Terug naar Ecclesianet.nl

In memoriam Gerrit Holdijk

Op maandag 30 november gingen de luiken dicht van zijn boerderij aan de Oudedijk in Uddel. ’s Nachts om half drie was hij overleden, ‘in vol geloofsvertrouwen’, na een ziekte (alvleesklierkanker) die beheersbaar leek maar dit voorjaar toch weer de kop op stak. Afgelopen zaterdag is hij in zeer besloten kring begraven – Gerrit Holdijk (1944-2015).

Van de organisaties die hij diende – de SGP en de Gereformeerde Bond – was van elk slechts een persoon uitgenodigd: Menno de Bruyne en Piet Vergunst. Zo is hij in stilte heengegaan, zoals hij ook teruggetrokken had geleefd. Ver weg van de massa’s en de spotlights van het moderne leven. Solitair maar sociaal, trouw en betrouwbaar, onverstoorbaar, een man uit een stuk, mild en kwetsbaar, bescheiden en bedachtzaam, pijp rokend, een man van wie je moet zeggen dat het een eer is hem gekend te hebben.

‘De organisaties die hij diende’: die zin klopt eigenlijk niet. Hij vertegenwoordigde zichzelf, of beter: zijn denkbeelden en opvattingen. Vrij en onverveerd, zonder last of ruggenspraak, zoals Edmund Burke dat eens heeft uitgelegd in zijn toespraak tot zijn kiezers in Bristol (1774). Ten tijde van het gedoogkabinet van CDA en VVD, toen zijn stem als senator onmisbaar was voor een meerderheid, heeft de coalitie (door de PVV gedoogsteund) geluk gehad. Hij gaf zijn steun op enkele technische onderwerpen die toen aan de orde waren. Als er andere onderwerpen op tafel hadden gelegen was hij gewoon zijn geweten gevolgd en had hij tegen gestemd. Niemand had hem daar vanaf kunnen brengen, geen coalitiepartij, geen hoofdbestuur. In dit opzicht was deze SGP’er de laatste CHU’er, hervormd tot op het bot, met een staatsrechtelijke antenne die nooit stoorde.

Holdijk was een boerenzoon. Met zijn moeder, Griet Holdijk, en een oom, Griets kreupele broer Driekus, groeide hij op in de boerderij aan de Oudedijk. Hij was intelligent, deed het gymnasium in Apeldoorn en studeerde notariaat en rechten in Utrecht. Hij vestigde zich als zelfstandig jurist, een praktijk die voortvloeide uit zijn rol van taxateur van landerijen en boedels. Hij heeft ook nog een tijdje les gegeven aan de Driestar in Gouda, als leraar maatschappijleer. Op zaterdagmorgen wijdde hij havisten en vwo’ers wekenlang in in de geheimenissen van het staatsnoodrecht – geen onderwerp dat onmiddellijk op belangstelling en de daarbij behorende orde in de klas kan rekenen. Maar toen vroeg ds. G. H. Abma van de SGP hem in 1972 fractiemedewerker voor ‘juridische en moeilijke zaken’ te worden. Hij ging, en bleef tot 2010. Hij werd in 1986 lid van de Eerste Kamer, wat hij – met een onderbreking tussen 1987 en 1991 – tot juni dit jaar is gebleven. Maar hij zat ook 24 jaar lang in de Provinciale Staten van Gelderland (van 1987 tot 2011). En hij maakte ruim 32 jaar deel uit van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond.

Hij hielp ook nog een dagdeel per week mee op de boerderij van zijn moeder. Na haar overlijden in 2000 heeft hij de boerderij overgenomen en smaakvol verbouwd. Waar eens koeien stonden, stonden sinds 2006 lange rijen theologische, juridische, historische en filosofische boeken. ’s Morgens liet hij de kippen en ganzen los. Toen de PVV in de Senaat een hoofdelijke stemming aanvroeg die laat op de avond zou worden gehouden, ging hij gewoon naar huis. Bij de voorzitter verontschuldigde hij zich met het argument dat hij voor de schemer thuis wilde zijn. Er slopen vossen langs de Oudedijk, en dus wilde hij zijn kippen en ganzen op tijd binnen hebben.

