Terug naar Ecclesianet.nl

De aanslag en de eer, en het Koninkrijk

Kan een aanslag op een tiran de eer van een natie redden? Dat is geen gemakkelijke vraag, maar de groep van Duitse verzetsstrijders die op 20 juli 1944 een bom in de onmiddellijke nabijheid van Adolf Hitler lieten ontploffen, hebben haar bevestigend beantwoord.

Het verhaal is tamelijk bekend, en snel verteld (al is er inmiddels een bibliotheek over vol geschreven). Al vanaf het einde van de jaren dertig kwam een groep van aristocraten, militairen, politici en intellectuelen tot de overtuiging dat Hitler als ‘de grote voltrekker van het kwaad’ moest worden gestopt. Verschillende pogingen hem om het leven te brengen mislukten. Toen diende zich een officier aan, graaf Claus Schenk von Stauffenberg, die vanuit zijn hoge functie in het Duitse leger directe toegang tot Hitler had. Hij zou een bom tot ontploffing laten komen tijdens een bezoek aan de Wolfsschanze, Hitlers militaire hoofdkwartier in de bossen van Oost-Pruisen, terugvliegen naar Berlijn en daar leiding geven aan een zorgvuldig voorbereide staatsgreep. De nieuwe regering zou vrede sluiten met de westelijke geallieerden, samen met hen de communisten verslaan en een nieuw, christelijk, democratisch Duitsland vestigen.

Maar het zat Stauffenberg niet mee, op die bloedhete 20ste juli van het jaar 1944. Gewond geraakt bij gevechten in Noord-Afrika, had hij nog maar één hand, en in de haast van het moment kon hij slechts één van de twee meegebrachte bommen op scherp stellen. Door de hitte waren Hitler en zijn militaire staf die ochtend bovendien niet bijeengekomen in de bunker van de Führer, maar in een houten barak waarvan de ramen open stonden. Het effect van de ontploffing was daardoor veel minder groot. En tot slot schoof een van de aanwezige officieren de tas met de bom een beetje bij Hitler vandaan tot onder de schraag van de zware tafel met landkaarten waar Hitler overheen gebogen stond, waardoor het effect ook veel minder was.

Maar toen Stauffenberg, die zich door een telefoontje naar buiten had laten roepen voordat de bom zou ontploffen, de ravage zag die zijn bom toch nog had aangericht, meende hij zeker te weten dat de Führer dood was. Hij vloog terug naar Berlijn en zette de staatsgreep in gang. Totdat in de loop van de dag duidelijk werd dat Hitler de aanslag had overleefd, en zijn troepen de orde konden herstellen. Stauffenberg en twee mede-samenzweerders werden diezelfde avond nog gefusilleerd, en in de maanden daarna werden honderden mensen gearresteerd en veelal op gruwelijke wijze ter dood gebracht. Zij waren op de een of andere manier bij deze aanslag betrokken geweest of hadden ervan geweten. Tot de laatsten die niet aan de wraakzucht van Hitler konden ontsnappen, behoorde Dietrich Bonhoeffer, die kort voor het einde van de oorlog, op 9 april 1945, in Flossenburg werd opgehangen.

Wie nu Berlijn bezoekt, wordt op vele manieren met dit zwarte verleden geconfronteerd. Wie ter oriëntatie eerst het ‘Haus der Geschichte’ aan Unter den Linden bezoekt, komt onvermijdelijk voor de vraag te staan hoe de geschiedenis van een land dat zoveel filosofen, theologen, musici en dichters heeft voortgebracht, zo dramatisch kon ontsporen. En hem die daarna aan de Wilhelmstrasse in de kelders van het voormalige Gestapohoofdkwartier de tentoonstelling over de ‘Topographie des Terrors’ bezoekt, stokt de adem in de keel bij de confrontatie met zoveel kwaad, zoveel zonde, zoveel razernij. Zelfs de grond en de lucht lijken daar nog altijd als van het grote kwaad doortrokken en een zure geur van ongerechtigheid te wasemen.

