Terug naar Ecclesianet.nl

Dr. W. Aalders herdacht: een theoloog met een boodschap voor vandaag

Met meer recht nog dan van dichters kan men zeggen dat profeten of profetische figuren seismografen zijn van hun tijd. Zo was het met dr. W. Aalders, die op 25 december 2005, dus bijna 10 jaar geleden, op 96-jarige leeftijd is overleden.

Dr. W. Aalders was zeer betrokken op de tijd waarin hij leefde. Hij voelde zich als dienaar van het Woord geroepen om de gemeente, de Kerk van Christus, in deze tijd te dienen en de weg te wijzen. Zijn boodschap had een profetische lading. Hij bracht haar ook met profetische kracht.

Dat brengt veel met zich mee. Wie als kind de verhalen hoort van de profeten uit het Oude Testament komt daarvan onder de indruk. Wie ouder wordt beseft wat het iemand als Elia gedaan moet hebben, om alleen te staan tegenover duizenden valse profeten. Het is volstrekt geen dankbare taak om in verzet te komen tegen je tijd of, zoals dr. Aalders het uitdrukte, een correctie te zijn op de tijd. Vaak komt de betekenis van profetische figuren pas (ver) na hun dood aan het licht, omdat de gebeurtenissen die zich dan voordoen hen in het gelijk stellen en hun prediking onderstrepen.

Zo heeft dr. Aalders het verre van gemakkelijk gehad in de jaren dat hij van zich deed spreken.

Twee perioden zijn daarin m.i. te onderscheiden.

Na de Tweede Wereldoorlog

De ‘Doorbraak’ en de ‘theologie van het Koninkrijk van God’
De eerste periode was de tijd na de Tweede Wereldoorlog, toen in Europa het tij kantelde. Het was de tijd waarin de moderne theologie zich verzwagerde aan het socialisme, de tijd van de “Doorbraak”. De midden- orthodoxie die zich sterk orienteerde op Barth maakte in de Hervormde Kerk de dienst uit. Ze drong ook door in de andere kerken, met name de Gereformeerde Kerken. Mede dankzij deze theologie raakte de eeuwigheid uit het beeld. Daardoor viel ook de diepte van wat vanouds bekering werd genoemd weg, evenals het innerlijke, geestelijke leven. Oude begrippen kregen een nieuwe betekenis en lading: bekering werd vertaald als ‘gegrepen worden door de nood van de armen’; wie gericht was op het Koninkrijk van God kwam op voor een betere en rechtvaardiger wereld. De metafysisica heeft de kerk alleen maar schade gebracht, het leidde de aandacht af van de wereld en sloeg de kerk tegenover het onrecht in de wereld met machteloosheid. De opstanding van Christus werd als historisch feit nauwelijks relevant geacht. De ‘boodschap’ ervan des te meer. Het Evangelie, zo renedeerde men, moedigt ons nl. aan om in opstand te komen tegen onrecht. De Bergrede werd volkomen binnenwerelds vertaald. Zij moest politiek worden toegepast. Jezus was de ‘grote dwarsligger’, die heilige huisjes omver wierp en die een ‘partijganger was van de armen’. Het grote thema van de Bijbel is de ‘exodus’, het uittrekken van het volk van God uit het verleden naar een onbekende toekomst, steeds maar weer opbreken naar onbekende verten, naar het beloofde land waarin gerechtigheid woont, met Jezus als de grote voortrekker.

Schildwacht van de eeuwigheid
Tegen deze trent tornde dr. Aalders op. In weerwil ervan nam hij het op voor het meest authentieke van het geloof: het innerlijke, geestelijke leven. Het opvallende is dat hij dat juist deed vanuit een grote betrokkenheid op deze wereld, die juist ‘eeuwigheid’ nodig heeft. Het is het enige nodige! De Kerk dient zich op het breukvlak van de wereld en de eeuwigheid op te stellen, wil ze troost en uitkomst bieden. Zich daar op te houden, is haar meest eigenlijke roeping. Als ze haar opdracht niet uitvoert, verkommert de wereld en staat de mens in de geschiedenis alleen. Hij wordt afgesneden van de hoofdader van het leven. Daarmee heeft de Kerk geen gemakkelijke taak. Ze staat met haar boodschap tegenover de mens die zich de geschiedenis wil toeeigenen als het terrein waar hij thuis hoort en waar hij het zelfgekozen heil wil verwezenlijken. Daar lag voor dr. Aalders de antithese.

