Terug naar Ecclesianet.nl

Kohlbrugge in het licht van zijn brieven (II)

Op 4 juni 1829 verdedigde Kohlbrugge zijn proefschrift getiteld: Specimen Philologico-Theologicum inaugurale, exhibins Commentarium in Psalmum Quadragesimum Quintum. Zijn promotor was H.J. Royaards1, hoogleraar in de theologie aan de Utrechtse hogeschool. Het moet een bijzondere dag geweest zijn in het leven van de jonge promovendus, temeer omdat hij precies twee jaar geleden op deze dag2 voor het laatst voorging als Luthers hulppredikant in de Hersteld Lutherse gemeente te Amsterdam. Kerkelijke instanties zetten hem af omdat hij bezwaar had ingediend tegen de rationalistische prediking van de Lutherse predikant D.R. Uckerman. Na deze affaire vestigde Kohlbrugge zich begin 18283 te Utrecht om een belofte gestand te doen die hij aan zijn vader op diens sterfbed had gegeven om te promoveren aan de theologisch faculteit. Uit de correspondentie blijkt dat Kohlbrugge in een fabelachtig tempo zijn dissertatie heeft geschreven, alleen de ondersteuning van zijn promotor liet nogal eens te wensen over.

In diverse briefwisselingen aan zijn geliefde Catharina komt zijn promotieonderzoek ter sprake. Zo schrijft4 hij op 5 februari 1828 aan haar dat hij zondagavond op bezoek is geweest bij professor Heringa5 en ds. Merens6: Zondagavond ben ik met Professor Heringa en Ds. Merens in gezelschap geweest. Ik heb tusschen die twee Heeren in gezeten en wij hebben met ons drietjes regt gekeuveld. Ds. Merens vroeg mij of ik hier studeerde - ik antwoordde, neen Dominé, want gij begrijpt dat mij die vraag in verlegen bragt. Ja wel, zeide de Professor op een luimigen toon. Hij studeert hier wel degelijk en zal in het kort hier braaf wat op zijn horens krijgen, waarop ik ten antwoord gaf in het Latijn, dat ik Professor dank weet voor het regt dat hij mij gaf. Hij vertelde vervolgens de een of andere aardigheid, waarbij ik de mijne voegde - Ds. Merens heeft heengaande mij bij zich op een pijpje verzocht.

Uit een brief7 aan Catharina, gedateerd op 3 mei, blijkt dat Kohlbrugge al veel materiaal heeft verzameld en op papier heeft gezet; dit wil hij laten beoordelen door professor Pareau8. Met deze hooggeleerde heeft hij een aardige conversatie: (…)Ik kan u tot mijn groote blijdschap schrijven dat de oude Professor Pareau heden morgen toen ik op wilde staan mij verzocht wat met hem te praten. Ik hadt hem een gedeelte van mijne dissertatie gegeven en toen ik hem naar zijn gevoelen vroeg over het Theologische, dit hadt hij echter niet van mij en wist dus mijn gevoelen niet, begon hij eerst de Neologen door te halen en beweerde toen krachtig en ernstig dat de Psalm op niemand anders kon zien dan op Christus en Zijn gemeente voorgesteld onder het levendige beeld van een huwelijk, ik hield mij stil, maakte vervolgens quasi bedenkingen, hij ruimde die weg en maakte mij zelfs op het een en ander opmerkzaam waaraan ik nimmer zou gedacht hebben. (hij begrijpt dat ik hier niet ligt iemand vertrouw, hoewel ik hem kende uit zijne werken als een regtzinnig man) zeide ik tegen hem, dat het mij genoegen deed, nog iemand gevonden te hebben, die met mij eenstemmig dacht. Vervolgens gaf hij mij ten opzichte van de studie nog eenige lessen door ervaring opgedaan, vooral dat ik niet met geleerdheid zou trachten te schitteren, iets dat hij zelve in zijne jeugd ook had willen doen, eindelijk heeft hij mij tegen de volgende week weder bij zich verzocht.

Kohlbrugge is min of meer verrast dat Pareau zijn visie deelt, want de meeste hoogleraren vonden de Messiaanse gedachte in de psalmen onwetenschappelijk en in feite een verouderde opvatting. Ruim twee weken later, op 20 mei, schrijft Kohlbrugge opnieuw een brief9 aan zijn verloofde waarin hij haar vertelt dat hij een onderhoud heeft gehad met zijn promotor, hij moet een en ander corrigeren: Professor Rooyaards heeft mij gezegd dat hij mijne dissertatie mede na zijne buitenplaats nam. Ik heb echter gemerkt dat ik dezelve in een andere orde zal moeten stellen, en mij een gedeelte heeft teruggeven zal ik daar morgen aan beginnen. (…)Ik ben voor mij zelven zeer levendig en vroolijk en hadt weinig werk om de argumenten van Professor Rooyaards tegen mijne denkwijze omtepraten (houdt dit voor u).