Is de eer van het land in deze periode van het Derde Rijk door die aanslag van de 20ste juli gered? De meeste betrokkenen wisten dat de kans van slagen maar klein was, maar hebben toch doorgezet. Zij deden dit vanuit de gedachte dat de wereld dan toch zou weten dat er ook een ander Duitsland was geweest, een niet-nazistisch, beschaafd gebleven deel dat dit allemaal niet had gewild. Toen leden van het verzet tijdens de oorlog in het diepste geheim contact legden met de regeringen van de geallieerde landen, werden zij vaak niet geloofd en al helemaal niet serieus genomen. Niemand minder dan Winston Churchill heeft na de oorlog verklaard hoezeer hem dat speet.

Stel dat het wel was gelukt. Dan nog zouden de geallieerden een onvoorwaardelijke overgave hebben geëist en zou na de oorlog zo goed als zeker een nieuwe dolkstootlegende opgeld hebben gedaan. Dan was de oorlog niet verloren door de kracht van de geallieerden maar als gevolg van het verraad in eigen kring. In het huidige Duitsland worden de mensen van de 20ste juli ieder jaar als helden herdacht. De grote Duitse historicus Joachim Fest (1926-2006) besluit zijn grote boek over de staatgreep van Stauffenberg en de zijnen met een uitspraak van Klaus Bonhoeffer, een broer van Dietrich: ‘Ik geloof dat het goed geweest is dat het gedaan is, en wellicht ook goed dat het mislukt is’.

Dietrich Bonhoeffer wist van de plannen en heeft zich eraan gecommitteerd. Ging het hem ook om het redden van de eer van de natie?

Dat zou kunnen maar hij keek tegelijkertijd ook nog iets verder en dieper. Wie in Berlijn, gewapend met het voortreffelijke reisgidsje van Arthur Alderliesten (Wandelen door Bonhoeffers gedachtegoed; uitgeverij Buijten & Schipperheijn, 2015), de plaatsen bezoekt die aan Bonhoeffers leven herinneren, raakt opnieuw onder de indruk van Bonhoeffers getuigenis. Hij was een pacifist die als een evangelische monnik het seminarie van de Belijdende Kerk had geleid. Maar op een gegeven moment was hij tot de overtui ging gekomen dat je een gevaarlijke gek die dronken om zich heen schietend door de straat fietst, niet met kracht van argumenten tot staan moet proberen te brengen, maar dat je dan een stok tussen de spaken van zijn wiel moet steken.

Dat heeft ongetwijfeld te maken met Bonhoeffers keuze voor een verantwoordings- in plaats van een gezindheidsethiek. Je kunt met de beste bedoelingen iets doen, ziende op het gebod, en niet nadenken over de gevolgen van je handelen. Of je kunt keuzes maken vanuit de gedachte aan de consequenties van jouw doen of laten. Het was de verantwoordelijkheid van zijn generatie om te voorkomen dat Duitsland een tirannie onder antichristelijke machten zou worden. Dan moet je doen wat geboden is – zelfs tegen het gebod van God in. Maar God ziet het hart aan.

Het heeft ongetwijfeld ook te maken met een onderscheid dat Bonhoeffer in zijn postuum gepubliceerde Ethiek heeft aangebracht tussen de laatste en voorlaatste dingen – een zeer wijs en behartigenswaardig hoofdstuk dat blijvende doordenking verdient. De laatste dingen, dat zijn de zaken van het Koninkrijk Gods. De voorlaatste dingen zijn de dingen die wij hier en nu doen en die in het teken dienen te staan van het openhouden van de mogelijkheid van de komst van dat Koninkrijk. Als een soort wegbereiding dus, het openen van ruimte waarin de genade zich in dit leven kan manifesteren. Dan gaat het om brood voor de armen en water voor de dorstigen. Maar het heeft ook politieke consequenties, onder andere voor het in stand houden van een rechtsstaat waarin vrijheid de bedding voor de uitbreiding van het Koninkrijk biedt.

Het waren deze gedachten die mij invielen toen ik deze zomer met een van mijn zoons een bezoek aan Berlijn bracht. Ik moest ook terugdenken aan een interview dat ik alweer zo’n twintig jaar geleden had met Eberhard Bethge, Bonhoeffers vriend en biograaf. We kwamen te spreken over de vraag wat nu uiteindelijke de erfenis van Bonhoeffer was, nu, voor ons. En Bethge zei dat die ongetwijfeld bestond in het antwoord op de vraag wat nu onze vrijheid bedreigt, en wat wij moeten doen om die dreiging af te wenden.

B.J. Spruyt, Gouda