Terug naar Ecclesianet.nl

Lessen uit De apocalyptische Christus (I)

Dr. H. Klink, Ecclesia nr. 3, februari 2002

De Russische meesterschrijver Dostojewski voert in zijn boek De gebroeders Karamazow een geestelijke van bijzondere statuur, starets Zosima, op als een van de personae dramatae. Aljosja, Dostojewski's 'held', tekende uit de mond van de starets diens laatste woorden op, die hij sprak in een kloosteronderkomen in de kleine kring van hem toegewijde leerlingen. Daarin spreekt de starets zijn diepe verwondering uit over het door God geschapen leven en in het bijzonder over de Bijbel. Ik veroorloof mij een citaat uit de mond van de lichamelijk zwakke, maar wat geest betreft zo sterke starets:

Uit mijn kindertijd heb ik ook allerlei herinneringen aan de heilige Schrift meegenomen. Als kind thuis was ik al erg nieuwsgierig naar deze geschiedenissen. Ik had destijds zelf een bijbel met prachtige plaatjes, die als titel droeg: "Honderd en vier heilige geschiedenissen uit het Oude en Nieuwe Testament". Met behulp van dat boek heb ik leren lezen. Het ligt ook nu bij me op de plank, ik bewaar het als een kostbaar kleinood.

De starets besluit zijn relaas over zijn ontmoeting en omgang met de bijbel als volgt:

Vaders en leermeesters, neem het me niet kwalijk dat ik als een kind praat over dingen die u al lang bekend zijn en waarover u mij zelf honderd keer beter en welsprekender onderricht hebt. Ik zeg dat alles uit enthousiasme, u moet me mijn tranen maar vergeven, want ik houd van dit boek!

Aan deze passage moest ik denken na het lezen van het jongste boek van dr. W. Aalders en in het bijzonder van het motto dat aan dit boek meegegeven is. Het is een gedicht over de Bijbel dat van de hand is van de moeder van de auteur, Alida Aalders-Ingwersen. Zij dichtte:

Bijbel, boek der openbaring
Van Gods gunsten, Gods gena.
Geeft ons inzicht en verklaring
Van Gods heil, Hallelujah!
Onze Bijbel is een schat!
Ach, dat ieder mens die had!

Zoals bekend is de titel van het boek De apocalyptische Christus. Volgens TeNaCH, Septuagint en Evangelie. Het verscheen eind vorig jaar bij uitgeverij Groen in Heerenveen.

Het boek van dr. Aalders is een boek over de kanon - over de Bijbel dus. Zoals de titel laat zien spreekt de auteur als het over de kanon gaat bij voorkeur over TeNaCH, Septuagint en Evangelie. In de Kerk en daarbuiten is het gangbaar om een andere terminologie te gebruiken. Doorgaans spreken we over Oude en Nieuwe Testament. Dat heeft zijn goed recht. Wat dr. Aalders ons in zijn boek evenwel wil laten zien, is dat het bijbelonderzoek van de laatste twee eeuwen het ons toelaat om meer nuances aan te brengen in het spreken over de Bijbel. Dr. Aalders maakte dat reeds in vroegere publicaties duidelijk. We hoeven maar te denken aan zijn boek over het bijbelboek Job, dat in 1979 verscheen. De titel ervan luidt: Wet, Tragedie, Evangelie. Men kan gerust zeggen dat de ondertitel van het jongste boek daar sterke overeenkomst mee vertoont. TeNaCh staat voor Wet (in de vertaling van Martin Buber Weisung), Septuagint staat voor Tragedie. Alleen het woord Evangelie is hetzelfde gebleven. De TeNaCH De TeNaCH begint met de kapitale woorden "In den beginne schiep God de hemel en de aarde".

