Terug naar Ecclesianet.nl

Drie schijngestalten van de Antichrist (I)

In dit artikel wil ik aandacht vragen voor iemand die in het huidige kerkelijke klimaat zo niet totaal genegeerd wordt, dan toch, onderbelicht blijft, namelijk de Antichrist. Ik bepaal me tot drie schijngestalten van deze figuur, twee ontleend aan de Heilige Schrift en één aan een werkje van de grote Russische denker, Vladimir Solovjov. Het zijn: de Antichrist als vergoddelijkte heerser, de Antichrist als loochenaar van de incarnatie en de seculiere Antichrist.

De vergoddelijkte heerser
De term ‘antichrist’ komt in het Nieuwe Testament alleen voor in de eerste en in de tweede brief van Johannes. Er zijn echter twee figuren die, zonder dat ze deze naam dragen, in de traditie steeds vereenzelvigd worden met de Antichrist, namelijk de mens der wetteloosheid uit de tweede brief van Paulus aan de Tessalonicenzen en het beest dat uit de zee opkomt uit het boek Openbaring. Wat wordt er over beide gezegd?

De mens der wetteloosheid1
In 2 Tessalonicenzen 2: 1-12, waarschuwt Paulus de gemeente van Tessalonica dat de paroesia, de wederkomst, van Jezus Christus nog niet kan plaatsvinden, omdat eerst ‘de afval’ moet komen tezamen met de ‘de mens der wetteloosheid’. Hij herinnert de lezers eraan dat hij dit meermaals gezegd heeft. Kennelijk was het, anders dan in de huidige verkondiging, een vast onderdeel van zijn prediking. Wie is dit toppunt van wetteloosheid? Paulus schrijft, dat hij zich ‘in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is.’ Daarbij konden zijn lezers zich wel iets voorstellen. Tien jaar daarvoor had keizer Gaius Caligula zichzelf als een god laten vereren en zelfs het plan opgevat om een beeld van zichzelf te laten plaatsen in de tempel te Jeruzalem. Vóór hij dit plan ten uitvoer kon brengen werd hij echter vermoord. Ongetwijfeld heeft Paulus ook gedacht aan het optreden van de Grieks-Syrische koning Antiochus Epiphanes die tweehonderd jaar eerder leefde. Uit de toevoeging ‘epiphanes’, ‘verschijnend’, aan zijn naam blijkt dat deze zichzelf beschouwde als verschijning van de god Zeus. Hij was een jodenhater en had in de tempel te Jeruzalem een altaar laten oprichten voor ‘zijn’ god Zeus. Het lijkt aannemelijk dat Paulus hem als een soort van oerbeeld heeft beschouwd dat dat in de loop van de geschiedenis streeds opnieuw gestalte zal aannemen, zoals in het geval van Caligula. Totdat dit eenmaal voor de laatste maal gebeurt.
Als krachtbron van de mens der wetteloosheid wordt satan genoemd. Door hem wordt deze mens in staat gesteld om ‘allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen’ te doen en met ‘verlokkende ongerechtigheid’ de mensen achter zich aan te krijgen. Het valt op dat Paulus voor de verschijning van mens der wetteloosheid eveneens het woord ‘paroesia’ gebruikt, evenals voor de wederkomst van Christus. Daarmee wil hij kennelijk aangeven dat deze mens het tegenbeeld is van Jezus Christus. Een confrontatie kan dan ook niet uitblijven. Als de mens der wetteloosheid op het toppunt van zijn macht staat, vindt de paroesia van Jezus Christus plaats die hem doodt ‘door de adem (pneuma, ook ‘geest’) van zijn mond’. We kunnen hierin naar mijn mening het motief van David en Goliat ontdekken: De satanische geweldenaar wordt door de zoon van David omvergeblazen.
Wanneer zal de paroesia van de mens der wetteloosheid plaatsvinden? Paulus noemt twee dingen. In de eerste plaats: de voortekenen zijn er al, want ‘het geheimenis van de wetteloosheid’ is thans reeds in werking. In de tweede plaats:, het kan nog niet doorbreken want er is een macht die het ‘weerhoudt’. Er is veel gespeculeerd over de vraag wat of wie die weerhouder is, maar het schijnt dat we moeten denken aan de macht van het Romeinse rijk. Hoeveel kwaad ook van dit rijk te zeggen viel, het schiep een klimaat van ‘law and order’ waarin het leven kon gedijen en het evangelie verkondigd kon worden. Het werd pas echt gevaarlijk wanneer de nog levende keizer zich als een god ging beschouwen zoals Caligula deed. Dit was echter een uitzondering. In Rome werd de keizer weliswaar vergoddelijkt, maar pas ná zijn dood. In het Oosten van het rijk, het gebied waar Paulus tot nu toe actief was geweest, bestond echter de neiging om ook de levende keizer als een god te beschouwen en te vereren. Waarschijnlijk doelt Paulus hierop als hij schrijft dat het geheimenis van de wetteloosheid reeds in werking is. Dan wordt ook duidelijk wat dit geheimenis nog tegenhoudt, namelijk de situatie in Rome. Daar is, na Caligula, Claudius aan de macht gekomen die uitdrukkelijk verboden heeft dat men hem als een god zou gaan vereren.
Maar wat zal er gebeuren als Claudius het veld moet ruimen? Wat dit betreft krijgt de tweede brief aan de Tessalonicenzen iets profetisch en wel op korte termijn. Een paar jaar nadat Paulus deze brief schreef, wordt ook Claudius vermoord om opgevolgd te worden door iemand die men zonder veel aarzeling ‘mens der wetteloosheid’ zou kunnen noemen: Nero.

