Terug naar Ecclesianet.nl

Heilige Geest en taal - Luthers bijbelvertaling en Pinksteren (II)

Dr. H. Klink, Ecclesia nr.13, juni 2003

In het vorige artikel stonden we stil bij de bijbelvertaling van Maarten Luther, een vertaling die tot op vandaag geroemd wordt en die de mensen in de zestiende eeuw deed uitroepen: "Nu horen wij hen in onze eigen taal de grote werken Gods roemen!" (zie ook Handelingen 2: 8 ). Achter Luthers vertaling van de Schrift lag een heel duidelijk doel. "Ik heb", zegt Luther in zijn boekje Ein Sendbrief vom Dolmetschen, "zó willen vertalen dat de vrouwen in de keukens en de kinderen op de straat en in de stegen het konden begrijpen." Luther gaf in het geschrift aan dat hij van de Heilige Geest de gave had ontvangen om écht Duits te schrijven. Hij bedoelde: op zo'n manier dat er een vonk van herkenning oversprong naar het Duitse volk. Hij beroemt zich erop dat hij zó Duits heeft kunnen schrijven dat iedereen, in welk gebied van het Duitse Rijk men ook woonde, erkennen moest: dit is zuiver Duits - zó zeggen wij dat! Het is Luther inderdaad gegeven om zo in het eigene van de Duitse taal te dringen, zo het taaleigen te proeven, dat zijn taal in het hele Rijk met zijn diverse dialecten, herkend werd als ieders moedertaal. Dat wil niet minder zeggen dan dat Luther met zijn vertaling het hart van het volk wist te raken. Want echte moedertaal is de taal van het hart, het is de taal die de menselijke existentie het meest recht doet.
In die taal heeft Luther de taal van de Schrift weten over te zetten. Daartoe was hij in staat omdat hij in de Schrift zelf de taal van het hart hoorde kloppen. Luther heeft in zijn voorrede op de Psalmen op een fraaie wijze onder woorden gebracht wat die taal inhoudt. Hij schrijft: "Veel liever hoor ik 'heilige mensen' spreken, dan dat ik hun daden zie. En veel liever zou ik in hun hart willen kijken en zou ik de schat die er in hun ziel leeft, zien, dan dat ik alleen hun woorden kon horen. En dát geeft ons nu het Psalmboek op het allerrijkst: wij zien heel duidelijk hoe hun hart gesteld was en hoe hun woorden geklonken hebben, toen ze tot God en tot anderen spraken.
Want een mensenhart is als een schip op een wilde zee, een zee, die opgezwiept wordt door de winden uit de vier windstreken. Híer stuit het op vrees en zorg voor de toekomst, dáár komt een golf van ergernis en treurigheid vanwege een groot kwaad waarmee men in het heden geconfronteerd wordt. Op een ander moment waait de wind van hoop en overmoed om het geluk dat wenkt, en dan weer drijft de wind van veiligheid en vreugde de golven op omdat er sprake is van overvloed.
Zulke stormwinden leren ons iets. Ze leren ernst en ze leggen het hart open. De gronden ervan komen bloot te liggen. Want wie diep in de zorgen en nood zit, die spreekt heel anders over ongeluk en verdriet dan degene die het voor de wind gaat. En wie vreugde op vreugde beleeft, die spreekt en zingt heel anders dan iemand die diep in de problemen zit. Men zegt 'het gaat niet van harte', als iemand die treurig is tóch probeert te lachen of wanneer een vrolijk mens moet huilen. En men bedoelt te zeggen: wat er op de grond van zijn hart leeft, komt niet naar buiten. Welnu: wat vindt men in het psalmboek ánders dan dat de 'heiligen' vanuit de grond van hun hart spreken, in zulke stormwinden? Waar vindt men betere woorden voor vreugde dan in de lofpsalmen of dankpsalmen? Daar ziet u de heiligen in het hart, alsof u in een prachtig aangelegde siertuin keek, ja, alsof u in de hemel keek, en alsof u kon zien welke prachtige, geurende bloemen daar opengaan, van allerlei mooie, vrolijke gedachten over God en Zijn weldaden. En aan de andere kant… waar vindt u diepere, klaaglijker woorden van treurigheid, dan in de klaagpsalmen? Ook daar ziet u de 'heiligen' in het hart, alsof u in het doodsgebied keek, ja soms lijkt het alsof u in de hel zélf een blik sloeg. Hoe duister en donker is het daar, men vindt er een duisternis die te maken heeft met de bedroefde aanblik van de toorn van God. Waar zij nu van troost en droefheid èn van hoop spreken, doen ze dat op zo'n manier dat een redenaar als Cicero het ze niet kan verbeteren…"
Deze taal wist Luther over te brengen. Daardoor is het dat de Schrift voor zijn tijdgenoten tot een levend boek werd, tot stromend lava, zoals dr. Aalders het uitdrukte. Daardoor kreeg de Schrift weer iets van het vuur des Geestes. Door Luthers vertaling vond men in de Schrift dezelfde zorgen en noden, aanvechtingen en uitreddingen, die men zélf in het leven ondervond. En wat voor Luthers vertaling van de Psalmen gold, gold ook voor de vertaling van de andere bijbelboeken. Luther wist ze één voor één (tot en met het moeilijke boek Job toe) over te zetten in een taal, die de harten van de mensen raakte en openlegde, ze vormde en ze weer bracht tot voor het aangezicht van God.

