Terug naar Ecclesianet.nl

Jochen Klepper (I)

In het Liedboek voor de kerken dat in 1973 verscheen, waren veel liederen opgenomen van nog onbekende dichters. Een van hen was Jochen Klepper. J.W. Schulte Nordholt vertaalde een Adventslied (Gezang 130), Ad den Besten een Kerstlied (Gezang 155).

Het Kerstlied keerde in het Liedboek – Zingen en bidden in huis en kerk van 2013, niet terug. Daarin kregen wel twee andere liederen van hem een plaats, beide vertaald door Sytse de Vries1.

Jochen Klepper, wie was deze Duitse dichter?

Joachim Georg Wilhelm Klepper werd 22 maart 1903 geboren in het stadje Beuthen aan de Oder. Beuthen ligt in Silezie, een deel van Duitsland dat na de Tweede Wereldoorlog moest worden afgestaan aan Polen. Het draagt nu de naam Bytom OdrzaƄski. In dit stadje van in die tijd ongeveer 3.000 inwoners was zijn vader predikant. Zijn moeder was afkomstig uit streng rooms-katholieke kringen, maar was bij haar huwelijk protestants geworden. De kerkorde van de Evangelische Kirche der Altpreußischen Union stelde als een van de verplichtingen dat de vrouw van de predikant dezelfde religie beleed als de man. Zij wordt beschreven als een vrouw die veel belangstelling had voor kunst, dominee Klepper als een enigszins liberale theoloog, hoewel ook beinvloed door het theologisch denken van de Herrnhutters.

Op zondag Laetare (drie weken voor Pasen) wordt Jochen gedoopt. Later zou hij schrijven dat hij altijd heel erg op zondag Laetare was gesteld.2 Ook de dooptekst die hem op zijn reis door het leven vergezelde was hem bijzonder lief: “Vrees niet, want Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn”(Jesaja 43:1).

Jochen heeft twee zusjes die ouder zijn dan hij, en na hem worden nog twee broers geboren. Er heerst een zekere welstand in het gezin, doordat de ouders niet onbemiddeld zijn. De familie woont niet in de pastorie, maar in een statig herenhuis. Vader Klepper bezit als een van de eersten in Beuthen een auto.

Na de lagere school bezoekt Jochen, een tengere, bleke jongen, die aan astma lijdt, het gymnasium in Glogau. In die jaren vindt de wereldoorlog plaats, waarna een deel van Silezie wordt afgeknipt en bij de nieuwe staat Polen gevoegd. Beuthen en Glogau komen nu dicht bij de grens te liggen. De keizer treedt af. Voorbij is de glorie van Pruisen. Het zijn gebeurtenissen die de jonge Jochen diep beinvloeden. De laatste jaren op het gymnasium zijn, ook omdat hij dan bij een leraar in Glogau in de kost is, een kwelling voor hem.

Wanneer het einddiploma is behaald, gaat hij studeren, theologie, want evenals zijn vader wil hij predikant worden. Hij begint in 1922 zijn studie in Erlangen, waar hij ook andere dan theologische colleges volgt, zoals over psychiatrie, muziek en kunstgeschiedenis. Met andere studenten heeft hij niet veel contact. Hij stopt met zijn studie in Erlangen en laat zich in de zomer van 1923 aan de universiteit van Breslau inschrijven. Daar loopt hij onder meer bij Erich Seeberg3 college, en er ontstaat een vriendschappelijke relatie met de professoren Ernst Lohmeyer4 en Rudolf Hermann5, die de jonge student beinvloeden. Lohmeyer door zijn bijzondere belangstelling voor de taal, Hermann door zijn preken. Lohmeyer schreef ook wel gedichten en Jochen heeft daar veel belangstelling voor. Hij probeert in die jaren zelf ook al de dichtkunst te beoefenen. En het was Hermann die Jochen binnenleidde in de theologie van Luther. ‘Mijn leermeester’ – dat was voor Jochen professor Hermann, met wie hij ook een correspondentie aanging, die tot in 1942 zou doorgaan6.

In Breslau heeft Jochen meer contact met zijn medestudenten dan in Erlangen. Een van hen is Harald Poelchau, die als gevangenispredikant in Berlijn hem ook later trouw zal bijstaan. De naam van Harald Poelchau is ook bekend als deelnemer aan de Kreisauer Kreis, die in de Tweede Wereldoorlog beraadslaagde over een aanslag op Hitler en het Duitsland van na de oorlog.7

Jochen breekt zijn studie kort voor het einde af. De redenen waarom hij dit doet zijn niet helemaal duidelijk. Hij wil graag predikant worden, dat blijkt ook uit latere uitspraken. Was zijn gezondheidstoestand de oorzaak van dit besluit? Hij leed veel aan zware hoofdpijnen en zou dat levenslang doen. Zag hij, overgevoelig en kleinmoedig mens als hij was, tegen het gewicht van het ambt op? Trok hem de meerdere vrijheid die een ander beroep hem zou bieden?

