Terug naar Ecclesianet.nl

Het leven van Guillaume Groen van Prinsterer (II)

Drs J.G. Barnhoorn, Ecclesia nr. 7, maart 2002

Bilderdijk
Het is zeker, dat Groen zich in Leiden uitstekend thuis gevoeld heeft. Het geestelijk klimaat aan de academie stemde volkomen overeen met dat van zijn ouderlijk huis: het was "Nederlands, deftig en protestants zonder al te Dordts te zijn. Liberaal vooral ook en gematigd, redelijk vertrouwend in de vooruitgang en vervolmaking. Zelfvertrouwen, eensgezindheid, redelijkheid, het waren de trefwoorden van de tijd".1 De partijschappen van weleer, de scherpe tegenstellingen van vóór de Franse tijd, toen Prinsgezinden en Patriotten lijnrecht tegenover elkaar stonden, waren verleden tijd geworden. Men dacht er niet meer aan terug, of liever: men wìlde er niet meer aan terugdenken. Alom was men op het bewaren van eenheid en eensgezindheid bedacht. Evenals Da Costa zou echter ook Groen in aanraking komen met de figuur van Bilderdijk, wiens privatissimum, in zijn woning aan de Hooigracht voor een handvol studenten gegeven, hem met een niet aflatend gevecht tegen de tijdgeest confronteerde. Van januari 1821 tot mei 1822 heeft hij de lessen van Bilderdijk bijgewoond. Dit na overleg met zijn vader, die er niet alleen begrip voor had, dat zijn zoon graag met "een zoo beroemd man, als Bilderdijk is", wilde kennismaken, maar die hem er - in een kort briefje van 9 november 1820 - zelfs toe aanspoorde, ondanks de "zwarigheden", die hieraan verbonden waren. Deze zouden, zo vertrouwde hij, "aanmerkelijk verminderen door de wijze, waarop Gij voornemens zijt, in vereeniging met Uwe medestudenten, op Uwe hoede te zijn tegen den verleidelijken invloed van de zucht tot paradoxen, welke aan den Heer Bilderdijk algemeen wordt toegeschreven".2
Reeds in zijn studententijd heeft Groen zijn dankbaarheid uitgesproken voor hetgeen Bilderdijk hem had geleerd. Wanneer hij achter het volgen van zijn colleges een punt zet, tekent hij met een zevental andere studenten een door J.R. de Fremery opgesteld stuk, waarin zij hun "hooggeachte en zeer geliefde leermeester", onder aanbieding van een geschenk, danken voor het onderwijs, dat hij hun gegeven heeft. Bilderdijk heeft hen, zo verklaren zij, met de "zooveel omvattende en voor ieder Nederlander allergewichtigste" geschiedenis van het vaderland vertrouwd gemaakt en hun "derzelver samenhang juist en treffend voorgesteld". Bovendien heeft hij hen in de geheimen van tal van wetenschappen ingewijd. Het voornaamste echter, dat hij hen heeft doen zien, is: "dat al die wetenschappen op den Godsdienst moeten steunen of volmaakt met dezen overeenstemmen en alleen dienstbaar zijn aan de ware en hooge bestemming van den mensch". Een hooggestemd oordeel, waaruit duidelijk blijkt, dat Bilderdijk aan de vorming van Groen veel heeft bijgedragen, maar: "een uitbundig lofredenaar van den grooten meester is hij nimmer geweest".3 En dat heeft hij ook niet onder stoelen of banken gestoken. In elk geval heeft hij zich nooit, zoals Bilderdijk zelf, tegen het constitutionele staatsrecht gekeerd: "Van Bilderdijkianisme was bij mij geen zweem. Door deze contra-revolutionaire felheid ben ik niet medegesleept".4 En ook op het terrein van de geschiedschrijving heeft hij hem zijn critiek niet gespaard: "Mijn eerbied voor Bilderdijk als historicus is bij ieder deel zijner Historiën zeer verminderd", heet het in een brief van 31 maart 1835.5 Daarnaast valt ons op wat hij in een brief van 20 november 1831 aan zijn collega A.G.A. van Rappard opmerkt over de invloed, die van Bilderdijk op zijn godsdienstige vorming is uitgegaan: "Hij heeft mij meer afgeschrikt van het ongeloof, dan wel gebragt tot het geloof ...".6 Al met al duidelijke aanwijzingen, dat men Groen onrecht doet door hem bij de "Bilderdijksche School" onder te brengen, ook al komt hij er rond voor uit, dat hij veel van Bilderdijk heeft geleerd en dat hij zich rekent tot hen, die hem "hoogachten en eerbiedigen, om zijne onnavolgbaarheid, als diepzinnig taalkenner en, in elk vak der poëzy, veelbegaafden en schaars geëvenaarden dichter; om den verbazenden omvang zijner geleerdheid, en vooral ook om zijn moedig wederstaan van de wanbegrippen zijner eeuw". En het moet Groen van het hart, dat ons land er goed aan gedaan zou hebben, sommige van Bilderdijks "lessen en wenken" ter harte te nemen terwijl de recente ontwikkelingen, in het bijzonder waar het de Groninger School "in haar droevigen aard en heillooze strekking" betreft, aantonen, dat "de somberheid zijner beschouwing, niet de vrucht enkel der overdrijving van een zwartgalligen en bedilzieken grijsaard is geweest".7

