Terug naar Ecclesianet.nl

Zijn dit alle jongens?

Drs. J. G. Barnhoorn, Ecclesia nr. 14, juli 2002

"Hierop zeide Samuël tot Isaï: Zijn dit al de jongens?"
1 Samuël 16: 11a

Hierop had vader Isaï kennelijk niet gerekend. Door de profeet Samuël uitgenodigd, met zijn zonen aan een offermaaltijd deel te nemen, blijkt hij zijn jongste, David, over het hoofd gezien te hebben. Samuël, die van de Here de opdracht heeft ontvangen, één van Isaï's jongens tot koning te zalven, mist David niet. Begrijpelijk, want het is zijn eerste kennismaking met het gezin van Isaï.
Geïmponeerd door het indrukwekkende uiterlijk van de oudste, Eliab, denkt hij in hem met de toekomstige opvolger van Saul te maken te hebben. Maar nee, hij heeft het mis, terwijl ook de andere zonen van Isaï niet voor het hoge ambt in aanmerking blijken te komen. Dan komt het ogenblik, waarop de profeet, min of meer in verlegenheid gebracht, de vraag stelt: "Zijn dit al de jongens?" Antwoord: "De jongste ontbreekt nog; zie, hij weidt de schapen". Het is, alsof het Isaï plotseling te binnen schiet: "Dat is waar ook: we hebben nòg een zoon!" Voor de profeet echter staat het vast: ook deze jongste hoort erbij. Wij gaan niet aan tafel, vóórdat hij gearriveerd is. En ziedaar, de jonge David wordt door de Here niet slechts als gezinslid aux sérieux genomen, hij blijkt bovendien tot koning van Israël te zijn verkoren.

En nu het waarom van deze verkiezing. Het wordt ons in het voorgaande onthuld: "de mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de HERE ziet het hart aan" (vers 7). Een betere weergave van de laatste woorden is wellicht: "de HERE ziet met het hart". Een nuance-verschil? Integendeel: een levensgroot onderscheid! Immers: gaat het in de gangbare vertaling om het hart van de mèns, in de door ons voorgestelde vertolking - "de Here ziet met het hart" -gaat het om Gòds hart. Nee, David is niet verkoren om de voortreffelijke gesteldheid van zijn eígen hart. Lezen wij van de mens na de zondeval, dat "al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was" (Genesis 6 : 5), - de geschiedenis van Davids koningschap maakt ons duidelijk, dat dit harde oordeel ook zíjn hart geldt. Vandaar de bede: "Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, toets mij en ken mijn gedachten; zie, of bij mij een heilloze weg is, en leid mij op de eeuwige weg" (Psalm 139 : 23v.). Let wel: een gebed van David zèlf, die, ouder geworden, er alleszins weet van heeft, wat het betekent, aan zichzelf ontdekt te worden: "Ik, ellendig mens!" (Romeinen 7 : 24). En toch wordt deze man verkoren, de afvallige Saul op te volgen.

"Zijn dit al de jongens?"
Een ontroerend verhaal, dit relaas over de zalving van Isaï's jongste zoon. Heeft het ons allen niet van jongs af erg aangesproken? Een jongen, die bij zijn oudere broers in het niet zinkt, tot het koningschap geroepen! Een hemelse Vader, die totaal anders over zijn kind oordeelt zijn aardse vader!
Indrukwekkend, ja, maar ... ook onder kerkmensen komt het nogal eens voor, dat ouders onrustbarend hoog opgeven van een kind, dat "het verder geschopt heeft" dan de andere kinderen : "Onze oudste zoon heeft ... gestudeerd. De man van onze dochter heeft een topfunctie bij ... Onze jongste gaat geregeld om met ..." Ach, U kent ze wel: dit soort verhalen, die vooral bij een eerste kennismaking zo graag worden opgedist. Nooit eens een mededeling in de trant van: "Onze Piet werkt bij de vuilnisophaaldienst" of iets dergelijks. Alleen datgene, waarmee men graag geuren wil, boven anderen wil uitsteken! Hoe armzalig eigenlijk, die opgeblazenheid van mensen, die met de mond Gods verkiezend welbehagen belijden, doch die in de praktijk alléén rekenen met "wat voor ogen is". En dan nog maar te zwijgen over de schade, die zij hun minder goed bedeelde kinderen berokkenen: "Ik telde voor mijn ouders niet mee. Zij hadden altijd de mond vol over mijn broers en zusjes!"
Eén vraag, twéé antwoorden. De vraag: "Zijn dit al de jongens?" Isaï's antwoord: "De jongste ontbreekt nog; zie, hij weidt de schapen". En nu Gòds antwoord: "Sta op, zalf hem, want deze is het" (vers 12). Is het niet om stil van te worden? Hier worden wij tot zelfonderzoek gemaand: geloven wij werkelijk, vertrouwd met de Bijbel als wij zijn, dat God ons en onze kinderen met het hàrt ziet? En zo ja, moet dat ons leven, ons gedragspatroon, met name in de verhouding tot onze kinderen, dan niet drastisch veranderen?
Dat wij dan oprecht mogen leren bidden: "O, God, leer ook mij, zondaar, de ander met het hàrt te zien, opdat ik, door uw verkiezende genade aangeraakt, waarlijk oog krijg voor mijn naaste".