Terug naar Ecclesianet.nl

De Staat, glans en misère (IV, slot)

Dr. H. Klink, ecclesia nr.2, januari 2003

De theologie van Karl Barth werd na zijn publicatie van de beroemde tweede Römerbrief in 1921 wel getypeerd als negatieve theologie. Zijn geschriften werden gekenmerkt door het spreken over God als de Gans Andere, Degene, die kritisch staat tegenover alles wat de mens op aarde tot stand wil brengen. Tegenover Hitler heeft Barth de kritiek die vanuit Gods openbaring op elke menselijke zelfverheffing uit te oefenen valt, volop tot gelding gebracht. We zagen in de vorige artikelen dat dit veel en veel minder het geval was tegenover Stalin en het communisme. Het bleek ons dat hij zelfs heimelijk sympathie koesterde voor het communistische ideaal en streven. Alleen al de lof die hij, ondanks enige kritiek die hij op zijn gedachten uitoefende, de aartscommunist Josef Hromádka (1889-1969), een prominent lid van de Wereldraad van Kerken, toezwaaide, bewijst dit. Nu had Barth er reeds vanaf zijn jonge jaren geen geheim van gemaakt dat hij een overtuigd socialist was. Was hij socialist en had hij later sympathie voor het communisme omdat socialisme en zéker het communisme, om het vriendelijk uit te drukken, óók kritisch (of zelfs revolutionair) stonden tegenover de gevestigde orde?

Alleen het Evangelie
Toch is hiermee niet alles gezegd. Het komt ons namelijk voor dat Barths halfslachtige houding ten opzichte van het communisme samen hing met een ontwikkeling, c.q. verandering van zijn theologie. De theologie van Karl Barth werd in de jaren '30 en daarna namelijk steeds meer gekenmerkt door een volstrekte concentratie op de genade in Jezus Christus. Tot dan toe had men in de kerkelijke leer en prediking altijd gesproken over Wet en Evangelie. In deze volgorde. Altijd had gegolden dat de Wet voorafgaat aan het Evangelie en het Evangelie de Wet, als zelfstandige openbaring van God, vooronderstelt. Barth draaide deze volgorde radicaal om. Hij heeft in alle toonaarden en met grote klem steeds weer herhaald dat er gesproken moest worden over Evangelie en Wet, in die volgorde. Het Evangelie - dat wil zeggen: de vrijspraak, de genade - gaat aan de Wet vooraf. Of om met zijn eigen woorden te spreken: "de ethiek (de zedenleer ) als leer van Gods gebod verklaart dat de Wet de gestalte is van het Evangelie." Barth kent dan ook geen andere geboden, dan evangelische geboden. Alle geboden komen voort uit de genade van Christus. De genade gaat voorop, de geboden en vermaningen dragen allereerst het kenmerk van deze vooronderstelde genade! Welnu, door deze exclusieve gerichtheid op de genade van Christus waarin God zich alleen zou openbaren, had Barth steeds minder aandacht voor de zelfstandige betekenis van de Wet en als gevolg daarvan ook voor het belang van het recht in de menselijke samenleving. Een gesprek over Barths weigerachtigheid om uit te spreken dat hij een anti-communist was, werpt licht op de juistheid van deze conclusie. Toen hem enige jaren na de oorlog gevraagd werd waarom hij zich niet uitsprak tégen het communisme, zoals hij dat tien jaar voordien wel gedaan had tegen het nationaal-socialisme van Hitler, antwoordde hij: "De genade van Christus is nooit tegen iets of iemand. Zij is altijd voor en kàn niet tegen zijn: dus ook niet tegen het communisme." Tot welke aberraties zijn theologisch standpunt in dit geval leidde, zou hem wellicht duidelijk geworden zijn, als men hem vervolgens gevraagd had: "Hoe kon het Evangelie dan wél tegen het nationaal-socialisme zijn?"