Euripides/Job
Wat Aalders bedoelde, kan wellicht het best geillustreerd worden aan de prachtige studie die hij schreef over het bijbelboek Job. Daarin gaat hij in op de Griekse tragedie en vooral op Euripides. Euripides werkt in zijn tragedies het typisch Griekse inzicht uit dat de mens die aan hybris (overmoed) lijdt, gedoemd is om zijn eigen ondergang te bewerken. In overmoed dacht hij greep te hebben op het leven en de toekomst in handen te hebben. Maar bovenmenselijke krachten bewerken, in samenspel met zijn overmoed zijn ondergang. Het is alsof hij die krachten oproept! Gedesillusioneerd en wanhopig staat ‘de held’ bij de brokstukken van zijn leven, waar (dat besef dringt nu door) alleen een soeverein ingrijpen van Boven hem kan verlossen. Nu vallen hem de schellen van de ogen en leert hij ‘omhoog’ te zien!

In Euripides’ tragedies zag Aalders een belichting van de moderne geschiedenis en hoorde hij een boodschap voor de moderne mens. Zoals de overmoedige ‘held’ in de tragedie had de Europese mens zich losgemaakt van een eerbiedige houding tegenover God. Hij had de geschiedenis in eigen hand genomen en was revolutionair geworden. Gouden bergen werden daarbij in het vooruitzicht gesteld. Maar het ongeloof zorgde voor een vacuum, waardoor de boze macht kreeg. De geschiedenis verhevigde zich, revoluties, catastrofes als de holocaust en het communistisch schrikbewind waren het gevolg.

Juist in die situatie heeft de Kerk een roeping. Zij moet wijzen op de oorsprong van die nood (de menselijke hybris). Vooral dient zij de mens die in de geschiedenis is vast gelopen en de verschrikkingen ervan heeft beleefd, op te zoeken en uitkomst te bieden, door hem te wijzen op Gods ‘generzijds’ en zijn definitieve verlosssende ingrijpen in de geschiedenis, in het kruis en de opstanding! In een preek zei dr. Aalders het treffend: “Het Evangelie is een blijde boodschap voor degenen die aan de wereld hopeloos zijn geworden.”

Na de jaren negentig

Een veranderd ‘klimaat’
In de tweede periode van zijn werkzaamheid heeft Aalders deze grondtoon van zijn theologie vastgehouden. Toch was de eerste periode een prelude op wat hij sinds de jaren negentig steeds sterker en in grootsere variaties naar voren bracht. De jaren negentig gaven een grote verandering te zien, zowel in de wereld als in de kerk (van Nederland). Allereerst was daar de val van de Berlijnse muur en de ineenstorting van het communisme. Liberalen en socialisten legden de ideologische veren af en werden vooral ‘bestuurders’. In de kerken zag men hetzelfde verschijnsel. De moderne theologie had zijn beslag gekregen. Men was er tevreden mee. Een behoefte aan een herijking van de theologie werd niet sterk gevoeld. Een eventuele bezinning op de theologie reserveerde men voor later.

Desondanks waren voor sommige geesten de eerste barsten in het vredige bastion van voorspoed en maakbaarheid voelbaar. Samuel Huntington wees op breuklijnen in deze wereld, vooral tussen de moslimwereld en de westerse wereld. Hij riep, begrijpelijkerwijs, verzet op. Men bleek beducht voor een dergelijke analyse. Wakkerden zij niet juist de tegenstellingen aan?