TeNaCH

De TeNaCH is in wet en profeten een wekroep die de herinnering wakker houdt aan dat begin, d.w.z. aan Gods scheppingsopenbaring, aan de scheppingsgerechtigheid en die de mensheid doet verlangen naar het herstel daarvan! De onvergankelijke betekenis van de TeNaCH bestaat daarin dat hij ons vanaf Genesis 1 in aanraking brengt met de dragende grond van de schepping, met de oerbeginselen waar de schepping op rust: de gerechtigheid van God. De TeNaCH begeleidt de dolende en zondige mensheid met haar openbaring van Gods schepping en Gods scheppingsbedoeling, met Gods roepstem tot de gevallen mens: Adam waar zijt gij!. Dit gebeurt in de eerste hoofdstukken van Genesis, die gaan over de schepping en de val. Het gebeurt in de geschiedenissen van de oertijd van de mensheid, die uitmondt in Noachs dagen en in die van Abraham, Izaäk, Jacob en Mozes. De TeNaCH verankert de mensheid weer in die oergeschiedenis, die zo nog zo dicht bij de scheppingsoorsprong leefde. Doordat de TeNaCh ons vertelt van de allervroegste geschiedenis van de ganse mensheid, waaruit ook het volk Israël ontsproten is, is ze van betekenis voor alle volkeren. De hele wereld wordt door de TeNaCH in aanraking gebracht met haar oorsprong. De TeNaCH bevat echter niet alleen de boeken van Mozes. Ze bevat ook de boeken die gaan over de geschiedenis van het volk Israel en in het bijzonder de profetische boeken, waarvan het boek Jesaja het hoogtepunt is. Wat het volk Israel als tragisch heimwee in zich omdroeg, wordt bij Jesaja tot een geweldig uitzicht voor Israel en alle volkeren: God zelf zal door alle verwikkelingen heen aan de mensheid Zijn heil doen zien. Zijn heilrijk koningschap zal uitmonden in herstel van de scheppingsglorie, waarin de hele mensheid zal delen! Jesaja's visioen en profetie heeft veel invloed gehad op de religieuze poëzie in het volk van Israel. Veel psalmen zijn gedrenkt in dit geloofsuitzicht. Men hoeft maar te denken aan psalm 2 en psalm 72.

De Septuagint

De Septuagint Naast de TeNaCH is er echter de Septuagint (LXX), de vertaling uit het Hebreeuws in het Grieks van de boeken die men in de TeNaCH aantreft en van andere boeken, die men er niet in aantreft. Deze Griekse vertaling is tot stand gekomen vanaf de derde eeuw voor Christus. Zeker is dat de stad Alexandrië in Egypte bij de totstandkoming ervan een zeer grote rol gespeeld heeft. De verstrooiing van de Joden in de hellenistische wereld maakte een dergelijke vertaling noodzakelijk, al was het alleen maar omdat veel Joden in de diaspora het Grieks als moedertaal hadden. De in het Hebreeuws geschreven boeken werden overgezet in het Grieks, de wereldtaal van toen. In zijn vorige boek De Septuagint, brug tussen Synagoge en Kerk maakte dr. Aalders duidelijk dat de vertaling in het Grieks meer was dan louter vertaling. In zijn jongste boek sluit hij bij dat oordeel aan. Het bijbelgrieks is taalscheppend geweest. Dit taalscheppende bestond niet zozeer in het scheppen van nieuwe woorden, maar veel meer in de betekenisverandering van woorden.

