Terug naar Ecclesianet.nl

Ds. W.A. Hoek en zijn “mislukte” radiopreek

In de middag van zondag 2 februari 1941 hield ds. W.A. Hoek (1885-1975), hervormd predikant te Amsterdam, in de NCRV-studio een radiopreek over Romeinen 12: 19: “Wreekt uzelven niet, beminden! …” De predikatie verscheen niet lang daarna in druk onder de titel: Als de haat groeit (een mislukte radiopreek).

Wie was deze ds. Hoek? En waarom schenken we bijna driekwart eeuw na dato aandacht aan een radiopreek, die notabene als “mislukt” werd aangeduid?

Voor oudere lezers is de naam van ds. W.A. Hoek waarschijnlijk niet onbekend. In de jaren zestig en zeventig, toen ons blad nog onder de naam Kerkblaadje verscheen, leverde ds. Hoek tal van bijdragen. Hij overleed 40 jaar geleden, op 13 januari 1975. Na zijn dood werden nog tientallen door hem nagelaten artikelen gepubliceerd, waaronder de laatste van de ruim 125 afleveringen van zijn “Pastorale herinneringen”.

Ds. Hoek, die ook bekendheid kreeg door zijn in 1964 verschenen boekje: H.F. Kohlbrugge, de onheilige heilige, typeerde zichzelf als “ethisch-kohlbruggiaan.” Van huis uit behoorde hij tot de zogenoemde ethische richting in de Nederlandse Hervormde Kerk.1

Levensloop 2

Willem Andreas Hoek werd op 23 april 1885 geboren in het Gelderse Vorchten , waar zijn vader, ds. Jacob Hoek, acht maanden tevoren als predikant was bevestigd. Het was zijn eerste gemeente. In 1887 verhuisde het domineesgezin naar Zevenhuizen in Zuid-Holland en in 1892 naar Oudewater. Ds. J. Hoek diende de laatstgenoemde gemeente tot 1 december 1926, toen hij emeritus werd.

In het stadje Oudewater bracht Willem Hoek het grootste deel van zijn jeugd door. Ook in zijn studententijd vertoefde hij nog vaak in het ouderlijk huis. Na de voltooiing van zijn theologische studie in Utrecht aanvaardde kandidaat Hoek in 1911 het beroep naar het Drentse Anloo, op de Hondsrug. Het dorp bezat een heel oude kerk. Maar de hervormde gemeente had weinig weet van het Evangelie. Voor de jonge dominee en zijn vrouw was het werken er moeilijk. Ds. Hoek ging destijds door voor “evangelisch”, waarbij men het oog had op een groep, die tussen rechtzinnig en vrijzinnig in stond. Al in 1913 verwisselde hij Anloo voor het Gelderse Laren, waar hij negen jaar zou blijven. Wat zijn kerkelijke richting betreft verschoof ds. Hoek in die tijd van evangelisch naar ethisch. Hij sloot zich aan bij de Ethische Vereniging en werd daarvan secretaris. Zijn sprankelende en boeiende kronieken in het blad Bergopwaarts (later: Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur) werden zeer gewaardeerd.

In 1922 kreeg ds. Hoek een beroep uit Amsterdam en op 15 oktober van dat jaar deed hij er zijn intrede. Enkele gelijkgezinde predikanten, J. de Jong, J. van Bruggen en M.J.A. de Vrijer, kwamen in diezelfde tijd naar de hoofdstad, zodat gesproken werd van “een ethische invasie.” Ruim 28 jaar, in een periode waarin er in het kerkelijk leven veel veranderde, bleef ds. Hoek in Amsterdam-Centrum werkzaam, tot zijn emeritaat dat inging op 1 april 1951. Geen wonder dat iemand als hij, met een zeldzaam talent voor schrijven, bij de redactie van het Kerkbeurtenblad betrokken werd. De inhoud van zijn prediking werd in zijn Amsterdamse tijd reformatorischer, in de oorspronkelijke betekenis van dit woord3 , maar de vorm bleef gelijk: causerend.

Als emeritus verleende ds. Hoek gedurende enkele jaren bijstand in het pastoraat te Rheden. Na enige tijd in Elst te hebben gewoond, keerde hij naar Rheden terug. Hij overleed te Zwolle, zoals reeds vermeld op 13 januari 1975.