Barth dacht dus volstrekt vanuit het Evangelie en benaderde de werkelijkheid exclusief vanuit dit standpunt! De consequenties daarvan waren enorm groot, in de protestantse kerken, in de theologie en vooral óók: op staatkundig gebied. Binnen de grenzen van de Kerk kreeg zijn boodschap, als altijd, veel bijval. Het streelde aanvankelijk het gemoed van veel mensen: "God is sowieso genadig", "het Evangelie verliest zijn geldingskracht nooit, wat men ook doet." Velen ervoeren Barths prediking als een bevrijding van de last van de Wet. Op theologisch terrein kreeg men te maken met een oeuvre dat gekenmerkt werd door tal van paradoxale uitspraken, die zeer verwarrend en verhullend werkten. Barths geschriften zijn vol van ongrijpbare formuleringen, paradoxaal van gehalte, waarvan de lezer zich afvraagt, wat hij nu eigenlijk wil zeggen. Wie eenmaal weet dat hij, hoe het verder ook uitpakt, redeneert vanuit het principe van de genade, kan zijn spoor enigermate volgen en weet hoe het werkt. Maar wat men zich er concreet bij moet denken, is vaak de vraag. Niet voor niets liet Kaj Munk, die zich overigens niet gauw over anderen uitliet, zich ooit ontvallen: "De theologie van Barth is ping pong in de kerk." Toegepast op het terrein van de staatkunde traden de consequenties van zijn theologie wel heel duidelijk aan het licht.

Luthers leer van de twee rijken
Welke consequenties dit waren, wordt wellicht duidelijk aan de hand van een uitspraak van Luther, die eens gewezen heeft op de gevaren van een theologie als die van Barth. Van Luther is het gezegde: "'Louter recht is louter onrecht.' Dat is waar. Maar evengoed geldt: 'louter genade is louter ongenade!' " Luther bedoelde: 'Waar het Evangelie (de evangelische geboden, Gods genade) direct op het terrein van de Staat toegepast wordt, ontstaat er altijd acuut kortsluiting.'Luther wist waarover hij het had. In 1525 (de beginperiode van de Reformatie) deed zich namelijk in het Duitse Rijk de boerenopstand voor. Boeren kwamen in opstand tegen de adel, vanwege hun vaak bijzonder slechte levensomstandigheden. Luther had begrip voor hun klachten en verweet de adel dat hij maar al te zeer aanleiding gaf tot de roerigheid van de boeren. Tóch koos Luther positie tegen de boeren. Hij deed dat nadat zij aan de hand van het Evangelie 12 artikelen hadden opgesteld, op grond waarvan zij betere levensomstandigheden eisten. De bezielende kracht achter de boeren was met name de prediker Thomas Münzer. Hij zegde de adel Gods oordeel aan en meende op grond van onder andere de Bergrede de boeren aan te mogen zetten tot opstand. Toen roeide Luther tegen de stroom in. Hij laakte deze manier van omgaan met de Bijbel. Hij riep de overheid op om in te grijpen en de boerenopstand een halt toe te roepen. Desnoods met het zwaard. Meer dan ooit bleek voor Luther dat de Bijbel spreekt over twee rijken: het rijk van deze wereld, waar de Wet van God het referentiepunt is, en het Evangelie dat ons deelgenoot maakt van het Koninkrijk van God. Wet en Evangelie zijn twee grootheden die niet zondermeer met elkaar vermengd mogen worden. Waar dit gebeurt, ontstaat altijd kortsluiting en dreigt het gevaar van revolutie.