Het beest uit de zee2
De ‘mens der wetteloosheid’ uit de tweede brief aan de Tessalonicenzen, waaiert in het boek Openbaring uit tot drie afzonderlijke figuren die echter zozeer met elkaar verbonden zijn dat sommige uitleggers spreken van een anti-drie-eenheid. Ze worden alle voorgesteld als dieren. De eerste is ‘de grote rossige draak met zeven koppen en tien horens’ van wie we lezen dat hij is ‘de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de hele wereld verleidt’ (Openb. 12:3 en 9). Het aantal koppen en horens geeft zijn macht aan. Als gevolmachtigde van de draak verschijnt ‘het beest uit de zee’ met, eveneens, ‘tien horens en zeven koppen’ en het uiterlijk van tegelijkertijd een luipaard, een beer en een leeuw (Openb. 13: 1- 2). Deze krijgt als propagandist naast zich ‘het beest uit de aarde’ dat met indrukwekkende tekenen – hij kan zelfs vuur uit de hemel laten neerdalen – de mensen ertoe verleidt om het beest uit de zee als een god te vereren (Openb. 13:11-17).
Het is niet moeilijk te achterhalen waaraan de beschrijvingen van de draak en de beesten zijn ontleend, namelijk aan het Oude Testament, aan de Joodse traditie en aan destijds gangbare mythische voorstellingen. De draak is de mythisch opgetuigde slang uit Genesis 3. Het beest uit de zee vertegenwoordigt de dieren uit Daniël 7. Beide beesten, het beest uit de zee en het beest uit de aarde, tezamen gelijken op de twee oermonsters, Leviathan en Behemot, als beschreven in Job 40 en 41 (zie de SV) die ook een rol speelden in de Joodse traditie. Blijft de vraag waarom voor deze ‘beestachtige’ beschrijving is gekozen. De visioenen roepen de beesten uit het Oude Testament, de Joodse traditie, en de mythe op om ze te confronteren met een ander dier. Een dier dat, uiterlijk gezien, verre hun mindere is, namelijk een lam, ‘het lam als geslacht’ uit Openbaring 5. Wie is dit lam? Openbaring 5 laat ons, naar de stijl van dit boek, er naar raden. Het antwoord vinden we echter in het Evangelie naar Johannes. Johannes de Doper noemt Jezus ‘het lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt’. Daarbij komt dat de datering van de kruisiging in dit Evangelie zó is geordend dat Jezus gekruisigd werd op het moment dat in de tempel de paaslammeren werden geslacht. Bij de lezer, die het Evangelie naar Johannes kent, kan er geen twijfel over bestaan: Jezus Christus is het lam3 en de beschrijving ‘als geslacht’ verwijst naar Goede Vrijdag en Pasen tegelijk. Overigens komt ook Pinksteren in zicht, want het lam bezit ‘zeven horens en zeven ogen; dit zijn de zeven Geesten Gods, uitgezonden over de gehele aarde’.