Anticipatie
Het is opvallend dat juist dr. Aalders in deze jaren, ondanks zijn ouderdom, zich wel toelegde op een herijking van de theologie. Het was alsof hij voorvoelde dat het algemeen gedeelde optimisme ongegrond zou kunnen zijn. Niet dat hij een pessimistische inslag had. Als een van de eersten gaf hij zich in het begin van de jaren negentig rekenschap van de val van de muur en de perestrojka van Gorbatsjov, die hij met de nodige vreugde en verwachting begroette. Ook schreef hij over de eenwording van Europa. Hij toonde aan dat Nederland dankzij het protestantisme een bevoorrechte natie was en dat de staatkundige en kerkelijke geschiedenis van ons land met het oog op de grote politieke vraagstukken waar Europa voor stond, vruchtbaar gemaakt kon worden. Maar het was alsof hij aanvoelde dat de wereld op een tweesprong stond. De tijd van betrekkelijke rust in de wereld aanvaardde hij dankbaar. Maar zij kon een tijdelijke windstilte zijn, die vooraf ging aan een nieuwe heftige storm. Zou de politiek, zou Europa daartegen bestand zijn? De secularisatie zette ondanks de val van de muur ‘gewoon’ door. Wat hem zorgen baarde, was dat juist deze jaren het bestaan van de Hervormde Kerk in het geding was. Door het fusieproces met andere kerken zou ze haar historische band met het volk verliezen. En dat in een tijd waarin de Kerk een bijbels-theologisch fundament nodig had, om staande te kunnen blijven en om gelovigen met kracht te kunnen bijstaan. De noodzaak daarvoor was al aanwezig vanaf de Franse Revolutie. Het 19e eeuwse Reveil (Groen van Prinsterer!) had de bouwstenen daarvoor geleverd. Maar niet alleen het Reveil. Aalders was op de hoogte van de Nouvelle Théologie, een beweging van geleerde rooms-katholieke theologen na de Wereldoorlog. Hij was vertrouwd met de boeken van pere Lagrange, C.H. Dodd en Martin Hengel. Zij hadden bouwstenen aangeleverd voor een theologie, die de Kerk in staat kon stellen een antwoord te geven op de meest fundamentele vraag na de Franse Revolutie, die nog steeds actueel was: de vraag naar het waarom en waartoe van de dynamiek van geschiedenis, met zijn vele catastrofes. Het curieuze was dat moderne theologen, voor wie tot voor kort de ‘theologie van het Koninkrijk van God’ een hot item was, zich met deze vraag nauwelijks meer bezig hielden. Zij liepen in de pas met de individualisering van de maatschappij, met het postmodernisme, voor wie ‘grote verhalen’ geen relevantie meer hebben en voor wie elke mening telt. Het lijkt erop dat met de verfletsing (en liberalisering) van het socialisme ook een verfletsing van hun theologie hand in hand ging. De scherpe kantjes raakten ervan af.

De Kerk en de LXX
Juist toen bleek Aalders een profetische statuur te hebben. In tegenstelling tot de moderne theologen lieten hem de themata van de geschiedenis en de plaats van de Kerk daarin niet los. Hij (voor)voelde dat ze meer dan ooit actueel waren. Er was na de Franse Revolutie en de verschrikkingen van de 20e eeuw geen authentiek kerkelijk antwoord gegeven op de vraag naar de godsverduistering, die door de verschrikkingen van de geschiedenis acuut was geworden. Zolang daarop geen antwoord gegeven was, bleef deze vraag de Westerse samenleving chronisch achtervolgen, ook al leek ze nu te sluimeren. Juist in Europa was de vraag naar de zin van de geschiedenis ontstaan. Europa had gezorgd voor een geweldige verheviging van de dynamiek van de geschiedenis. Andere volkeren waren daarbij betrokken geraakt. Biedt Europa ook het antwoord? Biedt de Kerk het antwoord?

Aalders zocht naar dit antwoord! Dit kon alleen van de theologie komen. Het antwoord kan alleen in de Bijbel, in de kerkelijke liturgie en eredienst gevonden worden. Als dit antwoord niet gevonden werd, zou de Kerk als een relict in de geschiedenis staan.

De beantwoording van deze vraag drong te meer omdat Aalders, zoals gezegd, aanvoelde dat de rust die de jaren negentig te zien gaven, niet zou blijven. Daarom schreef hij De Kerk, het hart van de wereldgeschiedenis (1995) en zijn trilogie over de LXX. Als de officiele Kerk geen antwoord formuleerde, was het de roeping van de enkeling om dat te doen, vanuit de Schrift en de authentiek christelijke traditie, met gebruikmaking van de meest recente literatuur op theologisch gebied. Als oude man is hij daartoe in staat geweest. Met kracht vroeg hij aandacht voor de apostolische grondslag van de Kerk en voor het fenomeen van de apocalyptiek in de Bijbel. Daarmee was hij zijn tijd vooruit. In mei 2001 publiceerde hij De apocalyptische Christus, volgens Tenach, Septuagint en Evangelie.