Goddelijk recht
Iemand die in de moderne tijd op dit onderscheid gewezen heeft is de Franse juriste Blandine Barret Kriegel, die onlangs in opdracht van de minister van cultuur en communicatie Jean-Jacques Aillagon in Frankrijk een rapport deed verschijnen over de invloed van de televisie op kinderen. Het rapport deed veel stof opwaaien, omdat haar commissie een fors pleidooi hield voor sanering van t.v.-uitzendingen op tijden dat jonge mensen geacht worden naar de buis te kijken. Deze geleerde Franse dame schreef in 1979 op 36-jarige leeftijd een boek dat in 1986 een herdruk beleefde: L'état et les esclaves (De Staat en de slaven). Waar zij zich grote zorgen om maakt is de grote desinteresse bij sociologen en zelfs rechtswetenschappers over de vraag wat een Staat tot Staat maakt. Onomwonden geeft zij daarop het antwoord: de verankering in het recht. Dat wisten, zo betoogt zij, de geleerden uit de 16e, 17e en 18e eeuw nog wel. Zij stelden zelfs dat de Staat alleen maar gegrond kán zijn op recht. Het recht waar zij op duidden, is het recht dat van Boven komt, dat transcendent is: het is het Goddelijk Recht, waar een mens niet aan mag tornen, maar dat vooraf gaat aan alle leven op aarde. Het recht is van hogere orde, het is onaantastbaar, het staat vast, omdat het van God komt en door God bekend gemaakt wordt. Men kan daarbij denken aan een regel uit de psalmen. In psalm 36 staat de mooie zin: "Uw gerechtigheid is als de bergen Gods." Het is ermee als in het berglandschap van Zwitserland of Oostenrijk, waar de dalen omgeven worden door hoge bergen. In de dalen speelt zich het menselijke leven af. De bergen zien daar als het ware onveranderlijk en onverstoorbaar op neer. Ze omgeven de dorpen en steden, zoals ze dat duizend jaar geleden ook deden. Zo speelt het leven van de mens zich af binnen Gods scheppingsordeningen. Wie ooit in de bergen een klimtocht aflegde en vanaf een bereikte bergtop een dal inkeek, ziet in de verte de dorpen liggen, de wegen lopen, waar heel klein auto's zich voorbewegen. De mensen in de dorpen zijn niet te zien, zo klein zijn ze geworden. Het komt allemaal even vredig over. Het is alsof de dorpen beschermd worden door de bergen die ze omgeven. Stel - wat onmogelijk is - dat men kans zag om de bergen te laten verdwijnen… Het gevolg zou zijn dat het land open lag voor van alles en nog wat. Welnu, waar mevrouw Kriegel op wijst, is het feit dat in de eeuwen na de Reformatie alom het besef leefde dat vorsten, regeringen en parlementen niet naar eigen willekeur wetten mochten vaststellen en afkondigen. Zij zélf waren gebonden aan het Goddelijk Recht en alle wetten dienden het kenmerk daarvan te dragen, iets daarvan te weerspiegelen. Men greep om tot een juiste toepassing van dit Recht te komen, vooral terug op het Oude Testament. De uittocht uit het tirannieke Egypte van de farao en Mozes' wetgeving op de Sinaï lieten zien dat de God van het gebod, dat van Boven komt en dat het "gij zult" spreekt, bevrijdt uit de slavernij van willekeur en despotisme. Alleen eerbiediging van het Goddelijk Recht maakt een juiste staatsinrichting mogelijk en garandeert een juiste betrekking tussen overheden en onderdanen en maakt het menselijke leven mogelijk.

