Terug naar Ecclesianet.nl

Dietrich Bonhoeffer (I)

In hoofdstuk 11 van de Brief aan de Hebreeën wordt van Abel gezegd, dat hij “nog spreekt, nadat hij gestorven is” (vers 4). In de loop der eeuwen is dit woord ook op vele anderen toegepast, o.m. op Bonhoeffer. De Duitse theologe Dorothee Sölle (1929 – 2003), bekend als een fervente vertegenwoordigster van de “God-is-dood”- theologie, heeft eens gezegd: “Bonhoeffer is de enige grote twintigste-eeuwse Duitse theoloog, die men in de eenentwintigste eeuw nog de moeite van het lezen waard zal vinden.” Een lofspraak, waarbij ik overigens een kanttekening zou willen plaatsen, en wel deze: Bonhoeffer leeft niet alleen door zijn geschriften onder ons voort. Wij gedenken hem als een theoloog, die zijn theologie be-lééfd en met zijn leven bezegeld heeft. Vandaar, dat ons – zo vergaat het míj althans - bij het lezen van zijn geschriften telkens weer zijn levenseinde voor ogen staat. Een levenseinde, dat ons vertwijfeld doet vragen: “Waarom toch?”

De vroegere Utrechtse hoogleraar A.A. van Ruler zegt ergens: “Het is zonder meer een ramp voor de theologie en de kerk, een onbegrijpelijke daad van God, dat Bonhoeffer niet is blijven leven.”1 Een opmerking, geheel in de lijn van wat Bonhoeffer zelf eens geschreven heeft: “Wie begrijpt de selectie van hen, die God vroeg tot zich neemt? Komt het ons bij de vroege dood van jonge christenen niet steeds weer voor als berooft God zichzelf van zijn beste instrumenten in een tijd nog wel, dat Hij deze het meest nodig heeft? Maar God maakt geen fouten. Heeft God misschien onze broeders nodig, ergens, voor een geheime dienst in de hemelse gewesten, ten behoeve van ons, die achterbleven.”2

Levensloop

Dietrich Bonhoeffer werd op 6 februari 1906 in Breslau geboren, in een gezin, dat acht kinderen telde, waarvan hij het zesde was. De familie Bonhoeffer behoorde tot de gegoede burgerij. Zijn moeder, Paula von Hase, was uit aristocratische kringen afkomstig. Toen Dietrich zes jaar oud was, verhuisde het gezin naar Berlijn, waar zijn vader tot hoogleraar in de psychiatrie was benoemd.

De Bonhoeffers behoorden tot de Lutherse kerk, maar waren niet bepaald kerkelijk meelevend. Van geloof als een zaak van overtuiging, van een persoonlijke keuze was geen sprake. Geen belijdend, maar veeleer een vrijblijvend christendom, een soort “cultuurchristendom.” Niettemin ging de jonge Bonhoeffer theologie studeren, aanvankelijk met de bedoeling een academische carrière op te bouwen. Maar gaandeweg realiseerde hij zich, dat het Evangelie hem niet onberoerd liet. Het werd steeds minder vrijblijvend, steeds meer concreet. In een brief van 1936 lezen wij: “Toen kwam iets anders, iets dat mijn leven tot hiertoe veranderd en een andere richting gegeven heeft. Ik kwam voor het eerst in contact met de bijbel. Ik had al dikwijls gepreekt, ik had al veel van de kerk gezien, erover gesproken, - en toch was ik nog steeds geen christen geworden. Ik weet het, ik heb uit de zaak van Jezus Christus profijt voor mezelf getrokken. Ik smeek God dat dit nooit meer mag gebeuren. Ik had ook nog nooit of maar heel weinig gebeden. Ik was bij al mijn verlatenheid heel tevreden over mezelf. Daaruit heeft de bijbel mij bevrijd, en vooral de bergrede. Van toen af is alles anders geworden.”

