Terug naar Ecclesianet.nl

Heilige Geest en taal - Luthers bijbelvertaling en Pinksteren (III)

Dr. H. Klink, Ecclesia nr.14, juli 2003

In het vorige artikel over de taal van Pinksteren stonden we stil bij de vraag wèlke taal er op de Pinksterdag gesproken werd. Het antwoord luidde: in hoofdzaak in het koinè-Grieks, het gangbare Grieks. Dit was de taal die in de landen rond de Middellandse Zee gesproken werd. Dit was ook de taal van de diaspora-Joden, de Joden in de verstrooiing..
Over het koinè-Grieks is men de laatste eeuw veel aan de weet gekomen. Vondsten van papyrusresten en van inscripties uit de eeuw van Christus hebben ons veel dichter bij het leven van 'de gewone man' van die tijd gebracht. Daardoor is ook de bijbeluitleg aanzienlijk verrijkt geworden. Zo zijn in de papyrusresten tal van verwijzingen gevonden naar de precieze toedracht van vrijkoop van slaven. Ik wees er in het vorige artikel al op dat een zin als "losgekocht zijn uit de slavernij van de zonde", veel begrijpelijker voor ons wordt als we deze horen 'met de oren van de mensen tóen'. Zo kan kennis van de taal van die dagen leiden tot belangrijke exegetische inzichten. Een mooi voorbeeld trof ik in het meest recente boek van Seyoon Kim, Paul and the New Perspective. Hij legt daar het woord thriambaiesthai (2 Cor. 2: 14) uit en stelt dat het woord komt van het Romeinse gebruik van triomftochten, waarin een overwonnen generaal als een verslagen vijand of slaaf aan het volk getoond wordt. Zo is Paulus verslagen als een vijand van God, voor de poorten van Damascus. Daar is hij ook geroepen om Christus' Naam te prediken onder de heidenen. In deze tekst heeft hij dus het oog op zijn bekering en op zijn dienst waarin hij lijdt omwille van Christus en omschrijft hij zichzelf als een overwonnen vijand en slaaf in de triomftocht van Christus, opdat hij de majesteit en de kracht van de Overwinnaar, God zelf, zou laten zien!
Men herkent er Paulus' manier van spreken over zichzelf in: licht ironisch en toch vol van ernst, omwille van de heerlijkheid van Christus die hij mag verkondigen. Deze taal, met zijn vele mogelijkheden is de taal van het Nieuwe Testament geworden. Het is deze taal die hoofdzakelijk op de Pinksterdag gesproken moet zijn, zodat de mensen in hun eigen taal, waarin ze geboren waren, hun moedertaal dus, de grote werken Gods hoorden prijzen.

Gods voorzienigheid, de rijkdom van het koinè-Grieks
En toch valt er meer te zeggen. Want op zich is het nog niet zo dat de koinè-taal waarin de mensen de apostelen hoorden spreken, de taal des Geestes is. Er is meer. Het wonder van Pinksteren is dat de Heilige Geest déze taal benutten wil en er een beginsel in legt, dat déze taal zal omvormen en maken zal tot een nieuwe taal, de taal van het hart.
Maar het is wel déze taal! Van Martin Hengel is de uitspraak: "Door Gods voorzienigheid is de taal van het Nieuwe Testament het Grieks en niet het Hebreeuws of het Aramees." Hengel is dus de overtuiging toegedaan dat het niet bij toeval is dat het Evangelie vooral in deze taal verkondigd en doorgegeven is, maar dat dit rust in Gods wijsheid en in Zijn voorzienigheid. In een ander geschrift dan waar ik zojuist uit citeerde, stelt hij: "We kunnen niet genoeg waarde hechten aan het belang en de speciale betekenis van het nieuwe medium waarvan de Geest zich bediende: de Griekse taal."
De vraag rijst natuurlijk, waarom dit van zo groot belang is. Hengel antwoordt: "Vertaald in het Grieks kreeg de boodschap van de oerchristelijke gemeente een universele taalvorm, waarin de woorden van Jezus voor het eerst hun vólle, wereldwijde invloed konden ontwikkelen." Het koinè-Grieks heeft volgens Hengel een veel grotere mogelijkheid tot variatie en een veel grotere uitdrukkingsmogelijkheid dan het Aramees. "Ik hoef nauwelijks te wijzen op de grotere mogelijkheid van modulering van werkwoorden, de vele voorzetsels, de constructie van deelwoorden en van comparativi", aldus Hengel. Met andere woorden: volgens Hengel kwamen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte van Christus' Evangelieboodschap beter tot hun recht in de Griekse taal, de wereldtaal van toen, dan in het Aramese taaleigen!