“Ethisch-kohlbruggiaan”

Het Kerkblaadje van 31 januari van dat jaar was geheel gewijd aan de nagedachtenis van ds. Hoek, die vele bijdragen voor dit blad had geleverd. “Zijn artikelen waren sprankelend, geestig, actueel, maar ook praktisch, persoonlijk, en bovenal geestelijk, bijbels, vroom”, aldus dr. W. Aalders. Zijn inspiratie putte hij uit één bron: het Woord Gods. Het is dr. H.F. Kohlbrugge geweest, die hem de Schrift heeft leren kennen als put waaruit levend water geschept wordt. Typerend voor Hoeks schrijftrant was volgens dr. Aalders ook het geestelijke, sprankelende en flitsende, wat de Fransen “esprit” noemen. Bij Kohlbrugge zullen wij dit nergens tegenkomen. Vanwaar dit schertsende element, die lichte humor en milde zelfspot? De verklaring ligt in Hoeks ethische afkomst, die hij nooit verloochende. De ethische theologie is immers nauw verbonden met de namen van Daniël Chantepie de la Saussaye en Alexandre Vinet en staat daarom in een levende relatie tot de Franse traditie en geest.

In een interview in 1973 noemde ds. Hoek zichzelf “ethisch-kohlbruggiaan.” De stelling dat de Bijbel Gods Woord is, vond hij eigenlijk “hoogmoedig en autoritair.” Christus is Gods Woord. Op de vraag, hoe hij op het spoor van Kohlbrugge was gekomen, antwoordde Hoek dat dit nogal moeilijk te zeggen was: “ik schijn latent kohlbruggiaan geweest te zijn.” Hij vertelde dat ds Kromsigt hem had aangeraden een dissertatie te schrijven over het ethisch element bij Kohlbrugge; het was er echter nooit van gekomen. Vooral via ds. (H.A.J.) Lütge, een neef van zijn moeder, leerde ds. Hoek Kohlbrugge kennen.4

Uit ds. Hoeks boekje over H.F. Kohlbrugge wordt duidelijk dat ook dr. O. Noordmans (zijn opvolger als predikant te Laren) hem de weg naar deze theoloog heeft gewezen.5

“Wreekt uzelf niet”

Van de talloze preken die ds. Hoek heeft gehouden, is maar een beperkt aantal in druk verschenen en zo aan de vergetelheid onttrokken. Op één ervan willen we wat nader ingaan en wel de in het begin al genoemde “mislukte” radiopreek, gehouden op 2 februari 1941. Het was bijna negen maanden na de Duitse inval in Nederland en vijf weken voordat de bezetter de vrije omroeporganisaties ophief en verving door een staatsbedrijf, de Rijks Radio Omroep. Ds. Hoek ging die zondagmiddag in de NCRV-studio voor in een radiodienst. Hoewel hij “moederziel alleen” voor de microfoon zat, wist hij zich “van alle zijden door een onzichtbare menigte omringd.” Na votum, psalmgezang, apostolische geloofsbelijdenis, Schriftlezing en voorgebed preekte ds. Hoek over Romeinen 12: 19 (Statenvertaling): “Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij (komt) de wraak (toe); Ik zal het vergelden, zegt de Heere.”

“Wreekt uzelf niet! Dit verbod roept al dadelijk protest op. Wij voelen er immers alles voor, ons in bepaalde omstandigheden wél te wreken, is het niet in daden, dan in woorden, of tenminste in gedachten. Daden en woorden zijn openbaar, maar gedachten blijven verborgen, oncontroleerbaar, onschadelijk en onschuldig. Schijnbaar zijn wij in het rijk der gedachten vrij van zonde en oordeel. Maar voor God is de innerlijke mens de wezenlijke. Zo ik denk, zo ben ik voor Hem. Alle zonden worden in de eerste en eigenlijke plaats in het hart bedreven. Ook de zonde waartegen onze tekst met zo grote kracht waarschuwt. De haat is de wraak in gedachte, in en met het hart.

