Terug naar Ecclesianet.nl

Kerst als ‘Blijde Inkomste’

De begroeting
Je zou het Kerstgebeuren kunnen vergelijken met de ‘blijde inkomste’, zoals men die in de Middeleeuwen kende: de nieuwe koning bezocht een stad of gebied en werd er met gejuich begroet.

Zo is hier sprake van de ‘blijde inkomste’ van de Zoon van God in de wereld, de schepping. En de schepping laat Hem met gejuich binnen. Het Ere zij God is er het bewijs van. Vanachter de coulissen komen de engelen in de geboortenacht, waarin de sterren aan het firmament prijken, te voorschijn en beginnen ze te zingen! De hemel juicht tot Gods eer. Het heeft iets van Psalm 24, die begint met Des HEEREN is de aarde en haar volheid, de wereld en die daarop wonen. En dan komt de vraag: Wie mag de berg des HEREN beklimmen, wie mag staan in zijn heilige stede. Dan wordt degene die dat mag begroet: Heft, poorten, uw hoofden omhoog, en verheft u, gij aloude ingangen, opdat de Koning der ere inga. Wie is toch de Koning der ere? De HERE, sterk en geweldig, de HERE, geweldig in de strijd.

Wanneer we het nog wat dichterbij halen naar het gebeuren hier en naar ons persoonlijk leven, dan kun je verwijzen naar een kerstvariant van Psalm 24: Nu zijt wellekome, Jesu lieve Heer, Gij kwaamt van alzo hoge, van alzo veer. Daar gaat hier het om. De messiaanse koning houdt zijn intocht in onze aardse, geschapen werkelijkheid.

Het begin
Dat begint natuurlijk al eerder. Het begint al in Nazareth nadat de engel Gabriel gezegd had: De Heilige Geest zal u over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen, daarom zal het Heilige dat uit u verwekt wordt, Zoon Gods worden genoemd (Lucas 1: 35).

Wat de verwekking, de incarnatie, betekent is zo groots, dat het voor ons nauwelijks te bevatten is. Je kunt er maar iets van zeggen. In ieder geval is Jezus ontvangen uit de Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria, zoals de 12 artikelen zeggen. Je moet erbij denken aan Psalm 139, vers 15, waar staat dat wij mensen gewrocht zijn als een borduursel in de onderste delen van de aarde. De Psalm geeft aan dat wij mensen bij de eerste vruchtzetting, deel uit gaan maken van het hele menselijke geslacht. Dat heeft iets onmetelijks. Niet voor niets zegt dezelfde Psalm: Hoe kostelijk zijn mij uw gedachten, o God, hoe overweldigend haar getal, wilde ik ze tellen, ze zijn talrijker dan het zand; als ik ontwaak ben ik nog bij U (vers 17 en 18). Tegenwoordig spreekt men in de psychologie wel van een collectief onderbewustzijn. En dat is er ook. Als je wilt weten, hoe diep dat gaat en hoe ver dat reikt, m.a.w. als je een indruk wilt krijgen van hoe onmetelijkheid het menselijk innerlijk is, dan moet je het derde boek lezen van de Belijdenissen van Augustinus. Daar wordt in feite de betrokkenheid van de enkeling tot het hele menselijke geslacht in termen van het menselijk bewustzijn en het geheugen onder woorden gebracht. Wij dragen in onze genen, in ons bewustzijn, in onze herinnering iets mee van het hele menselijke geslacht van het begin tot nu toe. Dat begint al in de moederschoot. Daar doe je intrede in het hele fijnmazige en ondoorgrondelijke bestel van de mensheidsgeschiedenis. We krijgen zo deel aan deze geschiedenis. Alles ligt erin opgestapeld, een collectief onderbewustzijn, de herinneringen aan het voorgeslacht.

In die diepten is Christus ingedaald. Die heeft hij meegenomen in zichzelf. Daarvan weet Hij tot Adam toe, veel bewuster dan wij. Wij weten er niets of nauwelijks iets van af. Maar Hij is meer dan wij. Wie zou willen beweren dat Hij met zijn heerlijkheid geen contact kon krijgen met Adam, waar Hij deel uit is gaan maken van het menselijke geslacht?

Hij heeft daar vanuit zijn kracht en heerlijkheid zuiverend en verlossend mee om kunnen gaan, met die dingen waar wij geen vat op hebben en nauwelijks toegang toe hebben. Want let wel: Hij komt als verlosser binnen. Door het geloof van Maria, waardoor de Heilige Geest ook het Kind kon overschaduwen was Hij van meet af zuiver en heeft Hij zuiverend deel kunnen nemen aan deze binnenwereld van de kosmos. Dat maakt dat Hij, hoewel Hij bij het menselijke geslacht hoort, rein is van de zonde, diepweg, van binnenuit rein. De zonde heeft op zijn psyche geen vat gekregen. Dat is de betekenis van het feit dat Hij geboren is uit de maagd Maria! Daarover ligt de sluier van een geheimenis, dat we alleen met grote eerbied kunnen benaderen, door met eenzelfde eerbied naar de Schrift en naar de woorden van Maria te luisteren. Dit Kind is een wonder, van meet af aan wordt Hij omgeven door geloof en door de Heilige Geest. Hij draagt het kleed uit Maria, van Israel.

Zo komt Hij in onze werkelijkheid.

De geboorte
Met Kerst is Hij geboren en doet Hij een tweede schrede in deze wereld. Nu jubelen de engelen en zij verkondigen de geboorte van de Heiland aan de herders en zo proclameren ze die aan de wereld.