Hij noemde zichzelf ‘slechts een jurist in de coulissen van de politiek’. De behoefte aan aandacht, een ondeugd van de gemiddelde politicus, was hem dan ook volledig vreemd. Misschien mag ik dit aan de hand van een anekdote toelichten. Jaren geleden, ik was politiek journalist bij het Reformatorisch Dagblad, reisde ik af naar Apeldoorn voor een interview met Holdijk. Ik werd hoffelijk ontvangen en we gingen ervoor zitten. Maar de openingszinnen van Holdijk luidden dat hij eigenlijk niet zo’n behoefte aan een interview had. Een goed gesprek, dat was wat anders. Ik vroeg hem toen of hij het goed vond als ik een schriftelijk verslag van dat goede gesprek in de krant zou publiceren. Dat was dan wel weer goed. Maar niet dan nadat hij mij had gevraagd hem gerust te onderbreken als hij iets fouts zei of hem aan te vullen wanneer dat nodig was. Zoiets heb ik daarvoor of daarna nooit meer meegemaakt.

Hij heeft in al die jaren in de Senaat slechts een keer een motie ingediend. Over de bescherming van winkeliers bij de winkelopenstelling op zondag. Die motie werd met een ruime meerderheid aangenomen.

Hij heeft zichzelf dus nooit verkocht. Wie zijn zelfstandigheid koestert, gaat geen veertig uur per week voor dezelfde baas werken. Hij was hooguit een of twee dagen per week in Den Haag. ‘Ik ben een solist. Ik kan geen leiding geven en kan geen leiding hebben. Ik ben niet een meegaand type.’

Hij was een man van karakter. De wijze waarop de regering de MKZ-crisis meende op te moeten lossen (door ‘ruimingen’) ging hem zeer aan het boerenhart. Zo ga je niet met Gods schepping om. Hij begreep het protest van de boeren in Kootwijkerbroek. Hij werd uitgenodigd voor de bruiloft van de dochter van de verantwoordelijke minister, Brinkhorst (D66), met prins Constantijn, maar ging niet. Hij wilde niet in een situatie belanden waarin hij deze man een hand moest geven. Hij stemde tegen de toestemmingswet voor het huwelijk van prins Maurits en de katholieke Marilene van den Broek in 1998 (‘de moeilijkste van alle beslissingen die ik ooit heb moeten nemen’), maar voor de toestemmingswet voor het huwelijk van prins Willem-Alexander en de eveneens katholieke Maxima, omdat zij hun kinderen hervormd zouden laten dopen.

Binnen zijn partij nam hij een betrekkelijk geisoleerde positie in op het punt van de geloofsvrijheid. Theocratie was voor hem geen politiek programma, maar een beginsel, een geloofsovertuiging. ‘God regeert. Dat klinkt simpel, maar voor mij is het de essentie’. Wij leven vanuit het laatste in het voorlaatste. Vooruitgrijpen op het Koninkrijk is een doperse dwaling. In Utrecht was hij onder de bekoring van de theoloog A.A. van Ruler gekomen, en van hem had hij geleerd dat de diepste bron van de tolerantie de barmhartigheid van God is. Onze levenstijd is genadetijd.

Extra genadetijd kreeg hij zelf toen hij, nadat hij samen met zijn vrouw Leny de rouwkaart al had opgesteld en een dominee voor zijn begrafenis had gevraagd, toch nog geopereerd kon worden en enige tijd zelfs weer zijn werk kon hervatten. Het was vooral een tijd van ‘loslaten en vastgehouden worden’. Hij zag op tegen het sterven, want vanuit zichzelf had hij niet zoveel zekerheid. ‘Maar de beloften zijn wel zeker. De zaligheid ligt buiten ons, niet in ons. Met die belofte moeten we het doen, maar daar kunnen we het ook mee doen.’

Toen een van zijn beste vrienden enkele weken afscheid van hem nam, zei Holdijk bij de achterdeur: ‘Het wordt goed’. Boven het in memoriam dat deze vriend voor de Banier schreef, staat als kop: ‘Nu is het goed’.

B.J. Spruyt, Gouda