De vraag die we ons nu stellen, is in hoeverre Luthers bijbelvertaling licht kan werpen op hetgeen we lezen in Handelingen 2, waar de mensen op het Pinksterfeest in Jeruzalem uitroepen:"wij horen hen (de apostelen) in onze eigen taal de grote werken Gods roemen!" Wat was de eigen taal (de moedertaal) van de samengestroomde menigte op het tempelplein? Welke taal bedoelen zij?
Allereerst willen we zien welke taal deze mensen in het dagelijkse leven spraken.
Sinds het einde van de 19e eeuw is hierover veel aan het licht gekomen. Door de kolonisatie van het Midden Oosten in de 19e eeuw kregen westerse onderzoekers de kans om archeologie te bedrijven in landen als Palestina en Egypte. Tijdens opgravingen vonden zij tot hun grote verrassing buitengewoon veel dat onder de grond bewaard is gebleven en dat er als het ware op wachtte om opgedolven te worden.
Zo vond men in het woestijnzand van Egypte duizenden en duizenden resten van papyrus, uit de tijd van het hellenisme (de tijd na Alexander de Grote tot 100 à 200 na Christus), met daarop aantekeningen, fragmenten van brieven etc. Taalgeleerden hebben veel werk gemaakt van de bestudering van deze vondsten.
Zeer verdienstelijk is het werk van de grote Duitse geleerde Adolf Deissmann daarbij geweest. Als uitkomst van zijn studie schreef hij in 1909 een fraai boek, Licht vom Osten, waarin hij liet zien hoe allerlei woorden en uitdrukkingen die wij in de bijbel tegenkomen, verduidelijkt konden worden aan de hand van de papyrusvondsten. In veel gevallen leverde dat veel winst op voor de exegese. We hoeven maar te denken aan uitdrukkingen als 'losgekocht worden uit de slavernij van de zonde'. De vondsten wezen uit hoe gangbaar een woord als 'loskopen' was. Het had betrekking op slaven aan wie vrijheid verleend werd! Door uit het gewone leven voorbeelden op te diepen van slaven die dit vergund werd en door in het licht te stellen hoe hun vrijlating toeging, kunnen we ons veel levendiger voorstellen hoe het in de oren van de mensen van toen geklonken moet hebben, toen Paulus de vrijmaking van de zonde door Jezus Christus verkondigde!

Anderen gingen in het spoor van Deissmann, bijvoorbeeld de geleerden James Hope Moulton, Joseph Fitzmeyer en Matthew Black. Veel meer nog kwam er in de loop der jaren door verdere opgravingen en studie aan het licht, onder andere over de taal die men sprak in Palestina ten tijde van de Here Jezus Christus en van de apostelen. Welk antwoord levert hun speurwerk en studie op voor de vraag welke taal de mensen spraken, die op de Pinksterdag bij de tempelhallen stonden te luisteren naar de prediking van Petrus?

We lezen in Handelingen 2 over 'Joden en Jodengenoten'. Zij waren voor een belangrijk deel als pelgrims in de stad Jeruzalem aanwezig om er de grote religieuze feesten van Pasen en Pinksteren mee te maken. Lucas somt een indrukwekkend aantal plaatsen en streken op, waaruit zij afkomstig waren. Hij heeft het over streken en gebieden in Noord-Afrika, Klein Azië, Griekenland, over Kreta en over de delen in Arabië. Ook zijn er in Jeruzalem woonachtige mensen bij geweest - zij die daar van jongs af woonden en zij die uit de diaspora afkomstig waren, maar wellicht op hun oude dag in het heilige land woonachtig waren. De laatste groep hoorde daarmee eigenlijk tot de diasporajoden. Ook waren er proselieten, heidenen die zich, voor zover dat kon, aansloten bij de Joodse godsdienst en eveneens de pelgrimage naar Jeruzalem maakten.
Kortom: de mensen op het tempelplein in Handelingen 2 waren Joden en proselieten uit heel de toenmalige wereld (de oikomenè).
Nu is het door het onderzoek van de afgelopen honderd jaar steeds duidelijker geworden dat in het Middellandse Zeebekken in de tijd van het Hellenisme, zeker door de Joden, het koinè-Grieks gesproken werd - het 'gewone'volk-Grieks. Het gaat dan vooral om de Joden die in Egypte en in het westelijk deel van het Romeinse Rijk woonden. In delen van wat Lucas Arabië noemt, zal het Aramees de voertaal geweest zijn. In het westen was dat dus het koinè-Grieks.
Dit hoeft ons niet te verbazen. Door de ballingschap (rond 500 voor Chr.) waren veel Joden blijvend in de diaspora terecht gekomen. Zij vestigden zich aanvankelijk vooral in Egypte, later ook in de andere landen rond de Middellandse Zee, van Klein Azië tot Noord-Afrika en Spanje toe. In de loop van de jaren raakte het gebruik van het Hebreeuws op de achtergrond. Men nam de gangbare Griekse taal over. Doordat het Hebreeuws in onbruik raakte, werd de Hebreeuwse bijbel door het gewone volk niet meer begrepen. Dat maakte al spoedig een vertaling van de boeken van het Oude Testament noodzakelijk. Deze vertaling is (vanaf ongeveer 200 voor Chr.) hoofdzakelijk tot stand gekomen in Alexandrië: de Septuaginta (LXX). Tijdens de diensten op de sabbat werd er in diaspora alom uit de LXX gelezen.