Wie thuis is in de Septuagint krijgt meer en meer oog voor het eigene in de LXX, voor het gedachteklimaat waarin de vertalers leefden en van waaruit zij vertaalden. De boodschap, zoals deze vervat is in het taaleigen van de Septuagint heeft in veel gevallen een milder, lichter karakter dan in de Hebreeuwse versie van het Oude Testament. We staan in de LXX reeds bij de drempel van het Nieuwe Testament! Aalders citeert in dit verband Wilhelm Michaelis, die stelde: "Deze verandering van betekenis die zich op de wegen van de LXX naar het Nieuwe Testament van het ene geschrift naar het andere voltrokken heeft, stelt ons voor de opgave om het eigene van de LXX en het N.T. in het licht te stellen."I.L. Seeligmann, een joods rabbijn en taalgeleerde in Amsterdam in de eerste helft van de vorige eeuw heeft als allereerste op dat verschil gewezen. Er lijkt dus alle reden te zijn om met dr. Aalders onderscheid te maken tussen TeNaCH en LXX en ze ieder om hun eigen betekenis ten zeerste te waarderen! Nu we dit weten, kunnen we enigszins de diepte peilen van wat dr. Aalders in de inleiding op zijn jongste boek naar voren brengt: Dat is dat het een zeer betreurenswaardige gebeurtenis geweest is dat TeNaCH en LXX niet bijeen gehouden zijn: "Het valt te betreuren dat de wegen van de TeNaCH en de LXX uit elkaar zijn gaan." Beide hebben immers hun grote betekenis. Er is een grote overeenkomst tussen beide: Beide worden immers gekenmerkt door een tragisch heimwee. Toch is er verschil: "De TeNaCH wordt gekenmerkt door een tragisch heimwee naar de voleinding van de schepping, de LXX wordt gekenmerkt door een tragisch heimwee naar de hergronding van de geschiedenis ", aldus de schrijver. De TeNaCH begint met de schepping en de LXX ziet met tragisch heimwee uit naar de voleinding daarvan. De schrijvers van de LXX kenden de geschiedenis en de verschrikkingen ervan (de ballingschap) en zij kennen het heimwee naar de openbaring van de voleinding! Zo sluiten ze op elkaar aan.

Wegen die uiteen gingen

En toch "zijn de wegen van LXX en TeNaCH uiteen gegaan" - met alle gevolgen van dien. Het is bekend dat de vertaling van de LXX een groot gezag genoot niet alleen bij de diaspora-joden, maar zelfs in Israel en in Jeruzalem. Dit veranderde door de opkomst van de vroeg-christelijke gemeente. De Bijbel van de apostelen en de eerste christenen was immers de Septuagint!! In de vroege Kerk werd de LXX gezien als de door God geïnspireerde bijbel! De verschijning van Christus en het beroep op de LXX van de eerste christenen, bracht veel joden ertoe om de LXX te verfoeien. Hun weerzin tegen het Evangelie bracht veel joden ertoe om de LXX vertaling te vervangen door andere Griekse vertalingen van het Oude Testament en om de latere boeken die na Maleachi geschreven waren, uit hun kanon te houden! Zozeer zagen zij in de LXX als brug naar het christelijk geloof een gevaar, dat zij de LXX onaanvaardbaar achtten. Zulks om te voorkomen dat het christelijk geloof wortel zou schieten binnen het jodendom!

Door de LXX, die de legitieme voortzetting is van de openbaring in de TeNaCH, uit te bannen is het joodse geloofsbewustzijn blijven steken in de TeNaCH. Zij kent niet het uitzicht in de geschiedenis waardoor de LXX vooral gekenmerkt wordt. In de LXX wordt immers recht gedaan aan het geloofsuitzicht (de eschatologie) van Jesaja en Daniël. Door de LXX niet te aanvaarden, heeft het jodendom ook verschillende latere boeken die in de LXX zijn opgenomen niet aanvaard, de zogenaamde apocriefe boeken. Zij ontstonden in de laatste eeuwen voor de geboorte van Christus. Aangezien de rabbijnen stelden dat Gods openbaring ophield bij Maleachi vindt men ze niet in de joodse TeNaCH. Door de LXX af te stoten zijn de Joden blijven steken. Hun kanon is een torso. De openbaring waar zij zich op beroepen gaat tot de vierde eeuw voor Christus. Dat heeft hen ertoe veroordeeld om een verzuild bestaan te leiden, waarin zij niet konden delen in het eschatologische uitzicht dat in de LXX onder woorden werd gebracht. De lichte tonen van de LXX in navolging van de profetieën van Jesaja en Daniël gingen aan hen voorbij. Tot op de dag van vandaag is het wachten op het moment dat zij zich zullen wenden tot het geloofsuitzicht dat hen via de LXX de weg wijst naar Christus. De LXX is immers de brug tussen jodendom en christendom!

