk van het Evangelie naar Matteüs leert ons volgens Kohlbrugge hoe het Woord vlees is geworden, namelijk: ‘vlees van vlees geboren; niet van een vleeslijk reine geboorte, om quasi-erfzonde te bedekken, maar vlees zoals wij zijn, namelijk “niet Geest’, maar van God geheel en al vervreemd, ontdaan, uit de heerlijkheid Gods uit; begrepen in geheel dezelfde verdoemenis, of eeuwigen dood en vloek, waarin wij van onze geboorte aan zijn: overgegeven aan hem, die het geweld des doods heeft, dat is de duivel, evenals wij van huis uit. Zo is Hij voor ons geboren van een vrouw, en in dit ons gehele wezen, met alle menselijke aandoeningen, begeerten en behoeften, “zonde“ voor ons gemaakt, was Hij hier in gelijkheid van een vlees van zonde in onze plaats’ (p. 83). Is het zo vreemd dat sommigen zich afvroegen of Kohlbrugge zó nog kon belijden dat Jezus Christus een zondeloze menselijke natuur bezat? Het is dezelfde vraag als die wij aan Barth stelden, maar dan met betrekking tot de Heilige Schrift.
Een van degenen die Kohlbrugge verdedigd heeft, was Abraham Kuyper. Kuyper was een man van een geheel andere signatuur dan Kohlbrugge, maar er is in de vorige eeuw geen theoloog geweest, voor wie Kuyper zo'n hoge achting had als voor Kohlbrugge. Kohlbrugge heeft, aldus Kuyper, ‘zeer terecht gevoeld en ingezien, dat de Borg niet in onze plaats kan staan, of Hij moet er van de ontvangenis af staan, opdat, gelijk de Catechismus zegt, elke gelovige wete, dat ook zijn zonde, waarin hij ontvangen en geboren is, voor Gods aangezicht bedekt is.’ Wel vindt Kuyper dat in Kohlbrugges ‘predicatiën en enkele geschriften’ — en dan noemt Kuyper met name het geschrift dat ik zoëven aanhaalde — ‘enkele uitlatingen en zegswijzen gebezigd worden die op het kantje af gaan, en soms, door het leggen van een altoos eenzijdigen nadruk, dat kantje overschrijden.’ K. Groot, in zijn boek over Kohlbrugge en Kuyper, stemt in dit opzicht met Kuyper in. ‘Inderdaad,’ zo zegt Groot, ‘is Kohlbrugge zo hier en daar in zijn uitdrukkingswijze in “Matteüs 1“ “op het kantje af“.’ In de Bijbel zelf, aldus Groot, is dit echter ook het geval. Hij wijst op Thamar uit het geslachtsregister in het Evangelie naar Matteüs en op Rachab, de hoer. Hij vervolgt dan met: ‘De bijbel durft in zijn geschiedenisverhalen waar nodig te gaan tot aan de rand, ja tot over de rand van het naar ons menselijk gevoel ethisch toelaatbare. Dat Kohlbrugge dit in zijn exegetiseren aan de hand van Gods Woord mede durfde te doen, al gaat het tegen allen en alles in, zou ik juist een bewijs willen noemen van de grootheid van deze begenadigde theoloog.’*9*
Wellicht mogen we zeggen dat Karl Barth met zijn feilbaarheid van de Schrift tot aan de rand, zo niet tot over de rand is gegaan. De Schrift kan zich werkelijk niet vergissen evenmin als, naar het woord van Paulus, Christus zonde heeft gekend (2 Kor 5,21). Maar zoals het Woord kwam in ‘een vlees aan dat der zonde gelijk’ — en dat zijn geen woorden van Kohlbrugge maar van dezelfde Paulus — zo komt het Woord ook tot ons in een Schrift gelijk aan die van een feilbaar mens. De aanstoot is in beide gevallen dezelfde: ‘Kan uit Nazaret iets goeds komen?’ (Joh 1,46). ‘Kan zulk een Schrift Woord van God zijn?’ En toch, in déze Schrift woont, zoals reeds Origenes zei, zijn Woord onder ons. En we aanschouwen de heerlijkheid ervan, maar, zoals Kohlbrugge eens heeft geschreven van het vleesgeworden Woord, ‘door het onmogelijke heen’.*10* Zo heeft Kohlbrugge zelf verstaan wat het is dat de Here God juist ‘vlees, verkocht onder de zonde’ aanneemt. Zo is Luther na jarenlang worstelen en vechten met de Schrift en met zichzelf gestuit op de woorden: ‘De rechtvaardige zal door het geloof leven’ en op dat moment, zo schrijft hij, ‘verscheen de hele Schrift mij met een nieuw gelaat’ (wa 54, 1869-10).