Promotie
Hoewel Groen volop aan het studentenleven deelnam, vorderde zijn studie gestaag. In mei 1819, legde hij, nog niet ten volle achttien jaar oud, het candidaats-examen in de letteren af en een jaar later dat in de rechten, terwijl hij zich bovendien door de beantwoording van academische prijsvragen onderscheidde. Op 17 december 1823 promoveerde hij bij Van Assen tot doctor in de rechten en, een uur later, bij Bake in de letteren. Was zijn juridisch proefschrift een lofrede op de samenvatting van het Romeinse recht, door de Romeinse keizer Justinianus gegeven, zijn literaire dissertatie was gewijd aan de beschrijving van historische figuren bij Plato, - de schrijver, die van alle auteurs uit de klassieke oudheid het meest door hem gewaardeerd werd: "In de geheele Oudheid was mijn lievelings-auteur, Plato. De lezing en herlezing zijner Dialogen heeft mij gevrijwaard tegen de overrompeling eener zeldzame genialiteit".8
De diepe indruk, die beide promoties maakten, vindt men verwoord in het getuigenis, door Van Assen in de Algemeene Kunst- en Letterbode gegeven: "Den 17 dezer verdedigde de Heer Groen van Prinsterer het eene uur zijne Rechtsgeleerde, en het volgende uur zijne Letterkundige verhandeling. Professoren, Doctoren en Studenten, uit onderscheiden vakken, schenen te wedijveren om hunne bondige tegenwerpingen in het midden te brengen; maar zal zich iemand beleedigd rekenen, als wij openlijk betuigen, dat wij sedert Borger zulk een voorbeeld niet zagen van vlugge gevatheid in het verdedigen, van groote gemakkelijkheid in zich uit te drukken, van weergalooze bedrevenheid in het spreken van zuiver Latijn, en hetgeen nog meer is dan dat alles, van beminnelijke zedigheid? Het was dus eene hulde, die niet alleen aan zijne verdiensten, maar ook aan zijn onbesproken karakter werd toegebracht, dat bijna niemand der Professoren noch studenten afwezig was". Dat dit getuigenis niet op zichzelf staat, bewijst hetgeen bij Groens begrafenis door P.J. Elout van Soeterwoude is gezegd over de oud-student Groen, met wie hij in 1822, zelf student geworden, kennisgemaakt heeft: Groen scheen hem in de studentenwereld "als met een aureole omgeven. Alles waarop de maatschappij kon bogen was zijn. Nog niet dat, waarover sedert vreugde is geweest voor de engelen Gods. Rein van wandel, in alles matig, behalve in arbeid, van buitengewonen aanleg, verrijkt, dank Dornseiffen's, Kappeijne's, Bake's leiding en eigen ijzeren vlijt, met groote kundigheden, kende hij slechts de de edele eerzucht groot te worden ten nutte van zijn tijd en zijn land ...".9

1) Vgl. G.J. Schutte, Groen van Prinsterer, pag. 13v.
2) Rijksgeschiedkundige Publicatiën, Deel I (1808 - 1833), pag. 19v.
3) Vgl. Diepenhorst, a.w. pag. 55v.
4) Ibid., pag. 68. Een citaat, ontleend aan de laatste reeks Nederlandsche Gedachten.
5) Ibid., pag. 57. Deze datum is onjuist. In geen van de beide brieven, door Groen op deze dag - resp. aan de hoogleraren Bake (R.G.P., Deel II, pag. 113v.) en van Assen (ibid., pag. 114v.) geschreven - wordt over Bilderdijk gesproken. Op welke brief Diepenhorst hier het oog heeft, heb ik niet kunnen vaststellen.
6) Vgl. R.G.P., Deel I, pag. 503.
7) Vgl. Adres aan de Hervormde Gemeente in Nederland (Leiden, 1843), pag 139v.
8) Vgl. Diepenhorst, a.w., pag. 68. Een uitspraak, voorkomend in de passage, waarin Groen zegt, zich nooit aan Bilderdijkianisme schuldig gemaakt te hebben. Vgl. noot 4.
9) Idem, pag. 15v. Vgl. Bij het graf van Mr. Groen van Prinsterer,23 Mei 1876 (Amsterdam, 1876), pag. 8v.