Terug naar Ecclesianet.nl

'Heb lief en doe wat je wilt'

Prof.dr. J. van Oort, eccclesia nr.1, januari 2003

Augustinus over liefde

Liefde is bij Augustinus een centraal begrip. Ze vormt het brandpunt van zijn theologie. Men meende zelfs te mogen zeggen: Liefde is bij hem God. Dat evenwel gaat een stap te ver. Liefde is voor Augustinus niet hetzelfde als God. Maar wel: 'God is liefde'. Opvallend vaak spreekt de kerkvader zoals de apostel (1 Joh. 4:8.16). En ook hij weet waarom. 'Liefde' heeft bij Augustinus vele facetten. In het Latijn gebruikt hij voornamelijk drie woorden: amor, caritas en dilectio. Er is wel gedacht dat 'amor' als aanduiding voor aardse liefde bij hem een negatief begrip zou zijn, maar hijzelf spreekt dat nadrukkelijk tegen. Alle drie vormen van liefde kunnen zowel positief of negatief zijn. Of liefde goed is, hangt af van het voorwerp dat geliefd wordt. Oók aardse liefde is, in principe, een groot goed! Welbeschouwd, aldus Augustinus, zijn er vier voorwerpen van onze liefde: God, wijzelf, onze naaste, ons lichaam. Liefde voor onszelf en voor ons lichaam is zo vanzelfsprekend, dat ze eigenlijk geen nadere verklaring behoeft. 'Niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat' (Ef. 5:29). Maar toch, ook hier is meer te zeggen: echte 'zelf-liefde' is ten diepste liefde tot God. En liefde tot onszelf blijkt allermeest in liefde tot de naaste.

Wat is liefde?
Laten we eerst nader bezien wat liefde bij Augustinus is. Liefde is in feite het diepste wat over een mens gezegd kan worden. Kennis en wetenschap kunnen van groot belang zijn, maar op zich maken zij de mens niet goed. Alleen de liefde doet dat: zij bouwt op. Een persoon is wat hij of zij liefheeft. Menselijke deugd is in wezen 'geordende liefde' (ordo caritatis). Zo is standvastigheid een vorm van liefde die weet van verdragen en uithouden omwille van hetgeen geliefd wordt; rechtvaardigheid is liefde die niet voor zichzelf wil houden, maar weet van eerlijk delen. Ook andere menselijke eigenschappen zoals vreugde, vredelievendheid, vertrouwen en geduld zijn alle gebaseerd op liefde. Liefde, kortom, is de drijfkracht van ons leven. Ze is dat allereerst van ons dagelijkse leven als menselijke persoon. Maar dat zeker niet alleen: ook de geschiedenis van mens en wereld is gebaseerd op liefde. Zoals liefde in het eigen leven goed of verkeerd gericht kan zijn, zo is dat ook in de geschiedenis. Het wereldwijde (en zelfs kosmische) gebeuren van de historie wordt gedreven door twee soorten liefde: liefde tot God (die zich op positieve wijze uit in liefde tot de naaste en ware liefde tot onszelf) en liefde die in haar godvergetenheid slechts gericht is op het eigen ik en leidt tot de ondergang. 'Twee soorten liefde vormen twee steden': de stad van God en de stad van de duivel (Gen. ad lit. 11,15).

Het primaat van de liefde tot God en de naaste
In de bijbel, zo weet Augustinus, staat de liefde tot God en de naaste centraal. Het dubbele gebod van de liefde verstaan is de Schriften verstaan. 'Ieder die dus denkt de Schrift of een gedeelte ervan te hebben begrepen, maar desondanks die tweevoudige liefde niet betracht, heeft de Schrift niet begrepen' (Doctr. christ. I,40). De liefde tot God wordt in Christus geschonken; in Hem immers is Gods liefde openbaar geworden. 'Ieder dan die geen liefde betoont, ontkent de komst van Christus'. Geloof in Christus en hoop op Hem zijn belangrijk, maar de liefde tot Hem gaat daar verre bovenuit. Geloof en hoop alleen kunnen ons niet redden: zij moeten concreet worden in daden van liefde. 'Wanneer gevraagd wordt of een mens goed is, dan vraagt men niet wat deze persoon gelooft of hoopt. Men vraagt wat hij liefheeft. Degene die op de rechte wijze liefheeft, gelooft en hoopt ongetwijfeld ook op de juiste wijze. Degene die niet liefheeft, gelooft tevergeefs, zelfs al is het voorwerp van zijn geloof waar. Degene die niet liefheeft, hoopt tevergeefs, zelfs al hoopt hij op het ware geluk' (Ench. 31,117). In het christenleven is liefde dus allerbelangrijkst. In feite heeft Christus slechts één gebod gegeven: elkaar lief te hebben. Waar liefde is, ontbreekt niets meer. Niemand immers heeft lief zonder geloof in de ander; niemand heeft lief zonder hoop in en vertrouwen op de ander; niemand kan zijn naaste echt liefhebben zonder liefde tot God (Joh. Ev. 83,3). Een mens wordt wat hij of zij liefheeft: wie de aarde bemint, zal aarde worden en met haar vergaan; wie de Eeuwige bemint, zal delen in Zijn eeuwigheid (Ep. Joh. 2,14).