Uit een brief van 5 juni blijkt dat de hooggeleerde niet de tijd heeft genomen om Kohlbrugge’s proefschrift door te nemen.10 Kohlbrugge spreekt hem daarop aan en neemt ook stelling tegen de opvattingen van zijn promotor: Rooyaards heeft mij uitgesteld tot dinsdag middag en mij toen verklaard dat hij nog geen tijd hadt gehadt om iets na te zien. Heden is hij er eerst aan begonnen, morgen middag moet ik weer bij hem zijn, hij schijnt het nu te meenen, nadat ik hem eens hard heb aangesproken en gezegd heb, dat hij toch mijne omstandigheden onder het oog zou houden. Men moet mij niet kwellen in eene zaak waar in ik zelve alle geduld en lijdzaamheid dagelijks nodig heb en men zeer goed weet, dat mijne gevoelens met die der Academie hemelsbreed verschillen, zelfs in het vak van letterkunde, daar ik in alles de oude Hollandsche school volg, en men hier in alles op zijn Duitsch te werk gaat. Ik moet mij gedurig tot in de kleinste bijzonderheden verdedigen en mijn Promotor spaart niets om mij van mijne gevoelens aftebrengen, echter blijf ik met Gods genadige hulp bij mijne overtuiging.

Hopend dat zijn promotor zijn dissertatie zal lezen schrijft hij op 11 juni aan zijn Cato:11 Op morgen avond ontvangt gij van mij een brief, ik hadt thans geen tijd meer, morgen tegen half twaalf moet ik weder bij Rooyaards wezen, misschien heeft hij nu alles nagezien, dat hoop ik althans, dan ontvangt gij vrijdag hier de tijding van.

Ergens op een zaterdag in juni schrijft Kohlbrugge opnieuw een brief12 aan Cato, waarin hij verslag doet van een bezoek aan professor Pareau en professor Royaards, hij krijgt toestemming om te promoveren:

Hartelijk geliefde Cato!
Schoon de tijd niet toelaat u veel te schrijven, zal ik naar mijne belofte u echter het een en ander mededeelen, waarover gij u zeker zult verblijden. Ik heb mij op donderdag morgen naar Professor Pareau begeven, die niet veel zin hadt om mijne dissertatie grondig natezien en het slechts bij eenige aanmerkingen liet, mij te kennen gevende dat het hem gemakkelijk zou zijn mij teregt te helpen, maar dat hij dit liever niet deed, want zeide hij, als gij het nu eens naar mijn zin maakt, dan is het welligt weer niet naar den zin van uw Promotor, - gij kunt weder aan ‘t veranderen. - Na mijn antwoord op de vraag hoe Rooyaards den Psalm wilde uitleggen, trok hij de schouders op en zeide mij dat hij mij weinig troost konde geven, dat ik maar aanstonds met mijne dissertatie weder naar Rooyaards zoude gaan, tevens herhaalde hij nog eens zijn gevoelen, dat volmaakt met het mijne overeenkwam. Daarop ging er naar Rooyaards, dat ben ik al weer, zeide ik, het compliment van Professor Pareau en hij kan mij niet helpen, want hij is het met u niet eens. Na eenige woordenwisselingen nam hij dat gedeelte uit mijne papieren, dat ik uw oom heb voorgelezen en liet met de rest weder heengaan - tot zaterdag morgen half tien riep hij mij toe - best dacht ik, nu zal het blijkbaar worden, nu zult gij zelve in het net loopen, dat gij mij om mijne gevoelens dwarsboomt. Ik ging getroost naar huis en was dezen morgen reeds vroeg op, in de morgenschemering in de Maliebaan wandelende, hadt ik eerst eenen hevigen gemoedsstrijd of ik zijn zin zou doen en mijne gevoelens opgeven, of dat ik om der waarheid wille, die uit God is, liever alles zoude wagen; ik besloot tot het laatste, maar werd er voornamelijk bij bepaald om alles gerust en getroost af te wachten, door de kracht des dringenden gebeds kwam ik alle beschroomdheid te boven en na mijn ontbijt ging ik naar Rooyaards - dan! hoe was mijn gebed verhoord, alles was wel met eene houding die genoegzaam te kennen gaf dat hij mijn gevoelen aan de Faculteit heeft voor gelezen, of althans dat hij er Heringa over gesproken hadt, gaf hij mij te kennen, dat het mij vrijstond te promoveeren, dat ik mijn letterkundig gedeelte nog eens aan Prof. Pareau zoude geven en vervolgens mijne dissertatie in behoorlijken vorm omwerken en ik de dichterlijke uitbreiding (God zij geloofd) maar zoude weglaten, omdat hij zeer goed bemerkte dat ik daar geen verstand van had, hetwelk ik hem gaarne toegaf. ‘Maar Professor hoe moet ik dan nu aan mijn gevoelen, zeide ik, wel zet dat er dan maar achteraan! antwoordde hij - best, kostelijk, Professor!’ en ik lachte in mijn vuist. Nu, dit is van den Heere, Hij zij gedankt, Hij heeft mijn gebed verhoord, dengenen, die God liefhebben, moeten alle dingen ten beste dienen, die ook zelfs zijn eigen zoon niet heeft gespaard, zal ons met hem ook alle dingen schenken. Hem zei de eer, in Hem alleen zij onze ruste, Zijn welbehagen geschiedt. Hij regeert, Hij zal het wel maken.