Maar moeten wij alles wat ons kwaad toeschijnt, dan maar rustig aanvaarden, zonder klacht en zonder aanklacht? Mag er geen rechtvaardig oordeel in deze wereld vlammen, zelfs niet eens in gedachten? Weest gerust! Op de woorden ‘wreekt uzelven niet, beminden’ volgt immers: ‘maar geeft den toorn plaats.’ Hiermee is bedoeld: ‘maakt in uw hart ruimte voor de toorn van God.’ Als dit hart vervuld is van eigen toornige gedachten, is er geen plaats voor Gods toorn. De ware God is als het moet een toornig God.

Er zijn mensen die deze gedachte hoogst onchristelijk en verwerpelijk vinden. Zelf menen ze bij bepaalde gelegenheden alle recht tot toorn te hebben. Maar wat mensen geoorloofd is, schijnt de Almachtige verboden te moeten zijn! Wij beven voor de gedachte aan een toornig God en daarom willen wij haar verwerpen.

Laten wij liever in heilige nuchterheid dankbaar zijn, dat we in Gods toorn mogen geloven. God is Liefde, leert het Evangelie. De liefde zoekt de ander, zij leeft mee. Ziet zij bij de ander heerlijke dingen, zij verheugt zich erover; aanschouwt zij droeve dingen, dan bedroeft zij zich. Zij is te levend, te warm, te sterk van karakter om niet verontwaardigd te kunnen zijn. ‘De toorn van God is de brandende spits van de lichtende vlam Zijner heilige Liefde’, heeft de oude professor Gunning gezegd.

De waarachtige God, zoals Hij Zich in de Schrift openbaart, kan, wil en moet toornen, omdat Hij naar Zijn wezen heilige Liefde is. Zo zeker als Gods welbehagen rust op allen die ongeveinsd Zijn wet betrachten, zo zeker vlamt Zijn misnoegen tegen allen die zich van Zijn wegen afwenden. Gods heilige toorn is geheel verschillend van de onze. Ons ontbreekt te dikwijls het element dat de toorn tot heilige toorn maakt, namelijk de droefheid. Onze toorn is te puur menselijk. Ds. Hoek illustreert dit in zijn preek met het volgende verhaal. Een jong, vurig predikant had eens met geweldige nadruk geketterd tegen een theologische richting, die niet de zijne was. Wie haar aanhingen waren, om met Paulus te spreken, ‘vijanden van het kruis van Christus.’Toen hij dit gezegd had, klopte een oudere collega hem gemoedelijk op de schouder en zei, dat hij de apostel volledig had moeten aanhalen.’ ‘Hoezo?’ Antwoord: ‘Paulus schrijft: van wie ik wenende zeg, dat zij vijanden zijn van het kruis van Christus.’6

Gelukkig voor ons, arme zondaren, dat God toornt in Zijn barmhartigheid. Bij Hem zijn toorn en droefheid verenigd in een wondere harmonie. Zijn toorn over ons is altijd droefheid over ons. Voor deze heilige toorn mogen wij plaatsmaken. Dit kunnen wij echter niet zonder dat wij zelf onder Gods toorn doorgaan. ‘Mij de wraak, Ik zal het vergelden’, spreekt de Heer. U, nietig mensenkind, hebt niet voor wereldrechter te spelen. U hunkert naar een rechtvaardig oordeel. Wees gerust, Christus zal wederkomen om te oordelen de levenden en de doden. Niemand die eraan ontkomt. O God, wie zal bestaan? Nog eens, wees gerust! God houdt het oordeel in de hand. Het zal daarom een goed oordeel zijn. De in Christus richtende God is een rechtvaardig God, die zich aan Zijn eigen recht houdt. Deze rechter is tevens de hoogste wetgever. De hoofdwet van Zijn Koninkrijk luidt: de rechtvaardige zal leven door het geloof. Het geloof alleen is de wondere kracht die zondaars rechtvaardig maakt. Wie in de Zoon gelooft heeft het eeuwige leven. Zo zeker als het enkelvoudig leven, het enkel zondaar zijn, het oordeel tot veroordeling maakt, zo zeker is het tweevoudig leven, het zondaar én gelovige zijn, onze eeuwige redding.