Metzger
Ik wil u ook nog een modern voorbeeld geven, merkwaardigerwijs juist uit het gebied van de Bijbelwetenschap. De Amerikaan B.M. Metzger heeft een standaardwerk geschreven over de ontstaansgeschiedenis van het Nieuwe Testament. Wie enigszins op de hoogte is van het wetenschappelijk onderzoek naar het ontstaan van het Nieuwe Testament, weet hoe we hierbij van het ene probleem in het andere vallen. In de vroege Kerk is er veel verschil van mening geweest over de vraag welke geschriften al of niet tot het Nieuwe Testament behoren. Soms heeft men een geschrift als bijvoorbeeld de brief aan de Hebreeën aanvaard, omdat men ten onrechte dacht dat het door een apostel was geschreven. Als je ergens de mens, de vrome en de onvrome, aan het werk ziet, dan is het wel bij het bijeenbrengen van de afzonderlijke nieuwtestamentische geschriften in één verzameling. Metzger verhult dat ook geenszins. En tòch, zo schrijft hij, kunnen we niet zeggen dat het Nieuwe Testament, zoals wij het thans bezitten, het product is van puur menselijk en al te menselijk handelen. Integendeel, het blijken uiteindelijk de Schriften zèlf te zijn die dwars door het wirwar van menselijke beslissingen heen — Kohlbrugge zou zeggen: ‘door het onmogelijke heen’ — zich hebben doorgezet en de Kerk tot aanvaarding van hun gezag hebben gebracht. Hoe is dat mogelijk? Omdat, zo concludeert Metzger, de geschriften kennelijk iets heel bijzonders hadden. Ze waren méér dan menselijke geschriften alleen. En dan besluit hij zijn boek met de volgende regels: ‘Het woord (van God) en de Schrift zijn verenigd op zo'n manier dat ze samen een organische eenheid vormen; ze verhouden zich tot elkaar als de ziel tot het lichaam. Maar feitelijk is geen enkele vergelijking uit het rijk van onze ervaring geschikt om de relatie tussen het woord van God en de Bijbel tot uitdrukking te brengen. Die relatie is uniek; de naaste parallel is de relatie tussen de goddelijke en menselijke nain de persoon van Jezus Christus, die het vleesgeworden Woord is.’*11*

Slot
Hiermee ben ik aan het einde van mijn betoog gekomen. Het antwoord op de vraag die ik stelde zal duidelijk zijn geworden: Men kan de Heilige Schrift als een puur menselijk geschrift behandelen, omdat men ook Jezus Christus als enkel mens kon behandelen en Hem zelfs aan een kruis kon slaan. Maar wie in de Schrift dat geheel àndere heeft gehoord, kan niet anders dan zeggen dan: het Woord woont onder ons en we mogen zijn heerlijkheid aanschouwen, ‘door het onmogelijke heen’.

Noten

*1* F. Böhl, Brieven van Dr. H.F. Kohlbrugge, Veenendaal: Kool V.V., 1982 (herdr. van de uitgave van 1877), 141.
*2* Uitgegeven door A. Zahn, Stuttgart: J.F. Steinkopf, 1892 (3. Aufl.), S. 294.
*3* D.F. Strauss en F.C. Bauer.
*4* F. Böhl, Brieven van Dr. H.F. Kohlbrugge, 141.
*5* Kampen: Kok 1928-1930 (4e dr,; er is een latere herdruk).
*6* De termen tussen aanhalingstekens heeft Bavinck in het Grieks aangehaald uit 1 Kor 1,25 en 3,19.
*7* Der Römerbrief, München: Chr. Kaiser, 1925 (2. Auflage), xii-xiii.
*8* Aangehaald naar de vertaling van W.B.H. van Linschoten en J.C.S. Locher, Amsterdam: Vereeniging tot uitgave van Gereformeerde Geschriften, 1939.
*9* Kohlbrugge en Kuyper in hun wederzijdse contact, Baarn: Bosch en Keuning, 1956, 165-166.
*10* Im Anfang war das Wort, Elberfeld: Verlag der niederländisch-ref. Gemeinde, 1877, 82.
*11* The Canon of the New Testament, Oxford: Clarendon, 1987, 288.