De Wet en het geloof (la loi et la foi)
Waar mevrouw Kriegel naast het belang van het recht voor de Staat op wijst, is het heel belangrijke onderscheid tussen Oude Testament en Nieuwe Testament en de betekenis van beide op hun gebied. Aan de Wet van God en de Bergrede zijn, als men dat zo zeggen mag, vanuit verschillend perspectief voordelen en nadelen verbonden. Het oudtestamentische recht is apodictisch, gebiedend. Het kan gemakkelijk toegepast worden op het aardse leven, maar het kan ook gemakkelijk ontaarden in formalisme. Het laatste gebeurde in Israël ten tijde van het farizeïsme. Het nieuwtestamentische recht is anders van aard, het is persoonlijker, geestelijker, minder juridisch, minder historisch. Dat wil zeggen: het wijst over zichzelf heen naar het Koninkrijk der hemelen. Het is de grondwet daarvan. Om die reden is dit recht minder snel toepasbaar op staatkundig terrein. In de na-Reformatorische tijd wist men van de onlosmakelijke samenhang van Oude en Nieuwe Testament, van Wet en geloof (la loi en la foi). Mevrouw Kriegel ziet nu in de 18e eeuw en daarna de volgende ontwikkelingen zich voordoen: Na de Franse Revolutie was men in Europa in een ander vaarwater gekomen. De nieuwe tijd, die men was ingegaan, vroeg volgens velen om een ánder geloofsverstaan. Het waren vooral vooraanstaande Duitse denkers en theologen, die om die reden zeer uitdrukkelijk het Oude Testament als bron van openbaring loslieten. Zij maakten het geloof los van de Wet en richten zich uitsluitend op de nieuwtestamentische openbaring. Dit geloof was echter niet het klassieke Rooms-katholieke geloof of het lutherse geloof, dat uitziet naar het koninkrijk der hemelen. Nee, de geloofsverwachting werd losgemaakt van het koninkrijk der hemelen dat de gelovigen door Christus in het vooruitzicht wordt gesteld. Het werd vervolgens omgebogen naar een gouden toekomst in deze wereld, die door de nieuwe 'gelovigen' tot stand gebracht moest worden. Met andere woorden, het geloof werd seculier. De toekomst was het terrein waarop het ideaal dat ooit in de Bergrede voor ogen gesteld werd, door de mens verwerkelijkt moet worden. Dit ideaal kan verschillende vormen aannemen: de liberale samenleving, waarin het individu zichzelf zoveel mogelijk verwerkelijkt. De overheid heeft geen andere taak dan om dit mogelijk te maken. Het ideaal kan ook zijn: het belang van het eigen volk te propageren, desnoods met wapenen, omdat het een goddelijke bestemming in de wereldgeschiedenis heeft gekregen . Het kan ook zijn: een zogenaamd eerlijke maatschappij, waarin de mens die eerst onderworpen was aan de machthebbers en de regerende klasse, zich van zijn ketenen losmaakt en de toekomst veilig stelt. Het eerste is de opvatting van de liberalen, het tweede werd met religieuze vervoering gepropageerd door onder andere Fichte (1762-1814) in zijn Reden an die deutsche Nation. Het nationaal-socialisme is er het kleinkind van. De opstand van de lagere klasse om te komen tot een eerlijke maatschappij werd gepredikt door Karl Marx, eveneens met religieuze vervoering. De wet, waarvan geldt, dat zij is als Gods bergen, werd geslecht. Het land lag nu open voor allerlei romantische dromen, voor het heil dat in de toekomst lag en waar met religieuze extatische gloed aan gewerkt moest worden. Het heil moest verwezenlijkt worden, los van de Staat. Sterker, het was de taak van het volk of van de klasse om het heil te verwezenlijken vaak ondanks de Staat. De overheid werd voordien gezien als Gods dienaresse, die regeerde ten goede van de bevolking. Daarmee wordt bedoeld dat de overheid allereerst geroepen is om de rechtsstaat te behoeden, het recht veilig te stellen. In het revolutionaire denken is nauwelijks aandacht meer voor de Staat, men spreekt veel liever over de maatschappij of over de samenleving. De overheid wordt gezien als de dienares van de idee, de instantie op wie de plicht rust om eraan mee te werken het toekomstige heil op aarde te realiseren of om de belangen van een klasse veilig te stellen. Zodra de overheid op de route daarheen een sta-in-de-weg vormt, heeft het volk, of de klasse het recht om ze door Revolutie aan de kant te schuiven. Want de maatschappij, hoe men die ook zien mag, is belangrijker dan de Staat (lees het recht). Van een zelfstandige betekenis van het recht en van de Staat die in het recht gegrond is en de Wet moet handhaven, weet men, aldus mevrouw Kriegel, nauwelijks meer. De gevolgen van deze ontwikkelingen konden niet uitblijven. Alles raakte in West Europa op drift. In Duitsland wreekte het ideologisch denken zich in het nationalisme en het recht van de sterkste, dat via Bismarck en Nietzsche uitmondde in het nationaal-socialisme van Hitler. In Rusland mondde het uit in het communisme dat via Lenin gestalte kreeg in de terreur van Stalin.