Utrecht zaterdag juni 1828
Van uwen altoos getrouwe en innig liefhebbende Frits

Een vervelende bijkomstigheid was dat vlak voor de promotieplechtigheid een paranimf het laat afweten, deze schrijft13 aan Kohlbrugge het volgende:

Amice!
Zoowel drukke bezigheid, als de vrees U welligt niet te huis te zullen vinden, dringen mij, om schriftelijk mij tot U te wenden. - Hetgeen ik gevreesd heb is gebeurd; ik zal morgen worden verhinderd om U als paranymf bij Uwe promotie te vergezellen, weshalven ik mij verheug in den Heer van Oosterzee U eenen plaatsvervanger te kunnen aanbieden, die ik hoop, dat U niet ongevallig zal zijn. Zeer dank ik U ondertusschen voor het vereerende vertrouwen in mij, die U geheel onbekend was, …..; en wanneer ik in het een of ander opzigt U nog van eenigen dienst zal kunnen zijn, ben ik gaarne bereid U dien te bewijzen. - Indien ik er nog tijd voor kan vinden, wensch ik op morgen tegen U te opponeeren, doch zeker beloven kan ik dit niet. - Voorts wensch ik U allen wenschelijken voorspoed voor en bij Uwe promotie toe, en beveel mij aan Uw vriendschappelijk aandenken aan.

 

3 Junij 1829
J.Fr. Wetter

Of de heer Van Oosterzee als plaatsvervanger heeft opgetreden is niet bekend. Ondanks wat hindernissen verdedigde Kohlbrugge op 4 juni 1829 zijn academische proefschrift over Psalm 45 en werd cum laude bevorderd tot doctor in de Godgeleerdheid.

H. Boele, Hendrik-Ido-Ambacht

Noten
1 Herman Johan Royaards, 1794 Utrecht - 1854 Utrecht. Buitengewoon hoogleraar 20 juni 1823 - 3 maart 1826, daarna gewoon hoogleraar tot 2 jan. 1854.
2 Kohlbrugge preekte op 4 juni 1827 over Openbaring 22: 17.
3 Vermoedelijk in de eerste week van januari, want op 4 jan. schrijft hij aan zijn geliefde Cato een brief uit Amsterdam en op 8 jan. vanuit Utrecht (Archief Kohlbr. Port. 6 brief 30 en 31).
4 Archief Kohlbr. Port. 6 brief 39.
5 Jodocus Heringa, 1765 Gorredijk - 1840 Utrecht, hoogleraar Utrecht 1794 – 1835 (emer.)
6 Lucas Merens, 1795 Hoorn - 1863 Utrecht, predikant te Woudenberg 1817; Edam 1819; Delft 1820; Utrecht 1822- 1863.
7 Archief Kohlbr. Port. 6 brief 70.
8 Jean Henri Pareau, 1761 Amsterdam - 1833 Utrecht, hoogleraar Utrecht 1810 - 1830, tevens Waals predikant.
9 Archief Kohlbr. Port. 6 brief 75.
10 Archief Kohlbr. Port. 6 brief 78.
11 Archief Kohlbr. Port. 6 brief 79.
12 Archief Kohlbr. Port. 6 brief 81.
13 Archief Kohlbr. Port. 15 brief 4.