Terug naar Ecclesianet.nl

Kohlbrugge in het licht van zijn brieven (I)

Toen ik bezig was met het onderzoek voor de publicatie Zonder kansel kon hij niet leven kwam ik onder de indruk van de hoeveelheid brieven die in het Kohlbrugge-archief te Utrecht bewaard worden. Honderden brieven zijn hier voorhanden. Ds. D. van Heyst en dr. W. Aalders maakten in 1982 bij de heruitgave van Brieven van dr. H.F. Kohlbrugge de volgende opmerking: ‘Hoe gaarne zouden wij zien dat een theologische doctorandus, die bekend en verwant is met Kohlbrugge, een academisch proefschrift zou voorbereiden over het onderwerp: Kohlbrugge in het licht van zijn brieven.’ Volgens ds. van Heyst en dr. Aalders zou hij ‘met stijgende verwondering kennis nemen van de geestelijke schatten, die hier opgestapeld liggen.’1 In 1990 maakte prof. A. de Reuver een soortgelijke kanttekening: ‘Verreweg de meeste van Kohlbrugges brieven zijn nooit gepubliceerd. Zij worden in het Kohlbrugge-archief van de Utrechtse Rijksuniversiteit bewaard. Het is om diverse redenen zeer te wensen dat deze verborgen schat weldra aan het licht wordt gebracht.’2

De komende maanden wil ik voor u een aantal van deze brieven ontvouwen en u deelgenoot maken van de rijke en boeiende inhoud. De onderstaande brief schrijft Kohlbrugge aan zijn geliefde Cato3 naar aanleiding van het overlijden van haar vader,4 die na een langdurig ziekbed op 3 oktober 1825 is gestorven. Cato is dan nog maar 17 jaar, ruim twee jaar hiervoor heeft zij haar moeder verloren. Op de dag van overlijden schrijft Kohlbrugge de volgende brief5:

Mijne Cato!

Zoo is het langgevreesde uur dan daar – en uw dierbare vader is niet meer. Hij is niet meer, die lieve vader, die u het leven gaf, die u verzorgde en pleegde en in zijne laatste levensjaren alles voor u en uwe lieve zuster over had, afgemarteld onder de folterendste strijd tusschen ziel en ligchaam is hij bezweken – hij zwijgt in de armen des doods!

(…) Ween dan mijne Cato! uw vader is het waardig, hij was een goed vader voor zijne kinderen, hij was een vriend voor zijne kinderen, maar nu uw vriend, uw vader slaapt den doodsslaap en het graf wacht hem. “Hoe dierbaar zijn u zijne woorden. Ik zeg u dank er voor Cato! dat gij u zoo goed van uwen pligt gekweten hebt – al wat ik u geef of kon geven is niets bij die zelfvoldoening die gij in uw geweten moet hebben. God geve dat gij eens uw man zoo gelukkig maakt, als gij uw vader reeds gemaakt hebt en het gebed dat de stervende vader tot het geluk van zijne kinderen van God afsmeekt zal de goede God niet onverhoord laten.”

(…) Uw vader rust, de zalige rust na de moeite en de hitte van den dag te hebben doorgestaan, zalige rust na de last des lijdens hijgende en zwoegende den berg der Eeuwigheid te hebben opgetorscht. Zalige rust, wanneer men hier door folterende pijnen is afgetobd – gij overtuigd er ons van dat het hier beneden niet is wat wij zoeken moeten, dat er een nacht volgt op de levens- en lijdensdag, maar een nacht die niet eeuwig is. Zalig zijn de dooden, die in den Heere ontslapen, want zij rusten van hunnen arbeid. Zij rusten, zij sluimeren in het graf eene korte sluimering, dan zien zij het morgenrood der Eeuwigheid, het licht des Hemels, dat van uit den stoel Gods hervoorstroomt breekt door en boort en breekt door de grafzerken, de adem des Almagtigen wandelt door de graven en bezielt het dal des doods, er ontstaat een nieuw leven, de beenderen der verstorvenen worden bijeengebracht en met eene gestalte overkleed, dan rolt er eene stem over de doodenakkers, staat op gij dooden! en zij rijzen de dooden – en het wemelt in de schepping van Engelen en herrezenen – en wie hier in den Heere gestorven is, zweeft met zijn Engel, zoekt zijne geliefden op, die hem hier op aarde dierbaar waren en omhelst hen – en hand aan hand stijgen zij onder bazuingeschal en Hemelliederen op de wolken al hooger en hooger met Jezus ten hemel in! –

Kent gij het niet mijne geliefde! dat alles overweldigende geloof, het geloof dat sterker is dan diamante muuren, het geloof dat vaster staat dan een rots, het geloof op welks schild elke schicht van twijfelzucht en wanhoop terugklinkt, het geloof dat met de voeten over de aarde treedt maar het hoofd in de Hemelen verbergt, het geloof dat als een zwaard door het hart gaat van elk die er zich tegen verzet, het geloof dat de Hemelen op aarde doet nederdalen ons met de Engelen bevriendt en een vuurgloed ontsteekt in de ziel van een ieder die het bezit. Kent gij het? (…) En nu, lieve Cato! daar gij uw lieve vader tot het laatste toe hebt bijgestaan daar gij uwe kinderpligt niet uit u zelven, maar door de bijstand van God, zooveel als in u was, met opoffering van eigen rust en eigen wel zoo gaarne, zoo innig vervuld hebt – wat staart gij nu nog op het koude lijk, op het afgelegde zondige kleed van uwen vader – ween niet hopeloos en ook gij niet lieve Netje! om het gemis van alles wat u dierbaar was – gelooft gij dat wie in Jezus gelooft eeuwig leeft? gewis! zie dan niet op de schelp, de parel is in de handen der Engelen, slaat uwe oogen omhoog naar God in den Hemel, dáár is uw vader, dáár leeft hij en zweeft er nu, dáár folteren hem geene pijnen meer, dáár zingt hij den Verlosser een loflied, dáár is hij zalig!

Herlees eens mijne brieven, bidt tot uwen hemelschen Vader, Vader uw wil geschiede, berust in Zijn bestuur, Hij zal u niet begeven, hij verlaat u niet maar zal alles wel maken, dat geloof heb ik en zal voor u bidden.

PS, morgen schrijf ik u meer lieve Cato! Geheel en voor altoos de uwe

Frits

Op een diepe pastorale wijze weet Kohlbrugge zijn Cato te troosten met het verlies van haar vader. Deze toon is kenmerkend in zijn correspondentie.

H. Boele, Hendrik-Ido-Ambacht

Noten
1 Brieven van dr. H.F. Kohlbrugge, uitgegeven door dr. Eduard Böhl, Veenendaal 1982.
2 Door zijne wonden is ons genezing geworden, brieven van dr. H.F. Kohlbrugge uit het Kohlbrugge-Archief te Utrecht, doorgezien en uitgegeven door ds. Georg Helbig, Leiden 1990, Ten geleide door A. de Reuver.
3 Catharina Louisa Engelbert, 8 april 1808 – 12 febr. 1833, op 30 juli 1829 treedt zij met Kohlbrugge in het huwelijk.
4 Gerrit Engelbert, 1778 – 1825.
5 Archief Kohlbr. Port. 6 brief 10.