Het belang van talenrijkdom
Het is van belang hier de vinger bij te leggen.
Alle grote denkers hebben over het wonder van de taal nagedacht. Dat geldt voor Plato, Augustinus, voor de reformatoren en eveneens voor Johann Georg Hamann, een christendenker uit de achttiende eeuw (1730-1788). Het geldt ook voor de Franse christin Simone Weil (1909-1943). Zij heeft eens geschreven: "Taal is geest." Ook stelde zij dat de menselijke geest in zijn taal gevangen is. Dit, omdat taal en geest zo op elkaar zijn aangewezen. De geest van de mens leeft door en in de taal, waar zij door aangesproken wordt. Dat maakt het van zo groot belang hoe er gesproken wordt en welke uitdrukkingen en zinswendingen een taal als mogelijkheden bevat.
Wat zij bedoelde, kan wellicht het beste als volgt geïllustreerd worden. Het zal iedere predikant overkomen dat hij bij mensen komt, die grote problemen hebben in de relatiesfeer. Wie dan wel eens een gesprek meegemaakt heeft tussen man en vrouw, die beiden met het euvel te kampen hadden dat ze zich moeilijk konden uitdrukken, moet het opgevallen zijn dat daardoor heel veel onnodige misverstanden ontstonden. Als men genuanceerder dingen kon zeggen, niet boudweg of onbeholpen, zou veel geruzie voorkomen zijn. Op zich bedoelde men het niet verkeerd, maar de bedoelingen werden verkeerd opgevat, door een ongelukkige manier van spreken. Door begrip van een pastor die het een en ander verduidelijkt en wél weet te verwoorden wat men over en weer bedoelt, kan er soms een heleboel narigheid voorkomen worden.
Zo zijn de grenzen van de taal soms barrières. Ze voorkomen dat de geest tot leven komt. Hoe bevrijdt kan iemand zich voelen als hij een bepaald woord aangereikt krijgt waarvan hij opeens beseft: maar zo bedoel ik dit, of: dat leeft er in mij.
Die persoon die helpt, spreekt in dat geval de taal van het hart. Daardoor worden barrières opgeruimd. Welnu, als de Geest van Christus uitgestort wordt, bedient Hij zich van de rijkdom van het koinè-Grieks, waarover Martin Hengel sprak. Hij bedient zich van de levende taal van toen, met zijn vele mogelijkheden - om het hárt van de mens te raken.

Omgevormd tot een nieuwe taal
Maar er valt nóg meer te zeggen. Want ook door de grotere talenrijkdom van het koinè-Grieks is deze taal nog niet de taal des Geestes. Daarvoor is meer nodig. Het is uit Handelingen 2 duidelijk dat het hart van de mensen aangesproken (er staat zelfs 'doorboord') wordt door hetgeen Petrus op de Pinksterdag inhoudelijk naar voren brengt: de boodschap van de verheerlijkte Christus. In de taal die ze spraken getuigen zij met vrijmoedigheid van "de grote daden Gods"!
Dit betekent niet minder dan dat er door de boodschap die zij brachten in de taal, waarvan de discipelen zich bedienden, een geladenheid kwam, die die taal tot die tijd nog niet had! Het is ermee als met een opmerking die Christus deed in één van zijn twistgesprekken met de farizeeërs over de wet en de traditie. Christus houdt hen voor: "nieuwe wijn doet men niet in oude lederen zakken. Als men dat doet, scheuren de zakken en dan loopt de wijn weg." Nee, nieuwe wijn vraagt om nieuwe lederen zakken.