Nadat de jonge Bonhoeffer het gymnasium had doorlopen, ging hij aan de universiteit van Tübingen theologie studeren. Vier jaar later, in 1927, promoveerde hij in Berlijn op een proefschrift, getiteld Sanctorum Communio. Eine Untersuchung zur Soziologie der Kirche3. Na een jaar lang werkzaam geweest te zijn als vicaris in de duitstalige gemeente van Barcelona keerde hij terug naar Berlijn, waar hij de laatste hand legde aan zijn “Habilitationsschrift’, Akt und Sein, en zo het recht verwierf universitair onderwijs te geven. In 1930 vertrok hij naar de Verenigde Staten om aan de Union Theological Seminary in New York te gaan studeren. Een jaar later in Duitsland teruggekeerd werd hij privaatdocent in Berlijn, terwijl hij tevens als studentenpredikant aan de Technische Hogeschool ging werken.

Het nationaal-socialisme

Op 30 januari 1933 onderging de politieke constellatie in Duitsland een aardverschuiving: Adolf Hitler werd rijkskanselier, - een gebeurtenis met vèrstrekkende gevolgen, ook voor de kerk, zowel voor de Rooms-Katholieke als voor de Evangelische Kerk. Wel verklaarde Hitler twee maanden later in een redevoering: “De nationale regering ziet in de beide christelijke confessies de belangrijkste factoren voor het behoud van onze volksaard”, maar de werkelijkheid gaf een heel ander beeld te zien: de kerk diende zich onvoorwaardelijk aan het nationaal-socialistische bewind te onderwerpen. De Ariërparagraaf (iemand, die geen ariër is of met een niet-ariër is gehuwd, kon geen officieel ambt bekleden) gold ook voor kerkelijke ambtsdragers.

In april 1933 werden alle Protestantse kerken in Duitsland verenigd in één Reichskirche, die zich congeniaal met het beleid van de nazi’s verklaarde, met inbegrip van de maatregelen tegen de Joden. Voor Bonhoeffer, die de Joden als broeders en zusters beschouwde, betekende dit, dat de kerk haar roeping had prijsgegeven. Zij had Jezus ondergeschikt gemaakt aan de ideologie van de Nazi’s. Jezus, de Heer van alle leven, was een Jood. De kerk diende voor de Joden op te komen. “Alleen wie het opneemt voor de Joden heeft het recht Gregoriaans te zingen”, aldus Bonhoeffer. Zijn protest vond echter geen gehoor. Integendeel zelfs. Toen hij het in een lezing (“Die Kirche vor der Judenfrage”) voor een kring van geestverwanten (!) voor de Joden opnam en bovendien tot openlijk verzet opriep, verlieten sommige aanwezigen de zaal.

Ernstig teleurgesteld door ervaringen als deze, vertrok Bonhoeffer in oktober 1933 naar Engeland om daar als predikant van de Duitse evangelische gemeente in Londen-Sydenham te gaan werken. Bijna twee jaar lang heeft hij deze gemeente gediend.

De ‘Bekennende Kirche’

In deze jaren nam in de Evangelische Kerk in Duitsland de invloed van de ‘Deutsche Christen’ (‘Duitse Christenen’) gaandeweg toe. Velen voegden zich naar de “nieuwe orde.” Zij, die weigerden in het gareel te lopen, verenigden zich in de Bekennende Kirche (Belijdende Kerk). In haar eerste synodevergadering, in mei 1934 gehouden, werden als de grondslag van de Belijdende kerk de “Barmer Thesen” aangenomen: alleen Christus is Heer, en elke ideologie, die hiermee in strijd was, werd op ondubbelzinnige wijze afgewezen.