Zelfliefde
Mens-zijn is onvolmaakt zijn: als geschapen wezens zijn wij afhankelijk van een Bron. Die Bron van alle zijn is God. Daarom is echte zelfliefde liefde tot God. We hebben onszelf lief, wanneer we God liefhebben (Brief 130,7.14). Liefde tot God is de grootste dienst die wij onszelf kunnen bewijzen (Stad van God 21,27). Maar ook gewone natuurlijke zelfliefde is op zich iets goeds; jezelf haten is niet natuurlijk. Wie heeft ooit zijn eigen vlees gehaat? Eigenliefde bergt evenwel een gevaar in zich: ze kan moreel goed of slecht zijn. 'Eigenliefde die gaat tot verachting van God sticht de aardse stad; liefde tot God die gaat tot verachting van je tijdelijke zelf sticht de onvergankelijke hemelse stad' (Stad van God 14,28).

Naastenliefde
Waarom is liefde tot de naaste zo belangrijk? Zij of hij is een schepsel van God: wij moeten onze naaste liefhebben, omdat God zelf hen liefheeft. Die naaste is trouwens ieder mens, christen of niet-christen, rechtvaardige of zondaar. 'Ieder mens is de naaste van ieder mens' (Preek Denis 16,1-2). In een van zijn preken over de Psalmen kritiseert Augustinus in dit opzicht zelfs een tekst behorend tot zijn bijbel: 'Wees barmhartig, maar geef niet aan een zondaar' (Jesus Sirach 12:4-7). 'Wij moeten ook zondaren naar menselijke waardigheid behandelen, want zij zijn mensen; heb medelijden met hun conditie die gemeenschappelijk is aan ons allen...' (En. in Ps. 102,13). Wie God wil liefhebben, moet beginnen met zijn naaste lief te hebben. In de volgorde van het dubbele liefdesgebod staat de liefde tot God voorop; in de uitvoering gaat de liefde tot de naaste voorop. De liefde tot God wordt allereerst verwerkelijkt in authentieke liefde tot de naaste. 'Wanneer liefde slechts volmaakt is in de twee geboden van liefde tot God en liefde tot de naaste, waarom noemt Paulus in zowel de brief aan de Galaten als in die aan de Romeinen slechts de liefde tot de naaste? Is het niet omdat de liefde tot God niet zo vaak op de proef wordt gesteld en de mensen zich wat deze liefde betreft gemakkelijk voor de gek kunnen houden? De liefde tot de naaste is concreet zichtbaar. Daarom, aangezien het ene gebod niet gehouden kan worden zonder het andere, is het voldoende het gebod van de liefde tot de naaste te noemen wanneer het gaat om de werken van het geloof' (Exp. Gal. 45; Ep. Joh. 8,4).

Liefde als gave
Er is een natuurlijke liefde in de mens tot behoud van zichzelf. Ook die liefde komt van God: de gehele schepping kan met recht een genadegave (gratia) van God genoemd worden (Brief 177,7). Minnenswaard is de schepping wanneer wij weten van haar Schepper: dan heerst geen blinde begeerte (cupiditas), maar caritas (Trin. 9,8,13). Alles waarvoor gedankt kan worden is goed; zo kennen wij de 'limit', de juiste maat (modus) die gelegen is in de Schepper. Liefde voor aardse gaven zal ons dan niet binden (Ep. Joh. 2,12). Ware liefde is immers vrijheid en daarom is aardse liefde op zich niet genoeg. Liefde moet geïnspireerd zijn door Gods liefde en dient deze te weerspiegelen. Zonder de bron van Gods Geest geen levende stroom; zonder die wortel (radix) geen levende vrucht. Waar die Geest inspireert, daar is vrijheid en ware liefde. Daarom de paradox: 'Heb lief en doe wat je wilt. Wanneer je zwijgt, zwijg in liefde; wanneer je spreekt, spreek in liefde; wanneer je terechtwijst, wijs terecht in liefde; wanneer je verdraagt, verdraag in liefde' (Ep. Joh. 7,8). En ook deze: 'Alleen wie slaaf is van de liefde, is waarlijk vrij' (Ioh. Ev. 41,8).