Ook Karl Barth…
In West Europa weet men, aldus mevrouw Kriegel nauwelijks meer wat de Staat is. Men kent het Goddelijk Recht niet meer. Terwijl deze ontwikkelingen zich volop voordeden, heeft Karl Barth in theologie en Kerk daar geen tegengas aan geboden. Integendeel: hij maakte dezelfde beweging als vele denkers, rechtsgeleerden en staatslieden. Hij ontkende de zelfstandige openbaring van God in de Wet en in het Recht en wilde alleen weten van het Evangelie! Dáár moet de oorzaak gezocht worden, van het feit dat hij geen tegenweer wist te bieden aan de ideologie van het communisme. Daardoor kwam het dat hij heimelijk sympathie koesterde voor het ideaal dat Stalin zich gesteld had en negeerde hij de consequentie, die dit had voor de Staat en voor het welzijn van de burgers! Daardoor alleen valt zijn waardering te verklaren voor Hromádka. Daardoor valt te verklaren dat zijn theologie de anarchistische tendensen in de Westerse samenleving, die zich ook na de Tweede Wereldoorlog alom voordeden, eerder versterkten dan remden! Vandaar zijn twijfelachtige houding tegenover Josef Stalin. Denkend vanuit Jezus, zo stelde hij, kón hij geen anti-communist zijn. Dat de Wet onrecht te allen tijd onomwonden afwijst, dat het de eerste taak van de overheid is om de rechtsstaat te beschermen, de moraal te bewaken - het is iets waar Barth in de beoordeling van het stalinisme niet in eerste instantie meer mee kón rekenen. Hij had het belang van de zelfstandige betekenis van de Wet, die verankerd is in Gods wil, het belang van het absolute karakter van het "Gij zult…" en "Gij zult niet…" uit het oog verloren. Volgens de grondprincipes van deze Wet is onrecht, zoals bijvoorbeeld doodslag en diefstal etc., ook ter wille van een nationalistisch of communistisch ideaal (door de moderne farao's - Hitler èn Stalin) ten enenmale en te allen tijde verboden. Barth wist niet meer wat de Staat is. Dat geldt van zoveel theologen en juristen. Veel christenen gingen met hem mee. De Doorbraak in Nederland is voor een groot deel op Barths conto te schrijven. Zelfs in de christelijke partijen was er sympathie voor deze beweging. Ook daar verloor men uit het oog wat de Staat is.

Tegen deze ontwikkeling is gelukkig wél weerstand geboden binnen de CDA-commissie die in 1978 het rapport 'Grondslag en politiek handelen' opstelde. Daarin valt te lezen: "De Staat is dus een alomvattend, geordend geheel, dat een gemeenschap vormt, een toestand van recht, orde, evenwicht en rust. De staat is een organisme, of anders uitgedrukt, een rechtsorganisatie, die iedere burger ruimte en bescherming biedt. (…) De Staat is vooronderstelling van alle bestaan. De vooronderstelling ook van de politieke wereld en van de democratie, tevens is de Staat begrenzing. Wie met die vooronderstelling geen rekening houdt, richt de samenleving te gronde." Vanuit het bovenstaande kan men niet anders, dan grote waardering opbrengen voor het feit dat in de genoemde commissie, zoals mevrouw Alice Bakker- Osinga stelt, door toedoen van dr. W. Aalders het woord 'Evangelie' in de definitieve versie werd vervangen door Heilige Schrift. Want "Heilige Schrift"omvat óók de Wet, die door het Evangelie voorondersteld wordt. Me dunkt dat deze notie ook voor de politieke items die vandaag de dag spelen (de multiculturele samenleving etc.) van groot belang is. Als de kerken toch eens de kracht hadden om zich op dit cruciale punt overeenkomstig de zienswijze van de Kerk der eeuwen uit te spreken. Dan zouden ze kunnen komen tot werkelijk actueel belijden. Maar dan moet ook de Kerk haar ideologische veren afleggen en terugkeren tot Wet en Evangelie!