Terug naar Ecclesianet.nl

Zonder Mij...

Drs. J. Barnhoorn, Ecclesia nr. 12, juni 2002

'zonder Mij kunt gij niets doen'
(Johannes 15: 5)

Het wezen van het geloof wordt in de Bijbel op verschillende manieren omschreven. De manier, waarop Jezus in het begin van Johannes 15 erover spreekt, is echter wel bijzonder tekenend, en wel vooral door de vanzelfsprekendheid, die het geloof eigen is. Nergens komt duidelijker tot uiting dan hier, dat het geloof een absolute levensvoorwaarde is: zonder geloof, d.i. het geloof in Christus, is men nergens. "Zonder geloof vaart niemand wel".
De gelovige wordt ons in dit Bijbelgedeelte getekend als een rank aan een wijnstok. En wat is een rank zònder de wijnstok, waaraan zij haar bestaan te danken heeft?
De landman, ons door de Heiland geschetst, heeft een snoeimes in de hand. Zijn werk bestaat uit het inkorten en het verwijderen van ranken. Heeft hij hier plezier in? Nee, het is hem om de vruchten te doen. Zonder het snoeien zou de oogst ongetwijfeld veel meer vruchten opleveren, maar wàt voor vruchten? Onooglijk klein en van slechte kwaliteit, hetgeen een slechte oogst betekent.
Nu is het echter opmerkelijk, dat de wijngaardenier niet alleen de ondeugdelijke ranken verwijdert. Ook de goede ranken worden gesnoeid, om ze beter tot hun recht te laten komen, anders gezegd: opdat zij meer vrucht zullen dragen.
Die ranken nu, zegt Jezus, zijn wíj. Wij staan niet op onszelf.
Enerzijds betekent dit een mogelijkheid tot levensontplooiing, anderzijds houdt het een beperking in. Wij mogen ons met Christus verbonden weten. "Uit Hem vloeien alle krachten, tot Hem stijg' der aarde lied!" (Gezang 464: 2), om met de dichter J.P. Heye te spreken. Maar wij mógen ons niet alleen met de Heiland verbonden weten, het mòet zelfs. Het is pure noodzaak: "... zonder Mij kunt gij niets doen". Of, om het met de bekende woorden van J.J.L. ten Kate te zeggen: "Uw kracht moet in mij overvloeien, òf 'k ben een wis verderf gewijd" en: "de rank, die U ontvalt, verdort" (Gezang 78).
Wij mogen ons met Christus verbonden weten. Een voluit bevrijdende wetenschap, die ons van alle krampachtigheid verlost. De Heiland is geen manager, die, zolang wij in de kracht van ons leven zijn, het uiterste aan krachtsinspanning van ons vraagt, er bij ons uithaalt wat erin zit. Het is God niet om prestaties onzerzijds te doen. Het tegendeel is zelfs het geval: onze "bestdoeningen" (Kohlbrugge) zijn de Here God een doorn in het oog. De Heilige Schrift houdt ons een andere weg voor. Wij worden, als ranken aan de wijnstok, geacht, al het mogelijke uit de wijnstok te halen, om zo een uiterste aan vruchtbaarheid te bereiken.

In de loop der eeuwen is er in het Protestantisme, niet het minst in ons land, oeverloos over de inhoud van de leer gediscussieerd. Hete hoofden, koude harten, zoals een bekend gezegde luidt.
Een gelijkenis als die van de wijnstok en de ranken laat ons zien, dat de leer nooit kan worden losgemaakt van het leven. Dit komt wel heel duidelijk tot uiting in de verzen 9 en 10 van dit Schriftgedeelte: "Gelijk de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u liefgehad; blijft in mijn liefde.
Indien gij mijn geboden bewaart, zult gij in mijn liefde blijven, gelijk Ik de geboden mijns Vaders bewaard heb en blijf in zijn liefde". De verbondenheid van de rank met de wijnstok wordt hier als een blijven in de liefde van Christus omschreven. En dit blijven in de liefde van Christus krijgt gestalte in het "bewaren" van zijn geboden. "Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is", zoals de Heiland in de Bergrede (Mattheüs 7,21) zegt. Op de keper beschouwd komt het op de daadwerkelijke navolging aan. Een navolging, waarvan het uiteindelijke doel is gelegen in het verheerlijken van God de Vader: "Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt ..." (vers 8).
Blijven in de liefde van Christus.
In onze tijd, de tijd van de mens, die zichzelf autonoom waant, staat het blijven bij een bepaald standpunt of bij een bepaalde kerk allesbehalve hoog genoteerd. Niet zelden gedragen wij ons als vlinders, die van de ene bloem naar de andere fladderen. Steeds meer wordt het gewoonte, ook in godsdienstig opzicht, het nu eens híer, dan dáár te proberen: "vrijheid, blijheid"! De trouw - voor vroegere geslachten, die de diepe betekenis van de gemeenschap nog kenden, zo kenmerkend - is onder ons vandaag de dag helaas ver te zoeken.
De Heiland roept ons op, in zijn liefde te blijven. Hoe doen wij dat? Door zijn geboden te bewaren. Op het eerste gezicht een merkwaardige opdracht: in de liefde van Christus blijven door zijn geboden te bewaren. Wat heeft de liefde met het in acht nemen van geboden te maken? Het heeft er àlles mee te maken, houdt Jezus ons voor. Nee, het christelijk geloof is geen plichtenleer, zoals de Islam, geen zaak van uiterlijkheden. Integendeel: "De bevelen des HEREN zijn waarachtig, zij verheugen het hart; het gebod des HEREN is louter, het verlicht de ogen", jubelt de dichter in Psalm 19 : 9. En de Kerk zingt: "Hem, die uw wil met vreugde doet, zult G' ook met vreugde kronen" (Gezang 138: 7 - Hervormde Bundel). Blijvend in de liefde van Christus, "bewaren" wij voortdurend zijn geboden. Niet zoals men vroeger zijn geld placht te bewaren: in een veilige bergplaats, aan de ogen van anderen onttrokken. Niet als een tegoed op de bank, dat plaatsvervangend voor ons beheerd wordt. En nog veel minder als het éne pond, dat de slaaf uit de bekende gelijkenis, in plaats van ermee handel te drijven, "bewaard" (Lucas 19 : 20) had. Niets van dit alles: Christus' geboden zijn ons gegeven als richtingwijzers, die ons ervoor willen bewaren (!) dat wij verdwalen, het door God gestelde doel uit het oog verliezen en onze ondergang bewerken. En daarom: "Welzalig zij, die zijn (Gods) getuigenissen bewaren, die Hem van ganser harte zoeken" (Psalm 119: 2). Gelukkig, voluit gelukkig, zijn alleen zij, die, als ranken met de Wijnstok, Christus, verbonden, vol vreugde het pad van zijn geboden lopen.