Dat hij met het aansnijden van deze thematiek zich niet had vergist, bleek enkele maanden later, toen op 11 september de Twin Towers werden aangevallen. Deze gebeurtenis was voor hem een signaal, veelzeggend en pijnlijk tegelijk. Hij had zich niet vergist, de tijd waarin wij leven, krijgt apocalyptische trekken. Het maakte duidelijk wat hij had geschreven: we hebben meer nodig dan het Evangelie dat tot nu toe werd verkondigd. We hebben het volle nieuw-testamentische zicht nodig op de levende Christus. Om ons dat te geven ontmoette Christus Johannes op Patmos, die na zijn ontmoeting met Christus als de Pantocrator zijn Evangelie schreef. Het apostolische uitzicht dat daarin geboden wordt kan de Kerk niet missen.

Het Nieuwe Testament is bovendien de historische voortzetting van de LXX, de Bijbel die in Alexandrie is ontstaan. De LXX is het antwoord van de Joden op de tijd van de ballingschap en de verstrooiing. In de LXX werd de weg gewezen naar boven, naar de verwachting van een ingrijpen van God in de geschiedenis, waarbij het kernwoord genade is, een ingrijpen dat bestemd is voor alle volkeren! Deze Bijbel bood de Joden de mogelijkheid om staande te blijven in de geschiedenis, zonder te radicaliseren. De LXX leidde het Joodse volk tot aan de drempel van de dingen die gebeurden rondom Jezus van Nazareth, die de kern vormen voor het apostolische getuigenis van het Nieuwe Testament. Dit getuigenis werd dus compleet nadat het zijn culminatie vond in de Johanneische geschriften.

Het fundament voor de Kerk en haar boodschap is dus gelegen in de Tenach (het Hebreeuwse Oude Testament), de LXX en het Nieuwe Testament. Alleen dit getuigenis kan de Kerk op de been houden en missionair maken.

Tot slot
Ik sluit af met enkele slotopmerkingen:

  1. Toen dr. Aalders zich bezig begon te houden met de LXX deed hij dat geheel zelfstandig, als enige Nederlandse theoloog. Hij was ertoe gekomen door de boeken van I.L. Seeligman (1907 – 1982). Pas later bleek dat ook in andere landen theologen van naam de grote betekenis van de LXX waren gaan inzien.
  2. Aalders wees op de betekenis van de Tenach, de LXX en het Nieuwe Testament. Zelfs als de Kerk ontrouw zou zijn, heeft de christen de Bijbel. Dat is van groot belang: in de kerkgeschiedenis ging aan elk Reveil een herontdekking van de Bijbel vooraf. Nu de LXX herontdekt wordt, zou dit opnieuw het geval kunnen zijn.
  3. De Bijbel is niet alleen het boek van Israel. Het is een boek dat relevant is voor alle volkeren. De geschiedenis van alle volkeren gaat terug op de eerste hoofdstukken ervan. Het zou een zegen zijn als moslims ermee bekend zouden worden. Ze zouden in de oud-Israelitische verhalen iets van hun eigen achtergrond en mentaliteit kunnen herkennen en op een ‘natuurlijke’ wijze meegenomen worden in de richting van de LXX en het Nieuwe Testament. Het zou goed zijn als christenen zich hiervan rekenschap gaven.
  4. Het zou de moeite waard zijn een Nederlandse vertaling te hebben van de LXX. Wanneer het daar ooit van zou komen, verdient het voorkeur om het Oude Testament af te drukken als in een parallelbijbel: in de ene kolom staat de vertaalde Hebreeuwse tekst en in de andere de vertaling van de LXX. Daarachter zou het Nieuwe Testament een plaats moeten krijgen. Een dergelijke Bijbel zou de christenen kunnen helpen om in deze wereld staande te blijven en zicht te krijgen op wat Aalders noemde ‘de apocalyptische Christus’!

Want daar was het dr. Aalders om te doen.

H. Klink, Hoornaar