Terug naar Ecclesianet.nl

Als!

“Als ik niet had geloofd...” (Psalm 27:13a)

Hoe moeten we Davids woorden “als ik niet had geloofd” opvatten? Is het een uitroep van vast vertrouwen? Of veeleer een wanhoopskreet? Bedoelt de dichter een vraagteken te zetten of juist een uitroepteken? Of zouden vraagtekens en uitroeptekens door elkaar lopen? Is er sprake van een tweestrijd? Zou dat zo zijn, dan herkennen we ons daarin, zeker vandaag de dag.

Velen hebben deze tweestrijd niet (meer). Het geloof is uit hun leven weggeëbd. Meer dan eens ongemerkt. Maar er zijn er ook die willen vasthouden aan het geloof en dan merken wat David merkte: dat ze in het nauw gedreven worden. Het lijkt wel alsof dat altijd gelijk opgaat: vertrouwen en in het nauw gedreven worden. Niet voor niets zit Psalm 27 net als veel andere Psalmen vol tegenstanders, die iemand zijn geloof en zijn God willen ontfutselen. Zou dat niet verklaren dat de twijfel toeslaat als één van de maskers waarachter onze tegenstanders zich verbergen? En dat meer dan eens bij de kern van de gemeente. “O God, wanneer stoppen de vragen?” Of roepen we dat tevergeefs, omdat God er niet meer is? Zo stormt het in menig hoofd en hart. “Als ik niet had geloofd.” Ja, dat zou moeten: geloven, maar ik kan het niet.

Godzijdank dat ons zoals nu dit oude lied op de lippen wordt gelegd. Als dat gebeurt, hoeven we ons niet geloviger voor te doen dan we zijn. Net zo min als dat we twijfel hoeven voor te wenden, terwijl we juist dagelijks Gods nabijheid ervaren.

Wat is namelijk doorslaggevend? Dat het lied begint bij God Zelf: “De Here is mijn licht en mijn heil.” Zeker, grote woorden. Maar het hele simpele “de Here is” zet een wissel om in ons leven. Zo ontstaat het geloof, kinderlijk eenvoudig. “De Here is!” Daarin ligt de zekerheid. Daardoor groeit onze overtuiging.

Vervolgens leert de Heilige Geest ons wát God is: mijn licht, mijn heil, mijn kracht. Hij is dat allemaal in Christus. Zo komt het ervan dat we dwars door alles heen belijden: “Als ik niet had geloofd.” Dat gaat langs de weg van verwondering, van verootmoediging, van zelfkennis ook, waardoor we met David zeggen: “Wijs Uw dienaar niet af in toorn.” Dat hebben we immers verdiend?

Waar we dat ontdekken, maakt het niet zoveel meer uit of het “als ik niet” een uitroepteken is of een vraagteken. Want we roepen het staande voor het kruis van Christus, waaraan Hij Zich erdoorheen geloofd heeft en eraan vasthield: “de Here is”, ook al overlaadde de satan Hem met allerlei “nieten”. Uit de mond van Christus klinkt ons dan tegen: “Ik voor U.”

Daarom is ons “als” niet tevergeefs. “Als ik niet had geloofd!” Dat wil zeggen: als ik mij niet met heel mijn hebben en houden en met al mijn lek en gebrek aan God had uitgeleverd; als ik ondanks kwaaddoeners, tegenstanders, vijanden, belegeringen, valse getuigen, belagers en mensen die briesen van geweld, niet Gods belofte voor zeker waar had gehouden – ik was compleet vergaan. Dat is immers het lot van allen die zonder God leven en sterven. Maar juist daarom gelóóf ik, met hart en ziel, en als het moet tegen hart en ziel in, en soms zelfs, als ik het echt niet begrijp, zónder hart en ziel. “Als ik niet had geloofd.” Maar Godzijdank, het “als” heeft niet het laatste woord. Dat is aan de Geest, Die ons in ons ongeloof te hulp komt.

En dan is de Psalm ook vol van wat wij wél mogen geloven. Bijvoorbeeld dat God ons zal aannemen; dat Hij ons doet schuilen in Zijn hut in dagen van onheil: dat wij Zijn goedheid zien. Daarom kan de Psalm eindigen met de heerlijke en verblijdende oproep: “Wacht op de Here, wees sterk.” Want Hij is getrouw, de bron van alle goed. Dan daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer. Wacht dus, ja wacht, verlaat u op de Heer!

H.J. Lam, Ridderkerk