In de loop van de jaren is er ook meer duidelijkheid ontstaan over de vraag welke taal in Israël gesproken werd. Archeologisch onderzoek bracht daarover veel aan het licht. Men stuitte op graven van mensen uit de tijd van Christus en de apostelen. Veel van deze graven hadden Griekse grafinscripties. Onlangs nog was in het nieuws dat een Griekse grafinscriptie gevonden werd op een beenderenschrijn, waarop de naam van Jacobus voorkomt, 'de broeder van Jezus'. Velen houden het erop dat het gaat om een schrijn waarin de beenderen van Jacobus, de eerste voorganger van de gemeente van Jeruzalem bewaard werden. In ieder geval is duidelijk dat zeer veel inscripties uit de tijd van Jezus en de apostelen, ook op grafstenen van 'gewone'mensen, geschreven zijn in het koinè-Grieks.
Men deed meer ontdekkingen. Zo vond men een grote steen met een inscriptie, die behoorde tot het tempelcomplex. De tekst die men vond, wees de onbesnedenen erop gewezen dat zij het tempelcomplex niet mochten betreden. Ook de Here Christus moet deze tekst meer dan eens gezien en gelezen hebben. Hij was ongetwijfeld te zien bij de ingang van het tempelcomplex. Vanzelfsprekend was deze inscriptie in het Grieks.
Het beeld dat meer en meer oprijst, is dat er in Palestina ten tijde van Christus vooral Aramees gesproken werd, maar…. dat veel in Palestina levende Joden óók een mondje Grieks spraken. Dat was vooral in Galilea (het Galilea der heidenen) het geval en in Jeruzalem, een internationale stad, waar ook veel diasporajoden woonden, die uitsluitend Grieks spraken. In Jeruzalem was zelfs een synagoge voor Grieks-sprekenden.
Al met al veronderstelt men meer en meer dat ook de Here Jezus en velen van zijn discipelen enig Grieks spraken. Het gesprek van de Here Christus met de Syro-Fenicische vrouw moet in het koinè-Grieks gevoerd zijn. Zo ook het gesprek met Pilatus, en ook aanvankelijk het gesprek met Maria Magdalena op de Paasmorgen. Zij dacht met een vreemdeling te maken te hebben en vroeg of de 'gaardenier' wist waar men het lichaam van de Gestorvene gelegd had. Het lijkt er sterk op dat dit gesprek in het koinè-grieks gevoerd werd, totdat de Opgestane Heiland de naam van Maria noemde en zij voor hem neerviel met de roep 'rabboeni', een woord, zo staat er nadrukkelijk bij dat zij tóen uitsprak in het Hebreeuws ( lees: Aramees). Het Aramees was de vertrouwelijke omgangstaal met Christus.

Welnu, uit deze gegevens, die nog met talloze andere aangevuld kunnen worden, komt Fitzmeyer tot de conclusie, dat er in Palestina ten tijde van Jezus Christus drie talen gesproken werden. Aramees was de omgangstaal. Het is de taal van de Tenach, de taal van de schepping en het verlangen naar de Schepper. Zeer velen in Palestina waren min of meer tweetalig: zij kenden het Grieks van de Septuaginta. Dat is de taal van het verlangen naar Gods heil dat in het laatst der dagen openbaar zou worden.
Op Pinksteren voegde daar zich een derde taal bij: de taal des Geestes. En dat in de omgangstaal van die tijd, zodat de diasporajoden en de anderen die op het tempelplein stonden, uitriepen: Nu horen we hen in onze eigen taal de grote werken Gods spreken.
In onze eigen taal.
Wat moeten we daaronder verstaan? Het doet allereerst denken aan Luther, die zo wist te spreken over de grote daden Gods, dat iedereen het begreep. Maar er zit meer achter deze uitroep! Door de Heilige Geest spraken de apostelen zó dat ze het hárt van mensen wisten te raken: ze spraken de taal des Geestes!
En dat verwonderde de mensen het meest. Wat dat inhoudt, daarvan geeft Luther in zijn voorrede op de Psalmen ons een indruk. Daarover in het volgende en afsluitende artikel meer.