Een hiaat in het protestantisme

Ondertussen is het wel duidelijk hoe hoog dr. Aalders de LXX aanslaat. Ook wordt duidelijk hoezeer het te betreuren valt dat aan protestantse zijde de apocriefe boeken, die ons nog verbinden met de LXX allengs in het vergeetboekje terecht gekomen zijn. Terzijde zij opgemerkt dat het toe te juichen valt dat ze onlangs weer door uitgeverij Den Hartog uitgegeven zijn, zodat ze voor een breder publiek toegankelijk zijn. Luther nam ze nog op in zijn bijbelvertaling, ook in de oude Statenvertaling zijn ze nog te vinden. En zozeer waren onze vaderen overtuigd van het belang van de LXX dat in Franeker in 1709 een volledige uitgave van de LXX gedrukt werd.

Het voert te ver om een exposé te geven over de vraag hoe het zover heeft kunnen komen dat deze LXX boeken in de protestantse kerken zijn veronachtzaamd. Vast staat dat door sommigen het ontbreken van deze boeken als een hiaat ondervonden werd. Te denken valt aan H. Bavinck die ooit stelde: "De theologie lijdt onder de verwaarlozing van de periode van Maleachi tot het Nieuwe Testament. Wij hebben alleen maar belangstelling voor Wet en Profeten als voortijd van Christus en denken dat wat daarna komt, louter verval is en daarom zonder geestelijke schade verwaarloosd kan worden… Maar Maleachi is niet het einde van Israël en van de oudtestamentische openbaring. Er komt dan de belangrijke periode van Alexander tot keizer Augustus. Wij noemen die tijd Hellenisme."

Terecht merkte Bavinck het ontbreken van de boeken tussen Maleachi en Mattheus aan als een lacune. Wie de LXX niet kent moet wel komen tot de opvatting dat de profetie in Maleachi's tijd tot een einde gekomen is. Zo dachten de eerste christenen in de tijd van de apostelen niet. Voor hen vormden de boeken van de Septuaginta hun Bijbel, even vanzelfsprekend als de Statenvertaling tot voor enkele decennia voor de christenen in Nederland. Vandaar dat in de eerste christenheid het gezag van Septuaginta boven alle twijfel verheven was. Hoe anders is de situatie in de laatste eeuwen binnen het protestantisme geworden! Velen gaan, door onbekendheid met de LXX ervan uit dat na Maleachi pas in Jezus' dagen de profetie weer tot leven kwam. Daarvoor is een gat van driehonderd jaren. Wie dit echter zegt, gaat zonder het te beseffen in het spoor van het rabbinale jodendom. Wanneer men deze visie beaamt, is het bijna onvermijdelijk om Israels geschiedenis tot aan de komst van Christus te zien als een geschiedenis van neergang. Zo ziet Noordmans het: het ging in Israel van kwaad tot erger. Toen de geboorte van Jezus aangekondigd werd was het in geestelijk opzicht alom donker op aarde. Het faillissement van het volksbestaan van Israël was aan alle kanten voelbaar. Voor velen heet een dergelijke opvatting iets aantrekkelijks: tegen de donkere achtergrond van het jodendom steekt het licht van het Evangelie des te opmerkelijker af! Maar hoe verleidelijk het ook lijken mag om hier met Noordmans mee te gaan - deze opvatting doet geen recht aan de historie en ook niet aan het Evangelie. Integendeel; wie haar aanhangt, loopt het risico, om evenals het rabbinale jodendom geen raad te weten met de geschiedenis. Het eschatologische uitzicht van de LXX ontbreekt hem. De geschiedenis kleurt zich zwart - het Evangelie krijgt geen gestalte in de aardse werkelijkheid. Wie echter de LXX serieus neemt en dus ook de zogenaamde apocriefe boeken ziet in de geschiedenis voorafgaand aan Christus een doorgaande lijn lopen - van TeNaCH naar LXX (met de apocriefen) tot het Evangelie. Juist door de aanvaarding van de LXX komen we ertoe om te beseffen welk een heerlijkheid er ligt in de woorden dat Christus gekomen is om de Wet en de profeten te vervullen. Hij is de vervulling niet alleen van de Wet, maar ook van de profeten, van het eschatologische uitzicht van de LXX, dat in de profeet Daniël en in de LXX het duidelijkst aan het licht treedt! Als vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge mogen we er met enige trots op wijzen dat binnen de kring van vrienden en verwanten van Kohlbrugge het belang van de LXX beseft is. Ed. Böhl, de schoonzoon en geestverwant van dr. H.F. Kohlbrugge heeft in het voetspoor van zijn schoonvader jarenlange studie gemaakt heeft van de bijbeltekst. En dat vooral van de Peshitta, het Oude Testament van de Samaritanen, waaraan hij groot belang hechtte En de Peshitta is de tekst die berust op de Griekse vertaling van het Oude Testament! (zie daarvoor zijn boeken Forschungungen nach einem Volksbibel zur Zeit Jesu en Die ältesten Zitaten im Neuen Testament (1878), waarover Kuenen zich honend uitsprak).