Welnu, de boodschap van de Geest doet wat met de taal waarvan de Geest zich bedient. Er komt een nieuw element in, waardoor de grenzen van deze taal zich verwijden, waardoor de inhoud van de woorden verandert en verdiept wordt. Door dit nieuwe element wordt een taal pas tot de taal des harten, tot moedertaal! Nieuwe wijn vraagt om nieuwe lederen zakken! De taal des Geestes op de Pinksterdag is een verheven taal. Wie de preken van Petrus en van Paulus in Handelingen leest in het koinè-Grieks, wie de mogelijkheid heeft om de brieven van Paulus in de oorspronkelijke taal te lezen, kan er bijna niet omheen om zo nu en dan deze taal te typeren als geëxalteerde, vervoerde taal! Niet voor niets zegt Paulus in een van zijn brieven: "hetzij wij nuchter zijn, hetzij wij uitzinnig zijn" (2 Cor. 5: 13). Niet voor niets viel het A. von Harnack al op dat in het evangelie van Lucas, maar vooral ook in Handelingen de woorden 'vreugde', 'blijdschap'en 'vrede' zo vaak voorkomen. Veelal was men verrukt van vreugde. Dat is het geheim van de oerchristelijke gemeente. Waar hing die overmaat van vreugde mee samen? Martin Hengel zegt er ergens van: "Enthousiasme bracht het Christendom voort. Vervoering schiep het fundamentele verschil tussen de oerchristelijke gemeente en de eredienst in de synagoge. Door haar opgestane en verheerlijkte Heer stond de gemeente in directe verbinding met het hemelse heiligdom en door de Geest was de Heer zelf aanwezig. Het Koninkrijk van God hoefde niet langer verwacht te worden in een onzekere toekomst, het was al aan het aanbreken! Daar ligt het geheim van de vreugde die de oerchristelijke gemeente kenmerkte: de nabijheid van de verhoogde en verheerlijkte Christus!"
Vandaar dat er gesproken werd over tongentaal! Vandaar dat er ook waren in de menigte op de Pinksterdag, die hiervan niets begrepen. Wat hier aan de hand was ontging hen volledig. Daarom konden zij geen begrip opbrengen voor deze geëxalteerde, vreugdevolle taal. Zij spotten: zij zijn vol zoete wijn!!
Maar anderen werden in het hart geraakt, mede omdat het koinè Grieks - hun eigen taal - tot nieuw leven kwam. De Geest heeft deze taal aangeraakt en zo kwam deze taal tot nieuw leven.
Een nieuwe taal ontstond. De boodschap deed de taal gloeien, zij maakte dat er nieuwe lederen zakken ontstonden, waardoor de oude taal als uit haar voegen gelicht werd. Het toch al rijke koinè-Grieks werd voegzaam gemaakt voor de boodschap van de Heilige Geest, zodat woorden er een nog vollere en rijkere betekenis door kregen en zo het hart konden raken. Toen werd de taal van het hart gesproken.

In de eerste verzen van de brief aan de Hebreeën lezen we: God", Die voormaals op velerlei wijze gesproken heeft door de profeten, heeft in deze laatste dagen gesproken door de Zoon! Vorige keer zagen we wat het 'voormaals' en 'op velerlei wijze' inhoudt! God heeft gesproken door het Hebreeuws van Mozes en de profeten. Door het Grieks van de Septuaginta. Dat was de taal van het verlangen naar de oorspronkelijke schepping en het verlangen naar de voleinding van de geschiedenis. Maar nu geeft God de Heilige Geest het antwoord op de diepste vragen van het menselijke hart, in het Evangelie van de Zoon, in een nieuwe taal!
Wat dat inhoudt? Wat dat met de mens doet?
Stel: iemand ziet de noten van een muziekstuk van Bach op een muziekblad staan. Hij kan geen noten lezen. Dus de 'inhoud' van het muziekstuk ontgaat hem ten enenmale. De tekens zijn een raadsel voor hem. Maar zodra een ander aan het klavier plaatsneemt en het stuk begint te spelen, is het als een wonder: staat dat er?! Kan datgene, wat daar in noten staat, zó tot leven komen en me zó raken!?
Iets dergelijks gebeurde op de Pinksterdag. Luther zegt ervan: als iets dergelijks gebeurt, valt men op de bodem en men aanbidt God! Dat is tongentaal!