Voor de predikantsopleiding van de Belijdende Kerk werd o.m. in Finkenwalde (bij Stettin) een seminarie in het leven geroepen, waarvan de leiding aan Bonhoeffer werd toevertrouwd. Behalve voor de theologische studie werd hier ook veel tijd voor meditatie en gebed ingeruimd. In deze tijd begon Bonhoeffer aan het schrijven van zijn boek Nachfolge (Navolging), waarin hij, uitgaande van de Bergrede, breedvoerig aandacht besteedt aan de vraag, wat het betekent in het Duitsland van zijn dagen christen te zijn. Het boek is de neerslag van een bespreking van vragen, waarover hij met zijn studenten langdurig van gedachten had gewisseld.

Het seminarie heeft slechts korte tijd bestaan. In 1937 werd het door de Gestapo gesloten. Verschillende aanhangers van de Belijdende Kerk werden gearresteerd.

In 1939 komt Bonhoeffer voor een moeilijk probleem te staan: de militaire dienstplicht. Binnen afzienbare tijd zal de lichting, waartoe hij behoort, opgeroepen worden. Hij piekert er echter niet over om onder het Hitler-regime soldaat te worden. Om aan de dienst te ontkomen zal hij naar het buitenland moeten uitwijken, maar hiervoor is een officiële uitnodiging van de een of andere instelling nodig. In Amerika doen verschillende mensen hun best een uitweg voor hem te vinden. En zo ontvangt hij, door bemiddeling van Reinhold Niebuhr, hoogleraar aan het Union Theological Seminary te New York, een uitnodiging om in de Verenigde Staten een jaar lang gastcolleges te komen geven.

Op 2 juni 1939 scheept hij zich in, maar kort nadat hij in Amerika is aangekomen, besluit hij naar Duitsland terug te keren. Aan Reinhold Niebuhr schrijft hij: “Ik moet deze moeilijke periode van onze vaderlandse geschiedenis dóórmaken met de christenen in Duitsland. Ik zal geen recht hebben om mee te werken aan de wederopbouw van het christelijk leven in Duitsland na de oorlog, als ik de beproevingen van deze tijd niet met mijn mensen deel.4 (…).” In zijn boek ‘Gemeinsames Leben had Bonhoeffer geschreven: “Wij moeten bereid zijn ons door God te laten onderbreken. God zal onze wegen en plannen steeds weer, ja dagelijks doorkruisen, doordat Hij ons mensen met hun aanspraken en vragen op ons pad zendt”5. Woorden, die in de jaren, die volgden, voor hemzelf bewaarheid zouden worden.

In het verzet

In augustus 1940 wordt Bonhoeffer door admiraal Canaris, het hoofd van de Abwehr, de militaire contraspionage- dienst, ingeschakeld om voor deze dienst te gaan werken. Deze dienst fungeert echter als een dekmantel voor verschillende verzetsactiviteiten. Aangesteld om zijn buitenlandse contacten in te zetten voor contraspionage, gebruikt Bonhoeffer deze in werkelijkheid voor het verzet. Op 15 april 1943 echter wordt hij door de Gestapo gearresteerd, op beschuldiging van betrokkenheid bij de voorbereiding van een aanslag op Hitler. Via meerdere gevangenissen en het concentratiekamp Buchenwald komt hij uiteindelijk in het concentratiekamp Flossenbürg terecht, waar hij op 9 april 1945 in opdracht van Hitler wordt opgehangen.

Er is geen graf van Bonhoeffer bewaard. Alleen hangt op de muur van de kerk van Flossenbürg een gedenkplaat waarop geschreven staat: “Dietrich Bonhoeffer, getuige van Jezus Christus.”

J.G. Barnhoorn, Nunspeet

Noten
1 A.A. Van Ruler,”Vragen, door Bonhoeffer aan de orde gesteld”, in: Theologisch Werk, deel V, pag. 175.
2 E. Bethge, Dietrich Bonhoeffer, Theologe-Christ-Zeitgenosse, eine Biographie, pag. 576, geciteerd door G.Th. Rothuizen, Aristocratisch Christendom, pag. 69v.
3 Gemeenschap der heiligen.
4 D. Bonhoeffer, geciteerd door G.Th. Rothuizen, a.w., pag. 28.
5 Idem, pag. 85.