Maar mogen wij dan nooit meer haten, wreken? Het Evangelie kan toch niet iets van ons eisen wat ingaat tegen onze menselijke natuur! Wreekt uzelf niet! Voor ons vlees en bloed is dat onmogelijk. De tekst voegt er echter een woord aan toe: beminden, en dit is het reddende sleutelwoord. Er staat niet: beminnenden, of beminnelijken, maar beminden. In zijn letterlijke betekenis is dit woord passief. God zegt in Christus dat Hij actief is en dat wij slechts passief zijn. Dat God ons liefheeft, is te groot om waar te zijn. Maar wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God. Wie dit gelooft mag aanspraak maken op de onverdiende eer, een ‘gekende’ en beminde van God te zijn. Dit brengt ook zijn consequenties mee. Ieder die de naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid. Daaronder vallen ook de wraakgevoelens. En als er dan toch in de gemeente van Christus zo fel gehaat wordt, het meest in gedachten? Als christenen meer vervuld zijn van haat dan van het Evangelie der verzoening? Dan is dat het ontzettende bewijs, dat zij zich wel naar Christus noemen, maar Hem niet ten volle toebehoren.”

“Maar gelukkig”, zo eindigt ds. Hoek zijn preek, “mogen wij telkens nog stillen in den lande ontmoeten, in wie iets van het evenwicht en de verkwikkende rust van de behandelde tekst ons tegenkomt. Laat ons bidden dat ook wij meer en meer tot deze stillen mogen gaan behoren.”

De radiodienst werd na de preek besloten met een gezang, het “Onze Vader” en de zegenbede.

Ds. Hoek verkeerde aanvankelijk in de veronderstelling, dat zijn stem in menig bevriend huis en in menige bevriende boerderij geklonken had. Echter: het bleek grotendeels inbeelding. Na afloop hoorde hij namelijk dat de zender Lopik was uitgevallen! Wel kon hij zich ermee troosten, dat de radiodistributie, de “draadomroep”, niet had gefaald. Maar het uitvallen van de zender had toch een gunstig gevolg: het werd aanleiding, de prediking te publiceren. Zo kunnen wij bijna driekwart eeuw later kennisnemen van een nog steeds actuele “mislukte” radiopreek van een “ethisch-kohlbruggiaanse” dominee.

M. den Admirant, ‘s-Gravenhage

Noten
1 Volgens een vertegenwoordiger van de ethische richting, prof. dr. A.M. Brouwer (1875-1948), moet het woord ethisch niet in verband worden gebracht met “ethiek”, maar met “ethos”: het diepst-innerlijk van de mens, dat wat in verband staat met zijn gehele mens-zijn, met zijn wezen, zijn existentie; het woord ethisch zou daarom het best weergegeven kunnen worden met het woord existentieel. Zie: weekblad De Hervormde Kerk, jg. 3, nr. 24 (14 juni 1947).
2 De biografische gegevens zijn onder meer ontleend aan een artikel van ds. M. Groenenberg in het Amsterdams Kerkbeurtenblad ter gelegenheid van ds. Hoeks veertigjarig ambtsjubileum op 26 februari 1951.
3 De term reformatorisch is sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw geclaimd door instellingen en organisaties van de bevindelijk-gereformeerde zuil.
4 Zie: De Civitate, maandblad van de CSFR, jg. 23, nr. 10 (dec. 1973), themanummer, blz. 15.
5 Dr. O. Noordmans, Verzamelde Werken, deel IXB (1934- 1955), Brieven, Kampen 1999, blz. 536.
6 De twee door ds. Hoek bedoelde predikanten waren: dr. G. Oorthuys (1876-1959) en ds. A.J. Eijkman (1844- 1927). Dit blijkt uit de volgende mededeling van ds. D. van Heyst in een aan mij gerichte brief d.d. 18 augustus 1987: “Bekend is de anecdote dat dr. G. Oorthuys in een kerkeraadsvergadering te Amsterdam fel uitgehaald had tegen de vrijzinnigen. ‘Het zijn vijanden van het kruis van Christus’, had hij uitgeroepen. De zachtmoedige ds. A.J. Eijkman klopte dr. Oorthuys op de schouder en sprak op vermanende toon: Oorthuys, ik moet je erop opmerkzaam maken, dat Paulus van bepaalde personen, nl. de Judaïsten, wenende zei, dat ze vijanden van het kruis van Christus waren, en dat wenen mis ik bij jou ten enenmale!.” Beide predikanten dienden de hervormde gemeente van Amsterdam, ds. Eijkman van 1888 tot 1921 en dr. Oorthuys van 1910 tot 1943.