De volledige kanon en het antwoord op de geschiedenis

Wat dr. Aalders in zijn laatste boeken het licht heeft willen stellen is, dat er via de LXX een antwoord mogelijk is op de vragen van de wereldgeschiedenis, waarmee de christenheid meer dan ooit in de 20e en 21e eeuw geconfronteerd wordt. De onmisbaarheid van de LXX voor het verkrijgen van dit antwoord en voor het verkrijgen van zicht op het Evangelie, wordt gaandeweg meer beseft. Van een Duits theoloog, Hartmut Gese, tekenen we de volgende behartenswaardige woorden op, die door Martin Hengel in zijn boek over de LXX als afsluiting integraal werden overgenomen: "Een christelijk theoloog kan nooit genoegen nemen met de masoretische kanon, want aan de continuïteit naar het Nieuwe Testament toe wordt hier in beduidende mate afbreuk gedaan. Het schijnt mij toe dat onder de inwerking van het humanisme op de reformatie dit een noodlottige invloed geweest te zijn, dat men de kanonversmalling van de farizeeën en de masoretische tekstraditie, waarop men als humanistische bron teruggreep, met elkaar verwisselde en apocriefe boeken uitsloot. Met de these van de wezenlijke eenheid van het Oude en Nieuwe Testament, van de ene, de bijbelse traditieopbouw, wordt de moeilijke vraag naar de christelijke uitleg van het Oude Testament opgelost. Het Nieuwe Testament heeft de oud-testamentische traditieopbouw (van TeNaCh naar LXX, H.K.) tot afsluiting gebracht. De bijbelse traditieopbouw is daarmee als geheel afgesloten en daarmee pas in de diepere zin van het woord kanoniek."

Moeilijke woorden, die het herlezen meer dan waard zijn. Maar de conclusie is mijns inziens gewettigd om te stellen dat de huidige christenheid minder onzeker in de tijd zou staan, wanneer zij de LXX meer zou waarderen en dus ook de apocriefe boeken. Ze zou meer houvast hebben aan de boodschap van het Evangelie, die daarin bestaat dat het Koninkrijk Gods (waar de LXX in navolging van Jesaja en Daniël, zo'n heerlijk licht op laat schijnen, als een voor-pinksteren) in Jezus Christus nabij is gekomen!