Een explosie
Voor veel Nieuw-testamentici is het een raadsel hoe het komt, dat er in de eerste tijd van de christelijke gemeente zoveel woorden gemunt zijn en zoveel uitdrukkingen ontstonden die er voordien niet waren. Er moet sprake geweest zijn van een geweldige taalcreativiteit. Dat is objectief vast te stellen. Maar waar, zo vragen ze zich af, moet men de oorsprong daarvan zoeken? In Antiochië? Zo dacht men jarenlang in de 20e eeuw. Bij Paulus? Steeds duidelijker wordt echter dat men dit nòg vroeger moet zoeken…en wel in de oerchristelijke gemeente te Jeruzalem en dan vooral onder de Griekssprekende christenen. Zij hebben voortgezet wat op de Pinksterdag in de discipelkring begon. Hengel zegt van hen:
"De Grieks-sprekenden in Jeruzalem die voor de eerste keer de oorspronkelijke christelijke boodschap (en de traditie van Jezus) in de Griekse taalvorm goten, waren taalkundig gezien in veel opzichten scheppend bezig. Waarschijnlijk is onze taalschat door hèn verrijkt met de nieuwe en specifiek christelijke betekenis van woorden en uitdrukkingen als 'Evangelie', 'evangeliseren', 'apostel', 'ecclesia', 'koinonia', 'parousie' (komst van Christus), 'genade', 'geloof', 'apocalypse', 'verlossing', 'voor de grondlegging der wereld' en ga zo maar voort. Dat geldt ook voor de uitdrukking 'dé Zoon des mensen' (in plaats van mensenzoon zoals de Septuaginta heeft), een woord dat zoveel geheimen bevat, omdat het lidwoord eraan voorafgaat. We mogen dit als het hermeneutische belangrijke en scheppende vertaalwerk zien als de vrucht van de enthousiaste ervaring van de Geest die de vroegste gemeente ten deel viel." Elders spreekt hij van een 'explosie', die zich voorgedaan lijkt te hebben: welk een creativiteit in zo weinig jaren. Het kan niet anders of deze talenrijkdom, deze 'explosie' had Lucas op het oog, toen hij verslag deed van het talenwonder op de Pinksterdag.

Geestesdoop vandaag?
Ik kan hetgeen ik in deze artikelen naar voren bracht niet beter samenvatten dan met de woorden van Adolf Deissmann, de grote kenner van de papyrusvondsten.Hij schreef in het boek Die Urgeschichte des Christentums im Lichte der Sprachforschung: "Juist omdat wij (door de ontdekking van het koinè-Grieks) de vergelijking tussen het oerchristendom en het hellenisme niet meer op verkeerde plaatsen zoeken, zien wij het werkelijk scheppende van de Nieuwtestamentische taal des te scherper. Niet zozeer woordscheppend als wel begripsveranderend heeft de nieuwe religie gewerkt. Zij heeft dode begrippen levend gemaakt, matte begrippen gestaald, zij heeft het vlakke verdiept en het koude verwarmd. Dat aan te tonen en verder uit te werken zou een mooie en grootse opgave zijn. Wie zou willen aangeven hoe de christelijke gemeente woorden als 'God' en 'Geest', of woorden als 'geloof', 'liefde', 'hoop', 'openbaring', door haar scheppende geest een stempel opgedrukt heeft, zodat ze er als nieuw gemunte goudstukken uitzien, die zou daarmee niet alleen een taalkundige opgave volbracht hebben, maar ook eraan bijgedragen hebben dat wij een beter zicht krijgen op de oerchristelijke gemeente.
De indruk die men overhoudt na studie van het Nieuwtestamentisch Grieks is, dat het een uit het leven zelf ontspringende taal, die alle diepten en de lengte en breedte van het menselijk leven, ondanks zijn eenvoud, omspant. Een taal, die hier als de schalmeien van vrede klinkt en daar als de bazuinen van het gericht, die vandaag kruidig en plastisch vertelt, zoals een moeder in de kring van haar kinderen en morgen korte zinnen uitstoot zoals Johannes in het eerste hoofdstuk van zijn Evangelie, een taal die tegelijk de meeslepende profetieën van de apostel Paulus kan onthullen."

Tot slot. Johann Georg Hamann heeft eens heel cryptisch gezegd: "Wie niet in de baarmoeder van de taal, de goddelijke baarster van ons verstand, ingaat, is niet geschikt tot de Geestesdoop van een kerk- en staatsreformatie."
Hij bedoelde te zeggen: elke reformatie van Kerk of Staat begint met de doop in de taal van het Nieuwe Testament: de Geestesdoop. Als die plaatsvindt, wordt onze eigen taal ánders, niet de taal van de kranten, van de wetenschap, maar Geestestaal. Waar wij zo'n reformatie meer dan ooit behoeven, is het verheugend dat de taal van het Nieuwe Testament door allerlei ontdekkingen en door studie van veel geleerden, zó dichtbij gekomen. Dat de kerk, dat predikanten en studenten er hun voordeel mee doen, zodat zij in deze doop in de taal Hem leren zien, die het Woord is: Jezus Christus! Want, zo eindigen we met Luther: "Laat het ons gezegd zijn, dat wij het Evangelie niet zullen kunnen behouden zonder de talen! De talen zijn de scheden, waarin het zwaard van de Geest steekt!"