Zijn zuiverheid en zijn koningschap is in de kribbe in Bethlehem zichtbaar geweest. Niemand die dit zo beseft heeft als de kunstenaar Rembrandt. Je hoeft maar te kijken naar het schilderij De Aanbidding van de Herders, dat in Londen in het British Museum te bewonderen is. Niemand die zo duidelijk de boodschap van Lucas 1 en 2 verbeeld heeft als Rembrandt. Er viel iets te zien in Bethlehem. Iets van zijn heerlijkheid is te zien geweest, altijd weer en steeds weer opnieuw. Zelfs aan het kruis: Zouden ze bij een ander mens ooit roepen, zoals die hoofdman dat deed: waarlijk, deze was Gods Zoon!

Er was dus sprake van een “blijde inkomste”. Jezus is begroet door Maria, Jozef, de herders, later Simeon en Anna. Zij zijn representanten van dat deel van Israel, dat de vertroosting van Israel verwachtte.

Bethlehem
De beloften die heen wezen naar zijn komst werden steeds duidelijker en daarmee ging een steeds groter verlangen naar zijn komst gepaard. Nu wordt de belofte vervuld en het uitzien beantwoord. En het antwoord wordt gegeven in Bethlehem en niet in Jeruzalem, Rome of Alexandrie. Dat zijn in feite, hoe groot en hoe roemrijk ze ook mogen zijn, subpolen. Ze doen later pas mee. Het centrum ligt in de stal van Bethlehem.

Dat is niet toevallig. God heeft in deze streken al jarenlang voorbereidend werk gedaan, om daar de Verlosser te ontvangen. Ten noorden lag Sichem, het gebied waar Jozua het volk bijeen riep om voor God te kiezen. Hier is David geboren en heeft hij zijn zangen geschreven. Hier was het geestelijk gebied van de profeten geweest. Ook na de ballingschap is het gebied van betekenis geweest. Niet al te ver hiervandaan is de Qumrangemeenschap, waar ook uitgezien werd naar de komst van de Heiland. Daar treedt Hij naar buiten. Maar als de Koning is Hij ertoe bestemd om langzamerhand de wereld in beslag nemen: Jeruzalem, Alexandrie, tot in Rome en het hele achterland van Rome, West Europa toe.

God en mens
Jezus neemt dus de hele voorgeschiedenis van de mensheid in zijn ontferming op, al die dingen die er in het voorgeslacht geleefd hebben, van Ruth en Boaz, van Samuel en Hanna en ga maar door. Hij doet dat als de Zoon van God. Zo treedt Hij naar voren. En zo kon Hij de verlosser zijn. Als zodanig werd Hij met kerst begroet, door de hele schepping! Wat later in Chalcedon beleden is, wordt in de beginhoofdstukken van Lucas al naar voren gebracht:

“Wij belijden, in navolging van de heilige vaders, allen eenstemmig dat onze Heer Jezus Christus een en dezelfde Zoon is, volmaakt in zijn Godheid en volmaakt in zijn mensheid, waarlijk God en waarlijk mens, bestaande uit een redelijke ziel en een lichaam, een van wezen met de Vader naar zijn Godheid en een van wezen met ons naar zijn mensheid, ons in alles gelijk, behalve de zonde, van eeuwigheid uit de Vader gegenereerd naar zijn Godheid, maar in het laatst der dagen omwille van onze zaligheid uit de Maagd Maria, de moeder Gods, geboren naar zijn mensheid, een en dezelfde Christus, Zoon, Heer, Eniggeborene, in twee naturen, onvermengd, onveranderd, ongedeeld, ongescheiden; daarbij wordt het onderscheid tussen de naturen op geen enkele wijze tenietgedaan door de vereniging, maar veeleer worden de kenmerkende eigenschap van elke natuur bewaard en samengebracht in een persoon en een hypostase, niet alsof Christus is gescheiden of verdeeld in twee personen, maar een en dezelfde Zoon en eniggeboren God, Woord, Heer, Jezus Christus; precies zoals de profeten vanaf het begin betreffende Hem hebben gesproken en onze Heer Jezus Christus ons heeft geleerd, en de geloofsbelijdenis van de vaders ons heeft doorgegeven.”

Jezus heeft de ware menselijke natuur gedragen, in de zondeloosheid van de Zoon van God, die afgedaald is. In dat licht is de naam “Jezus” belangrijk. Het betekent: God verlost. Onwillekeurig moet je denken aan Jozua, die het volk bracht in het beloofde land. Om dat te doen is Jezus gekomen als degene van wie geldt: God verlost. Hij is de Zoon van God, God zelf. Zo is Hij in deze wereld gekomen, eerst in Maria’s schoot, daarna met de geboorte in Bethlehem in de geschiedenis. En zo heeft Hij zich geopenbaard. Dit ging meer en meer voor de discipelen open, tot Petrus Hem als zodanig beleed. Dat bleek Hij te zijn, van meet af aan, ook zelfs in zijn lijden, sterven en in zijn opstanding.

Het is dus een grote misvatting om te doen alsof de vleeswording en het lijden als het ware het teniet doen van zijn Godheid was. Dat kan op veel manieren: door te doen alsof de Zoon ondergegaan is in zijn lijden of door te stellen: juist door te lijden, juist in zijn niets-zijn blijkt dat Hij de Zoon is. Dan zoekt men de heerlijkheid van de Zoon in de verborgenheid. Dat is onzinnig. Dan is het dialectiek en geen openbaring meer. Tegenover deze misvattingen die steeds weer de kop op steken, staat de belijdenis van Chalcedon. Maar dat geldt ook van zulke ‘eenvoudige’ liederen als Komt verwondert u, hier mensen, ziet hoe dat u God bemint, waarin de zin voorkomt: Zie die het Al is in gebreke, ziet, die ’t licht is in de nacht, ziet die het zoet is dat zo goed is, wordt verstoten, wordt veracht.