Dit alles krijgt waarschijnlijk – ik zeg het met enige voorzichtigheid – nog een bijzondere dimensie wanneer we in Openbaring 13:8 lezen over de afval van ‘ieder wiens naam niet geschreven is in het boek des levens van het lam, dat geslacht is sedert de grondlegging der wereld’. De meeste (niet alle) uitleggers zijn van mening dat de woorden ‘sedert de grondlegging der wereld’ behoren bij het al of niet geschreven zijn in boek des levens, omdat men zich niets kan voorstellen bij een lam dat sinds de grondlegging van de wereld geslacht zou zijn. De volgorde van de woorden in de tekst wekt echter de suggestie dat dit laatste wel degelijk bedoeld wordt. Gezien het beeldende taalgebruik van het boek Openbaring lijkt me dit ook niet onmogelijk. Het bestaan van de kosmos kan niet gedacht worden zonder het lam dat geslacht is. Daarmee verliezen de draak en de beesten hun vaste grond in de geschapen werkelijkheid. Aan de oermonsters ging reeds de oerredder vooraf.
We richten onze aandacht op het beest uit de zee, dat de draak vertegenwoordigt en dankzij de propaganda van het beest uit de aarde goddelijke verering gaat ontvangen. Een van de koppen van het beest heeft een dodelijke verwonding opgelopen, maar die is weer genezen. Daarmee lijkt dit beest op ‘het lam als geslacht’, temeer wanneer we merken dat er aangaande deze kop in de Griekse grondtekst staat ‘als geslacht ten dode’. Hetzelfde woord wordt gebruikt. Er is ook een verschil. Het gaat maar om één kop en er is sprake van genezing, niet van weer levend worden. Het beest uit de zee blijkt een ondermaatse imitatie van het lam te zijn. Overigens vertoont ook het beest uit de aarde enige overeenkomst met het lam, want hij heeft ‘twee horens als die van het lam’, maar spreekt ‘als de draak’ (Openb. 13:11). Deze combinatie is tekenend voor de naam die het beest uit de aarde elders steeds krijgt: ‘de valse profeet’. Als zodanig is hij de duistere tegenhanger van het boek Openbaring zelf dat ettelijke malen wordt getypeerd als ‘profetie’ (voor het eerst Openb. 1:3). Hiermee is, wat de hoofdrolspelers betreft de cast voor het scenario van de eindtijd gepresenteerd. Tegenover het lam met de profetie als ‘het getuigenis van Jezus’ (zie Openb. 19:10) staat het beest uit de zee met zijn valse profeet.

R. Fernhout, Daarle  

Noten 1 Gegevens ontleend aan de commentaar van F.F. Bruce, Word Biblical Commentary, Vol. 45 2 Gegevens ontleend aan de commentaren van David E. Aune, Word Biblical Commentary, Vol. 52b, en H.R. van de Kamp, Openbaring, Kampen: Kok, 2000. 3 De vraag waarom in het boek Openbaring een ander woord voor ‘lam’ wordt gebruikt als in het Evangelie naar Johannes – arnion in plaats van amnos – laat ik hier rusten. Men zie de commentaren.