Toch heeft hij een maal gepreekt. In januari 1927 wordt zijn vader getroffen door een attaque. Nu deze plotseling is uitgeschakeld, staat Jochen op 30 januari van dat jaar op de kansel van de kerk van Beuthen om zijn eerste en enige preek te houden. De tekst is de storm op zee, die door het machtswoord van Jezus wordt gestild. Tien jaar later tekent hij in zijn dagboek aan: ‘Vandaag is het tien jaar geleden dat ik in Beuthen tijdens vaders zware ziekte mijn enige preek hield.’ En hij vervolgt: ‘God geve mij het ambt van predikant en de pastorie ook als schrijver.’

De onvoltooide theologische studie blijft voor hem een wonde plek. Eens droomde hij dat hij in een kerk had gepreekt en dat dit voor hem een ‘onbeschrijflijk gevoel van geluk en kracht, van vervulling’ had gegeven.

Jochen wordt geen predikant, wat dan wel? Hij schrijft artikelen en gedichten, die hij tijdschriften en dagbladen aanbiedt. Eerst schrijft hij onder het pseudoniem ‘Georg Wilhelm’, daarna ondertekent hij met zijn eigen naam. Zijn eerste bijdrage is een In Memoriam voor de dichter Rainer Maria Rilke, naderhand een artikel over Baruch de Spinoza. Enig inkomen uit zijn schrijfwerk is bitter noodzakelijk, want in Duitsland waart de inflatie rond als een spook. Zij brengt armoede, ook in het ouderlijk huis, waar vader van zijn ziekte niet herstelt.

Het is een uitkomst voor Jochen dat hij een werkkring vindt. Hij krijgt een aanstelling bij het Evangelische Presseverband für Schlesien, dat in Breslau is gevestigd. Nu keert hij vanuit het ouderlijk huis naar Breslau terug. Hij kan zich geheel wijden aan het schrijven van artikelen en het verzorgen van radio-uitzendingen. Een van zijn collega’s daar is Kurt Ihlenfeld (1901 – 1972), een gedoctoreerd theoloog, die zich ook zou ontwikkelen als dichter en schrijver. Met hem ontstaat een vriendschap die tot het levenseinde van Jochen zou voortduren.

Laat ik, met het oog op het naderend Kerstfeest, deze eerste aflevering over Jochen Klepper besluiten met het Kerstlied dat hij later dichtte, en waarvoor in het nieuwe Liedboek geen plaats meer was. Was dat omdat het geen vrolijk lied is?

Kind, nu wij om U vrolijk zijn,
valt ons uw nood in en uw pijn,
‘t leed dat door onze schuld vannacht
wij hebben over U gebracht.
Kyrie eleison,
Christe eleison,
Kyrie eleison.

De wereld is vol feestgeschal.
Maar Gij ligt in een arme stal.
Uw oordeel is alreeds geveld,
uw kruis staat ginds al opgesteld.
Kyrie eleison,
Christe eleison,
Kyrie eleison.

De hele wereld baadt in licht.
Maar U wacht nu reeds het gericht.
Uw eenzaamheid wendt niemand af.
Vlakbij uw kribbe gaapt het graf.
Kyrie eleison,
Christe eleison,
Kyrie eleison.

De wereld is vol luid gezang.
Maar U wacht dood en ondergang.
Gij moet wel slapen angstvervuld
onder ‘t gewicht van onze schuld.
Kyrie eleison,
Christe eleison,
Kyrie eleison.

Eens, als Ge ons tot uw vreugde noodt,
aan gene zijde van de dood,
zal zonder bitterheid en pijn
ons hart vrij voor het loflied zijn.
Kyrie eleison,
Christe eleison,
Kyrie eleison.

L.J. Geluk, Rotterdam

Noten
1 Gezang 130 is in het nieuwe Liedboek Lied 445. Verder is Lied 250 en Lied 947 van Jochen Klepper.
2 Dagboek, 3 maart 1940
3 Erich Seeberg (1888 – 1945) was vooral bekend vanwege zijn studies over Luther.
4 Ernst Lohmeyer (1890 – 1946) was Nieuw-Testamenticus. Wegens zijn anti-nazi houding werd hij verbannen naar Greifswald, waar hij na het einde van WO II rector van de universiteit werd. Na een conflict met het sowjet bewind, werd hij gearresteerd en ter dood gebracht.
5 Ook Rudolf Hermann(1887 – 1962) is bekend door zijn studies over Luther
6 Zijn correspondentie met Jochen Klepper werd in 1992 onder de titel Der du die Zeit in Händen hast, uitgegeven door Heinrich Assel, Chr. Kaiser Verlag Munchen.
7 Freya von Moltke, eertijds de vrouwe van het landgoed Kreisau, gaf in 1997 bij C.H. Beck in Munchen Erinnerungen an Kreisau – 1930 -1945 uit. In 2001 ook verschenen bij de Deutscher Taschenbuch Verlag.